138
Als Saga terugkeert naar Vicky’s kamer, probeert de officier van justitie uit te leggen dat de resterende vijftien minuten te kort zijn om iets waardevols boven water te krijgen. Saga knikt alsof ze het ermee eens is en loopt dan naar het voeteneinde. De advocate kijkt haar vragend aan. Saga wacht met haar handen op het glanzende metaal van het bed tot Vicky haar gewonde gezicht opheft en haar aankijkt.
‘Ik dacht dat je die hele nacht wakker was,’ begint Saga heel langzaam. ‘Maar Joona zegt dat je in je bed hebt geslapen voor je van de Birgittagården vertrok.’
Vicky schudt haar hoofd en haar advocate probeert tussenbeide te komen.
‘Het verhoor van vandaag is afgesloten en...’
Vicky fluistert iets en krabt aan een korstje op haar wang. Saga denkt dat ze haar moet vragen te vertellen over wat er toen gebeurde. Het hoeft niet veel te zijn, gewoon een paar eerlijke woorden over de vlucht door het bos en de ontvoering van de jongen.
Ze weet dat hoe meer een verhoorder de ondervraagde over de gebeurtenissen rondom de misdaad kan laten vertellen, hoe meer kans dat ze alles vertelt.
‘Joona vergist zich meestal niet,’ zegt Saga en ze glimlacht.
‘Het was donker en ik lag in bed toen iedereen gilde en met deuren sloeg,’ fluistert Vicky.
‘Je ligt in je bed en iedereen gilt,’ zegt Saga knikkend. ‘Wat denk je, wat doe je dan?’
‘Ik ben bang, dat is het eerste, mijn hart bonst hard en snel en ik lig heel stil onder mijn dekbed,’ zegt Vicky zonder iemand in de kamer aan te kijken. ‘Het is stikdonker... maar dan voel ik dat ik nat ben... ik denk dat ik in bed heb geplast of ongesteld ben geworden of zoiets... Buster blaft en Nina schreeuwt iets over Miranda en ik doe mijn lamp aan en dan zie ik dat ik onder het bloed zit.’
Saga dwingt zichzelf niets over het bloed en de moorden te vragen, niet te proberen de bekentenis te forceren, maar alleen mee te gaan met de stroom.
‘Gil jij ook?’ vraagt ze neutraal.
‘Ik geloof het niet, ik weet het niet, ik kon niet denken,’ gaat Vicky verder. ‘Ik wilde gewoon weg, verdwijnen... Ik slaap met mijn kleren aan... dat doe ik altijd... dus ik pak mijn tas, trek mijn schoenen aan, klim het raam uit en loop zo het bos in... ik ben bang en loop zo snel ik kan en de lucht wordt lichter en na een paar uur kan ik beter tussen de bomen door kijken. Ik loop alsmaar door en plotseling zie ik een auto... hij is bijna nieuw, maar zomaar verlaten, het portier staat open en er zitten sleutels in... Ik kan rijden, dat heb ik een hele zomer gedaan... dus ik strompel naar de auto toe en rij weg... En dan voel ik hoe gruwelijk moe ik ben, mijn benen trillen... Ik bedenk dat ik naar Stockholm ga rijden om daar geld te fiksen zodat ik naar vrienden in Chili kan gaan... Plotseling knalt de auto ergens tegenaan, hij draait rond en raakt iets met zijn zijkant... pang en dan is alles stil... Ik word wakker, bloed uit mijn oor en kijk op, overal liggen stukjes glas, ik ben tegen een fokking stoplicht aan gereden, ik snap niet hoe het is gegaan, alle ramen zijn weg, het regent zo de auto in... de motor draait nog en ik leef... mijn hand gaat naar de versnellingspook en ik rij achteruit en rij verder... er waait regen in mijn gezicht en dan hoor ik iemand huilen, ik draai me om en zie dat er een kind in het stoeltje op de achterbank zit... een klein jochie. Het is hartstikke ziek, ik snap niet waar hij vandaan komt... Ik roep tegen hem dat ie zijn kop moet houden. Het giet van de regen. Er is haast geen zicht, maar net als ik ben afgeslagen om een brug over te rijden, zie ik het zwaailicht aan de andere kant van de rivier... Ik raak een beetje in paniek en draai aan het stuur en we raken van de weg af. Het gaat te snel, zo over een strandje heen, ik rem maar rij toch het water in en knal met mijn gezicht tegen het stuur. Het water slaat over de motorkap de auto in en we glijden zo de rivier in... Het wordt donker, we zinken, maar vlak onder het dak vind ik lucht en ik kruip naar het jongetje achterin, krijg zijn gordel los en sleur hem met stoel en al het raam door, we zitten al diep onder water, maar het stoeltje drijft en brengt ons naar boven, we stromen een stukje met de rivier mee en belanden aan de andere kant... we zijn kletsnat, mijn tas en mijn schoenen zijn weg, maar we beginnen te lopen...’
Vicky zwijgt om adem te halen. Saga ziet vanuit haar ooghoek een beweging van de officier van justitie, maar laat Vicky niet los met haar blik.
‘Ik zei tegen Dante dat we zijn moeder gingen zoeken,’ gaat Vicky met trillerige stem verder. ‘Ik hield zijn hand vast en we bleven maar lopen en zongen een liedje van zijn crèche over een oud mannetje met versleten schoenen. We volgden een grote weg met palen erlangs... er stopte een auto en we mochten mee op de achterbank... die man in de auto keek in het spiegeltje naar ons en zette de verwarming aan en vroeg of we met hem mee naar huis wilden waar we nieuwe kleren en eten zouden krijgen... en we waren zeker met hem meegegaan als hij niet steeds naar ons had gekeken in het spiegeltje en had gezegd dat we ook wat zakgeld zouden krijgen... Maar toen hij stopte om te tanken, peerden we ’m en liepen we verder... Ik weet niet hoe ver we waren gekomen, maar op een parkeerplaats bij een meer stond een vrachtwagen van Ikea geparkeerd en op een van die houten tafels daar vonden we een thermoskan en zo’n grote stapel boterhammen met worst, maar voor we die zak kunnen pakken komt er een man vanachter de vrachtwagen die vraagt of we honger hebben... Hij komt uit Polen en we mogen helemaal met hem mee naar Uppsala... Ik leen zijn telefoon en bel mama op... Een paar keer denk ik dat ik hem doodmaak als hij het jongetje aanraakt, maar hij laat ons rustig slapen... Hij wil niks van ons. Hij zet ons gewoon af en het laatste stuk nemen we de trein naar Stockholm, we verstoppen ons tussen de koffers... ik heb de sleutel van de metro niet meer en ken er ook niemand meer, het is ook zo lang geleden... Ik heb een paar weken bij een stel in Midsommarkransen gewoond, maar ik weet niet meer hoe ze heten, alleen Tobias herinner ik me nog, natuurlijk herinner ik me hem, ik weet nog dat hij aan de Wollmar Yxkullsgatan woonde, dat ik altijd naar halte Mariatorget ging en... ik ben zo ongelooflijk stom, ik zou niet mogen leven.’
Ze zwijgt en draait haar gezicht weer naar haar kussen en ligt daar stil te ademen.