***

Nog twee weken
Acteurs.
Maandagmiddag ging Brian House naar hen op zoek. Toen Jason Nettles hem had verteld over Cale, was zijn eerste gedachte geweest: zo kan ik het meisje van dat feest opsporen. Maar hoe meer hij erover nadacht, hoe sterker het gevoel werd dat hij door naar Cale te gaan, misschien iedereen zou ontmaskeren. Rechercheur Thurman, de Polly die hij was tegengekomen, misschien zelfs Williams zelf. Hij wist nu dat hij was misleid. Ze waren allemaal misleid. De grens tussen Logica en Argumentatieleer 204 en de werkelijkheid was door Williams veranderd en vervangen door zijn bedrog. Brian had zich al afgevraagd of er nog meer niet echt was: zijn andere docenten, mensen die hij op feestjes leerde kennen (na het Polly- incident in Chop had hij geen meisje meer durven versieren), zelfs zijn kamergenoot. Altijd, waar hij ook was, ervoer hij deze verontrusting, die angst dat de wereld uiteenviel en zich binnenstebuiten keerde, waarbij het mechaniek werd blootgelegd, als de scherpe springveren van een oude matras die door het schuimrubber staken.
Brian vroeg zich, en niet voor het eerst, af of dit was wat Marcus had gevoeld. Brian had zijn broer vanuit Winchester gebeld op de dag voordat Marcus zichzelf van kant maakte. 'Ik voel me fantastisch,' had hij tegen Brian gezegd. Maar daaronder had iets anders gelegen, versluierd en bonzend. Brian kon het nog steeds horen, dat oude zeer in de stem van zijn broer. 'Ik heb morgen weer een auditie,' had Marcus gezegd. Het was voor een reclamespotje voor autoverzekeringen, en hij zou er genoeg mee verdienen om zijn studioappartementje in Brooklyn te kunnen aanhouden. Het was een gesprek tussen twee broers dat vol hoop had moeten zijn, maar Brian hing op met een angstig gevoel. Marcus speelde toneel. En nu, bijna twee jaar later, probeerde hij weer een complot aan het licht te brengen. Hij had op een of andere manier het gevoel dat ze verband hielden met elkaar, dat het om een wrede grap ging die alleen met hém werd uitgehaald. De wereld was transparant, welbewust doorzichtig.
Marcus had hem aanwijzingen gegeven: hij had Brian dozen met zijn oude kleren gestuurd. En dan was er ook zijn gepraat over - nee, zijn obsessie met bruggen. Twee zomers geleden was hij op een avond toen hij met Brian onderweg was van Kingston naar Poughkeepsie, gestopt op Route 9, op de brug over de rivier de Hudson. Hij was op de rand gaan staan en toen hij weer instapte, had hij gevraagd: 'Hoe hoog denk je dat die is?' En dat laatste telefoongesprek, zo duidelijk misleidend, een poging om Brian te laten weten wat hij op het punt stond te doen. Maar dat had hij toentertijd natuurlijk niet beseft. Die avond had hij helemaal niet meer aan dat telefoongesprek gedacht. Hij had een afspraakje met een meisje dat Cara Bright heette, om het in haar flatje buiten de campus lekker op een zuipen te gaan zetten. De volgende dag werd hij gewekt door het telefoontje van zijn moeder. 'Brian,' zei ze. En hij wist wat ze ging zeggen.
Zijn vader was er kapot van; hij verzonk in een schemertoestand van verdriet en reageerde in zijn vertwijfeling nauwelijks op zijn omgeving. Brian moest hem door de formaliteiten van Marcus' begrafenis heen sleuren. Zijn vader die op de bank zat, drie dagen lang, helemaal weg, geluidloos woorden vormend met zijn lippen. Zijn vader die weigerde iets te eten, door het huis stommelde in het holst van de nacht. Zijn vader, die Brian op een nacht wakker maakte en vroeg: 'Weet jij waar die oude racefiets van Marcus is?' Toen waren ze samen naar buiten gegaan, naar de garage, en in eerste instantie had Brian zijn ouwe heer alleen maar gerust willen stellen, maar toen de fiets onvindbaar bleek, werd het een halszaak, alsof de fiets, als ze die vonden, Marcus terug zou brengen. Ze zochten tot zonsopgang, rommelden door oude computers, gereedschap en dozen vol rotzooi, smeten spullen aan de kant en keerden de garage ondersteboven in een poging de fiets te vinden.
Hij bleef onvindbaar. Het werd het raadsel van Marcus' oude fiets. En niet lang daarna, niet meer dan een paar weken, toen Brian weer terug was op Winchester, zonder dat hij daar wilde zijn, was zijn vader vertrokken, met achterlating van een briefje voor zijn moeder met daarop maar één zinnetje: Ik kan er niet meer tegen.
Brian had niets afgemaakt waaraan hij na de dood van Marcus was begonnen. Hij liet alles half en incompleet: Katie en zijn moeder, geblazen glazen vazen die cilindervormig hadden moeten zijn, maar die, hoe hij er ook zijn best op deed, altijd plat en bobbelig werden. De wereld droop, smolt, stortte rondom hem in. Hij kon er niets tegen doen. Of misschien toch wel. Brian was Williams' cursus gaan zien als zijn manier om iets te redden, als een vreemd soort verlossing. Tegenover
Marcus was hij tekortgeschoten, hij was blind geweest voor de aanwijzingen van de ziekte van zijn broer, die toch vlak onder zijn neus hadden gelegen. Nadien was er niets meer in zijn leven gebeurd. Niet echt. Hij had getreurd, was naar Winchester teruggegaan, had de schijn opgehouden van een leven. Maar nu, hier, kreeg hij eindelijk iets aangereikt. Een uitdaging. De afgelopen paar nachten was de obsessie zo overweldigend geweest dat hij niet in zijn bed kon blijven liggen en had lopen ijsberen om tot bedaren te komen.
Het was lang geleden dat hij een stukje had gereden. Zijn pick-up had bijna de hele herfstperiode ongebruikt voor Davis Hall geparkeerd gestaan. Het was fijn om de raampjes open te draaien en naar de radio te luisteren. Het was fijn om alleen te zijn. Hij luisterde naar Johnny Cash, de muziek van zijn vader. Hij probeerde de jongens in Nelson Hall er warm voor te maken, maar het ging ze natuurlijk boven hun pet. Nu, in de wind die door de cabine joeg, voerde Brian het volume op. Eigenlijk wist hij niet wat hij zou doen als hij Williams' spel had opengelegd, maar daar wilde hij nu niet aan denken. Het voelde gewoon goed om onderweg te zijn, om rond te rijden. Hij reed door Montgomery Street en draaide Pride Street in. Hij reed langzaam langs het huis van professor Williams en probeerde een glimp van de man op te vangen. Er was niemand thuis, behalve de hond, die als een dolle heen en weer rende aan zijn lijn. Hij reed verder over Turner Street en nam vervolgens de H- 72 in de richting van Cale. Hij had de grens van Rowe County bereikt voor hij wist waar hij heen ging. De wind blies de cabine binnen en liet alles verdwijnen, elke gedachte die hij had. Katie. Zijn moeder. Naar huis gaan. Alles was weg, meegevoerd door de wind.
Brian kende Cale. Hij was er een paar keer geweest om bier te halen. Aangezien in Rowe County een drankverbod van kracht was, moesten de studenten de circa dertig kilometer naar Cale rijden naar een van de slijterijen op de countygrens, die door de studenten van Winchester de Grens met een hoofdletter G werd genoemd.
Cale bestond uit twee brede stroken landbouwgrond waartussen de eigenlijke stad ingeklemd lag. Brian reed op de H-72 door Cale naar de andere kant van de stadsgrens, waar hij een bord zag met BELL CITY 36. Hij moest denken aan het verhaal van rechercheur Thurman: het meisje werd gevonden in Bell City, het meisje dat op Deanna leek. Toen Brian aan dat meisje dacht, kreeg hij een idee. Hij volgde de borden naar de Cale Central High School, die niet ver van de H-72 lag. Er werd natuurlijk gewoon lesgegeven op deze maandag. De auto's op het parkeerterrein glansden, en een klas die gymnastiek had, rende rondjes op de atletiekbaan. De school was een van die oude gebouwen die sinds de jaren zestig niet veranderd waren. Het pand was als een litteken in het landschap, laag en onbevallig, alsof het als een pannenkoek was platgedrukt. Een vlag wapperde in de wind toen Brian naar de voordeur liep. Op het bord op het gazon aan de voorkant stond een grijnzende blauwe kip met grote, vooruitstekende tanden, zijn vleugel geheven in een dreigend gebaar. Op de luifel stond: WELKOM TERUG. Toen hij de school binnen liep, werd hij overspoeld door nostalgie. Cale High verschilde in niets van alle andere scholen die hij ooit vanbinnen had gezien. De in de was gezette vloer glansde, hier en daar liepen leerlingen. Het harde dreunen van een stuiterende basketbal weerkaatste tegen de muren.
In de entreehal bekeek hij de prijzenkasten. Hij was op zoek naar een gedenkteken voor het meisje dat hier jaren geleden naar school was gegaan. Terwijl hij stond te kijken naar de stoffige bekers, sommige zo oud dat de gravering zwart was uitgeslagen, zei een stem achter hem: 'Kan ik je misschien helpen?'
Toen hij zich omdraaide, stond hij tegenover een jonge vrouw, niet veel
ouder dan hij. Ze droeg een naamplaatje met MW. SUMNER.
'Ik doe onderzoek voor een college dat ik volg,' zei Brian, wat het midden hield tussen waarheid en leugen. 'En ik zocht naar iets, bijvoorbeeld iets ter nagedachtenis aan dat meisje dat vermist is geraakt.'
'Deanna Ward?' vroeg ze, alsof dat een onderdeel was van de culturele mythologie van Cale, alsof ze die naam al duizend keer eerder had genoemd. Daarin lag iets groters besloten, een volledige, onmetelijke geschiedenis op zich.
'Ja,' zei Brian.
'Dan moet je met Bethany Cavendish praten. Deanna was familie van haar. Na schooltijd kun je haar vinden in kamer 213.' Brian wachtte tot om kwart over twee de laatste bel ging en liep toen de trap op om Bethany Cavendish te zoeken. Ze was een kleine, magere, mannelijke vrouw. Hij trof haar aan in een natuurkundelokaal, waar ze proefwerken zat na te kijken. Ze droeg een shirt van de Cale Blue Hens, met hier en daar vlekken van chemicaliën, en ze had haar veiligheidsbril boven op haar korte stekeltjeskapsel geschoven. Toen Brian haar zijn hand toestak, schudde ze die krachtig.
'Deanna werkte zich nogal eens in de nesten,' zei Bethany toen ze plaats hadden genomen aan een van de tafels naast een raam. Bethany dronk koffie uit een beker met opdruk van de Daytona Motorrace 1999. 'Ik moest bijna elke week naar meneer Phillips om hem over te halen haar niet van school te sturen. Dat zou ik niet hebben gedaan als ik niet zo dol was geweest op haar moeder, Wendy. Een schat van een vrouw. Mijn nicht, weet je. Een van de weinige Cavendishes die zijn teruggekomen naar Cale. Ik had verschrikkelijk met haar te doen, omdat ze tegelijkertijd tegen Deanna en die man van haar moest opboksen.' Ze zei het kortaf, spuwde het woord bijna in Brians gezicht: man. 'Deanna verdween op I augustus. Dat is inmiddels twintig jaar geleden, in 1986. Iedereen dacht dat ze was weggelopen om te trouwen met Daniël Jones. Ze waren op een vreemde manier verliefd op elkaar. Danny was ouder en Deanna was als een blok voor hem gevallen. Echt als een blok. Ik had haar dat jaar in Scheikunde II en de hele dag deed ze niets anders dan Danny's naam op haar schriften en haar huid krabbelen. Aan het eind van de schooldag was ze net een wandelende muurschildering, een en al hartjes en verklaringen van eeuwige liefde. Het was verontrustend om te zien. Het was in wezen een obsessie.'
'Dachten ze eerst niet dat Danny er iets mee te maken had?' vroeg Brian. 'Inderdaad. Maar wij wisten allemaal wie er verantwoordelijk voor was.' 'Haar vader?' vroeg Brian.
'Ja. Star. Dat was Deanna's vader. Hij was beschuldigd van die misdaad in New Mexico. Ze dachten dat hij een man had doodgeschoten en hem vervolgens in de woestijn had gedumpt. Ze hadden waarschijnlijk gelijk, Star kennende. Hij begon als Stardust, weet je, en toen werd hij Star. Hij was gefascineerd door astronomie, telescopen en dergelijke. Hij raakte geïnteresseerd in wat we zien als we naar de hemel kijken en dat dat het begin van het heelal zou kunnen zijn.' 'De oerknal,' zei Brian.
'Hij had zelfs sterren op zijn motor laten schilderen, wat Wendy en hem heel wat heeft gekost, geld dat ze niet hadden. Hij had overal tatoeages van sterren, had de hele Melkweg op zijn rug en armen. Ze vertelde me dat die tatoeage bijna tweeduizend dollar had gekost. Ik heb hem een keer een paar instrumenten geleend, goedkope telescopen, en natuurlijk heeft hij die nooit teruggebracht. Zo was hij nu eenmaal.' 'Heeft hij die man vermoord over wie u het had? In New Mexico?' 'Ik geloof van wel. Nee, laat ik het anders zeggen: dat weet ik wel zeker. Star was zo link als een looien deur. Ik heb geen idee wat Wendy in hem zag. Waarschijnlijk had hij haar een keer meegenomen achter op zijn motor en haar alle sterrenbeelden aangewezen, en vond ze hem wel tof. Zo gaat het in Cale altijd: de meisjes, pienter en knap, worden verliefd op die nietsnutten. Dat is het erfgoed van deze stad. Er is hier niets anders te doen dan ervandoor gaan met een of andere mafkees. Ze had op Winchester moeten blijven toen ze daar was, maar ze raakte natuurlijk zwanger en heeft haar studie niet afgemaakt.' 'Studeerde ze aan Winchester?'
'Ze zou in 1986 zijn afgestudeerd, maar het liep helaas anders. Ze raakte zwanger en is naar Cale verhuisd, en de rest is...' 'Ja?' zei Brian, haar aansporend om door te gaan.
'Hoe dan ook, Star werd beschuldigd van die moord in New Mexico. Naar wat ik heb gehoord, hadden ze bijna de bewijsvoering rond, maar toen ging Deanna ervandoor. En opeens stond Cale op zijn kop en is Star eigenlijk op de achtergrond geraakt. Al heb ik hem nooit vergeten. Ik ben er altijd van overtuigd geweest dat hij dat meisje heeft vermoord en dat hij haar ergens op zijn land heeft verstopt.'
'Zijn eigen dochter,' zei Brian, meer tegen zichzelf dan tegen Bethany Cavendish. Hij dacht aan Polly's vader, aan de wilde theorie van Mary Butler. Hij vroeg zich nu af of Mary misschien toch gelijk had. 'Als ik dat tegen iemand zei,' zei de docente, 'keken ze me aan alsof ik gestoord was. Het gaat iedereen bijna boven de pet dat een vader zijn eigen dochter zou kunnen vermoorden en het lichaam verstoppen. Maar niemand kent het hele verhaal. Dit was geen normale, alledaagse man'. Hij was door en door slecht. Duivels. Volgens mij was hij tot alles in staat. Echt alles.
En toen Danny zonder Deanna terugkwam uit Cincinnati, werd het een crisis van de eerste orde. De Indianapolis Star wijdde er een voorpagina artikel aan. De sheriff werd onder druk gezet om iemand te arresteren, en dus richtten ze zich op Star. Hij had zich iets laten ontvallen toen ze hem hadden binnengebracht als verdachte in die schietpartij in New Mexico, iets over dat hij een meisje had waar hij van af wilde. Zo gingen de Creeps met meisjes om: ze gebruikten ze, mishandelden ze, spuwden op ze en dumpten ze vervolgens ergens aan de kant van de weg. Wendy was het weinig beter vergaan. Feitelijk had Star haar in de steek gelaten. Ze zat in dat oude gammele huis aan During Street, zorgde voor de twee kleintjes en treurde om Deanna.'
During Street, dacht hij. Waar Polly woonde. Opeens sloten beide verhalen op elkaar aan, en Brian wist dat hij naar de juiste plek was gekomen. Hij begon te begrijpen wat professor Williams deed: hij leidde hen naar de moordenaar van Deanna Ward door dit spel te bedenken - dit logicaraadsel - met in de hoofdrol een meisje dat Polly heette. Logica bestaat niet, bracht hij zichzelf in herinnering. Alleen willekeur. 'Op een dag ben ik bij haar langsgegaan. Ze was er kapot van. Geknakt. Een verslagen vrouw. Maar Wendy wilde Star niet verlinken. Ik heb er bij haar op aangedrongen dat ze zou zeggen dat hij het had gedaan, weet je, om er voorgoed een eind aan te maken. Maar dat weigerde ze. Ze zei dat ze dat vreselijk zou vinden. Ze zei dat Star heel wat gebreken had, maar dat hij echt niet zo slecht was als iedereen dacht.'
'Maar de politie hield hem in de gaten,' merkte Brian op. 'Ze zijn hem gevolgd naar Bell City.'
'Ja. De politie volgde Star. En ze hebben een meisje gevonden. Hij had haar ondergebracht in een caravan in Bell City. Ze zijn de caravan binnengevallen en hebben Star gearresteerd, en met het idee dat het meisje Deanna was, hebben ze haar naar Wendy gebracht. Maar het was een ander meisje. Ik heb nooit kunnen begrijpen hoe de politie zoiets stoms kon doen. Ik heb er een paar jaar geleden met een krantenverslaggever over gesproken, Nick Bourdoix. Elke ochtend ging hij ontbijten bij McDonald's en op een gegeven moment kon ik de moed opbrengen om hem aan te spreken.'
Nick Bourdoix. Brian kon zich niet herinneren waar hij die naam had gehoord, maar hij kwam hem bekend voor.
'Bourdoix zei dat er van alles aan het meisje was gedaan om haar op Deanna te laten lijken. Dezelfde haarkleur. Dezelfde kleren. Hij zei dat haar was voorgekauwd hoe ze op hun vragen moest antwoorden. Ze woonde bij haar tante en oom in Bell City, en de politie heeft het dat tweetal een poosje behoorlijk lastig gemaakt omdat ze dachten dat zij het meisje hadden bewerkt, snap je? Toen de agenten het meisje vroegen of ze Deanna was, zei ze ja. Ze hebben nooit begrepen wat het betekende. Ik ook niet.'
'Zei ze dat ze Deanna was?'
'Ik heb gehoord van wel. Ze zei dat ze Deanna was, ze leek op Deanna, en dus was het logisch dat ze dachten...' Ze zweeg opeens. Ze zette haar bril af en wreef met de rug van haar hand over haar ogen. 'Maar toch, dit kan helemaal niet. Je mag zulke fouten niet maken. Dat is gewoon onmenselijk.'
'Wat is er met Star gebeurd?' vroeg Brian.
'Ze moesten hem natuurlijk laten gaan. Ze hadden niets waarop ze hem konden pakken. Wendy en hij en de twee jongetjes zijn naar San Francisco verhuisd, waar zijn familie vandaan kwam. En Deanna is nooit gevonden. Ik heb keer op keer gezegd: "Ga eens graven in de buurt van het oude huis in During Street, bij de rivier. Ze ligt daar ergens in het veld, waar hij de onderdelen van zijn oude motoren bewaarde." Het staat voor mij vast dat ze daar ergens ligt.'
'Het huis staat er nog.' Het was geen vraag. Hij dacht aan Williams' over- headsheets van Polly's huis. Williams was daar geweest om die foto's te maken. Brian overwoog om naar het huis van Deanna Ward te rijden en het met eigen ogen te bekijken.
'Ik rij er af en toe langs met het idee om uit te stappen en een beetje rond te snuffelen. Er woont nu een echtpaar op leeftijd. Collins heten ze. Ik heb een keer aangeklopt en ze lieten me binnen. Ik heb ze niet verteld waarom ik er was en zij vroegen er niet naar. Ik denk dat ze gewoon blij waren dat ze iemand hadden om mee te praten. Ik heb ze niets verteld over de geschiedenis van het pand, over het meisje dat vermist is geraakt. Dat wisten ze waarschijnlijk. We hebben gewoon met elkaar gepraat, zoals wij nu doen, maar de hele tijd zat ik me af te vragen hoe ik naar buiten kon gaan om hun veld om te spitten.' 'Wonen ze daar nog steeds?'
'Dat weet ik niet. Het is alweer vijf jaar geleden dat ik er was. Ik denk nog steeds aan haar. En ook aan Wendy. Een paar jaar geleden ging het gerucht dat Deanna's lijk in Californië was gevonden. Maar dat was niet waar. Een verhaal dat door jongelui in de wereld was gebracht. Soms fantaseer ik - dat ze nog steeds ergens is, dat Wendy naar Cale terugkomt en het oude huis van haar moeder koopt. Hoe ze aan het geld zou moéten komen, weet ik niet. Maar ik stel me dan voor dat de moeder en het meisje daar wonen, gelukkig, het verleden begraven.'
Bethany Cavendish zweeg weer. Haar handen trilden, haar ringen tikten zacht op de tafel. Ze wendde haar blik af, keek uit het raam naar het footballveld, waar het team oefende, de spelers linies vormden, op elkaar af stormden en elkaar tegen de grond sloegen. 'Is dit voor de universiteitskrant?' vroeg ze.
Brian vertelde haar dat hij een werkstuk schreef over onopgeloste misdaden.
'Af en toe komen studenten van Winchester hiernaartoe,' zei ze. 'Ze zijn erin geïnteresseerd. Ik vermoed omdat het een onopgeloste zaak is. Ze willen overal een antwoord op, alsof er overal een antwoord op is. Jonge idealisten. Ik weet het: toen ik nog jong was, toen Wendy en ik aan Winchester studeerden, geloofde ik ook dat de wereld logisch in elkaar zat. We reden elke dinsdag- en donderdagavond in de oude Chevrolet van haar vader op en neer.' Brian probeerde zich deze vrouw op Winchester voor te stellen, wandelend over het viaduct, feestvierend op Up Campus. Hij kon het niet. 'Een van hun professoren heeft een paar jaar geleden een boek geschreven.' 'Een boek?'
'Ja, kletspraat over een waargebeurde misdaad. Maar hij heeft er waarschijnlijk goed aan verdiend. Het heette Een verdwijning in de velden. "De velden" sloeg vermoedelijk op korenvelden. Weet ik het. Hij gaf af op Cale, op hoe achterlijk we zijn. Ik vond het behoorlijk beledigend, maar iedereen raakte weer geïnteresseerd in Deanna. Hij is naar Cale High gekomen om een voordracht te houden. Een vreemde man, die leek op een verzekeringsagent.'
'Hoe heette hij?' vroeg Brian, terwijl hij dacht: acteurs. Hij had het gevoel dat zijn hart werd samengeknepen, gespannen, en werd betokkeld als een elastiekje.
'Williams, geloof ik. Leon Williams. Voor zover ik weet, geeft hij daar nog steeds les. Maar ik heb gehoord dat ze hem voor dat boek een officiële berisping hebben gegeven. Een goede presbyteriaanse school waar een professor doceert die belangstelling heeft voor de ontvoering van jonge meisjes is zeker taboe. Ik heb gehoord dat hij van plan is om een vervolg te schrijven op Een verdwijning in de velden - met nieuwe informatie of zoiets. Maar dat was een jaar of vier geleden, en dat boek is er nooit gekomen.'
Hij heeft het plan om een vervolg te schrijven, dacht Brian. Nieuwe informatie.
'Ik heb geprobeerd met hem in contact te komen. Ik heb hem een e-mail gestuurd waarin ik hem heb verteld over die strook aarde in During Street, maar ik heb nooit een reactie gekregen. Niet eens een bedankje omdat ik mijn informatie had opgestuurd.' 'Hij zal het wel druk hebben,' zei Brian spottend.
'Ja, vast. Hoe dan ook, je moet dat boek maar eens inzien. Hij wist heel wat meer over Deanna dan ik weet, dat staat vast. De details. De beelden en geluiden. Het was bijna alsof... Je denkt vast dat ik gek ben, maar het was net of die man, die professor... Het was alsof hij erbij was geweest.'