57

Alisha Rogers woonde in een appartementengebouw dat meer op een gebombardeerd gebouw midden in Bagdad leek dan op een huis vanwaar je naar het Capitool heen en weer zou kunnen forensen. Toen ze op het met afval bezaaide parkeerterrein stopten, waar de karkassen van tien auto’s stonden, keek Roy nerveus om zich heen. ‘Blijkbaar heb ik te lang in Georgetown gewoond, want we zitten nog in de auto en ik doe het nu al zowat in mijn broek.’

‘Het gaat in het leven niet alleen om rijkdom, Roy. Er is hier wel veel criminaliteit, maar de meeste mensen die hier wonen houden zich aan de wet, werken hard, betalen belasting en proberen een rustig gezinsleven te leiden.’

‘Ik weet het. Je hebt gelijk,’ zei hij schaapachtig.

‘Maar kijk wel goed uit je ogen, want één kogel is genoeg om een mooie dag te bederven.’

‘Je had bij dat rustige gezinsleven kunnen ophouden.’

Toen ze naar het gebouw liepen, kwamen ze langs mannen en vrouwen die dicht opeen op muurtjes of vervallen speeltoestellen zaten of in donkere portieken stonden. Al die mensen keken naar het tweetal dat zich naar de ingang begaf. Mace hield een pittig tempo aan, al nam ze de omgeving systematisch met haar ogen in zich op, met vooral veel aandacht voor donkere plaatsen. Het was net of ze voelsprieten uitstak om mogelijke dreigingen gewaar te worden, vond Roy.

‘Verkeren we op dit moment in levensgevaar?’ vroeg hij.

‘Daarin verkeer je elke dag zodra je wakker bent.’

‘Bedankt voor je optimisme.’

‘Wiet, crack, heroïne, Cheerio’s, speed, Oxy,’ somde Mace op terwijl ze daar liepen.

‘De wiet kan ik ruiken, maar de rest?’

Mace wees naar de grond: resten van plastic zakjes, elastieken, joints, snuifrietjes, papiertjes, kapotgedrukte medicijnflesjes, zelfs gebroken injectiespuiten. ‘Het is er allemaal, als je weet waar je naar moet zoeken. In welk appartement woont Rogers?’

‘Volgens de map in nummer 320.’

Ze liepen naar binnen. De stank van wiet, urine, vuilnis en fecaliën kwam als een sloopkogel op hen af. Met gedempte stem zei Mace: ‘Trek eens niet je neus op, Roy. Er wordt van alle kanten naar ons gekeken. Geen respectloos gedrag. Dat kunnen we ons niet permitteren.’

Ze liepen door, terwijl Roys maag in opstand dreigde te komen. Zijn neus trilde.

‘Lift of trap?’ vroeg hij.

‘Ik denk niet dat de lift het doet. En ik laat me niet graag opsluiten in kleine hokjes als ik niet weet wie er op me staat te wachten als de deuren opengaan.’

‘Waarschijnlijk is het ook riskant om de trap te nemen.’

‘Meer dan waarschijnlijk. Het ís riskant.’

Ze maakte de deur naar de trap open en duwde hem helemaal tegen de muur voor het geval daar iemand op de loer stond. Ze keek omhoog naar de volgende overloop.

‘Niemand te zien. We gaan.’

‘En als iemand ons tegenhoudt?’

‘Word je bang?’

‘Nou, al sinds we uit de auto zijn, heb ik de grootste moeite mijn onderbroek schoon te houden.’

‘Ik weet dat jij de advocaat bent, maar als iemand ons staande houdt, moet je mij het woord laten doen.’

‘Mij best.’

‘Maar één ding: kun je vechten?’

‘Met woorden of vuisten?’

‘Kijk om je heen. Dit is niet het hooggerechtshof.’

‘Ja, ik kan vechten. Mijn broer is marinier en gaf me geregeld op mijn donder, tot ik in één zomer vijftien centimeter groeide en me kon verdedigen. Toen leerde hij me de kneepjes van het vak.’

‘Mariniers zijn er goed in. Het kan van pas komen. De vorige keer dat ik hier was, droeg ik mijn insigne en kwam ik amper levend weg.’

‘Geweldig,’ mompelde Roy.

Ze kwamen op de tweede verdieping, waar hun de weg werd versperd door twee kolossale mannen in baggy spijkerbroeken volgens de gevangenismode, met de broeksband op de onderkant van hun billen, en shirts die hun gespierde armen vrijlieten, zodat je kon zien dat ze helemaal met tatoeages bedekt waren; er was geen vierkante centimeter vrijgebleven. Toen ze om hen heen probeerden te lopen, bewogen de mannen met hen mee. Ze vormden een muur die zich over de volle breedte van de smalle gang uitstrekte. Mace ging een stap achteruit en stak glimlachend haar hand in haar zak.

‘We zijn op zoek naar Alisha Rogers. Kennen jullie haar?’

De mannen keken alleen maar terug zonder antwoord te geven. Een van hen stootte met zijn schouder tegen Roy aan, zodat hij tegen de muur werd gedrukt.

Mace zei: ‘Alisha weet dat we komen. We zijn hier om haar te helpen.’

‘Ze heeft geen hulp nodig,’ zei een van de mannen. Hij was kaal en zijn nek was zo dik dat die een voortzetting van zijn gigantische borstspieren leek. Van de gang kwamen allerlei geluiden: kreten, een deur die werd dichtgegooid, iets wat als schoten klonk. Even later schetterde er muziek uit verschillende bronnen en waren de kreten en schoten niet meer te horen.

‘Dus je ként haar?’ ging Mace vriendelijk verder.

‘En als dat zo is?’

‘Er zit misschien ook geld voor haar in.’

‘Hoeveel geld?’

‘Dat hangt ervan af hoe ons gesprek verloopt. En nee, we hebben het geld niet bij ons,’ voegde Mace eraan toe, want ze zag een van de handen van de man achter zijn rug verdwijnen.

‘Waar zijn jullie van?’ vroeg de man die Kale heette.

‘Sociale dienst!’ zei een harde stem. Ze keken allemaal om en zagen een vrouw die bijna even breed als groot was naar hen toe lopen. Ze droeg een lange spijkerjurk die tot het absolute maximum was uitgerekt. Om haar hoofd zat een kleurrijke doek en haar lange tenen staken uit sandalen.

‘Ken je ze?’ vroeg Kale.

De vrouw met de hoofddoek pakte Mace’ hand vast. ‘Zeker weten. En sodemieter nou maar op! Ik moet jou vandaag niet, Jerome, en ik meen wat ik zeg.’

De mannen gingen kalm, zij het met tegenzin, opzij en de vrouw met de hoofddoek leidde Mace door de gang. Roy liep vlug achter hen aan, al keek hij nog even om naar Jerome.

‘Dank je,’ zei Mace.

‘Dat is nog zwak uitgedrukt,’ viel Roy haar bij.

‘Alisha zei dat Carmela een tijdje geleden heeft gebeld. Ze vroeg me naar jullie uit te kijken, maar ik was met wasgoed naar beneden en toen heb ik jullie niet gezien. Sorry van die klootzakken. Het is meer blaffen dan bijten, maar ze bijten wel.’

‘Hoorden we daarnet schoten?’ wilde Roy weten.

‘Zal wel een ruzietje zijn geweest. Zoals ze in het straatbasketbal zeggen: geen bloed, geen overtreding.’

‘Hoe heet je?’ vroeg Mace.

‘Zeg maar Non.’

In het geheim
titlepage.xhtml
In_het_geheim_split_0.xhtml
In_het_geheim_split_1.xhtml
In_het_geheim_split_2.xhtml
In_het_geheim_split_3.xhtml
In_het_geheim_split_4.xhtml
In_het_geheim_split_5.xhtml
In_het_geheim_split_6.xhtml
In_het_geheim_split_7.xhtml
In_het_geheim_split_8.xhtml
In_het_geheim_split_9.xhtml
In_het_geheim_split_10.xhtml
In_het_geheim_split_11.xhtml
In_het_geheim_split_12.xhtml
In_het_geheim_split_13.xhtml
In_het_geheim_split_14.xhtml
In_het_geheim_split_15.xhtml
In_het_geheim_split_16.xhtml
In_het_geheim_split_17.xhtml
In_het_geheim_split_18.xhtml
In_het_geheim_split_19.xhtml
In_het_geheim_split_20.xhtml
In_het_geheim_split_21.xhtml
In_het_geheim_split_22.xhtml
In_het_geheim_split_23.xhtml
In_het_geheim_split_24.xhtml
In_het_geheim_split_25.xhtml
In_het_geheim_split_26.xhtml
In_het_geheim_split_27.xhtml
In_het_geheim_split_28.xhtml
In_het_geheim_split_29.xhtml
In_het_geheim_split_30.xhtml
In_het_geheim_split_31.xhtml
In_het_geheim_split_32.xhtml
In_het_geheim_split_33.xhtml
In_het_geheim_split_34.xhtml
In_het_geheim_split_35.xhtml
In_het_geheim_split_36.xhtml
In_het_geheim_split_37.xhtml
In_het_geheim_split_38.xhtml
In_het_geheim_split_39.xhtml
In_het_geheim_split_40.xhtml
In_het_geheim_split_41.xhtml
In_het_geheim_split_42.xhtml
In_het_geheim_split_43.xhtml
In_het_geheim_split_44.xhtml
In_het_geheim_split_45.xhtml
In_het_geheim_split_46.xhtml
In_het_geheim_split_47.xhtml
In_het_geheim_split_48.xhtml
In_het_geheim_split_49.xhtml
In_het_geheim_split_50.xhtml
In_het_geheim_split_51.xhtml
In_het_geheim_split_52.xhtml
In_het_geheim_split_53.xhtml
In_het_geheim_split_54.xhtml
In_het_geheim_split_55.xhtml
In_het_geheim_split_56.xhtml
In_het_geheim_split_57.xhtml
In_het_geheim_split_58.xhtml
In_het_geheim_split_59.xhtml
In_het_geheim_split_60.xhtml
In_het_geheim_split_61.xhtml
In_het_geheim_split_62.xhtml
In_het_geheim_split_63.xhtml
In_het_geheim_split_64.xhtml
In_het_geheim_split_65.xhtml
In_het_geheim_split_66.xhtml
In_het_geheim_split_67.xhtml
In_het_geheim_split_68.xhtml
In_het_geheim_split_69.xhtml
In_het_geheim_split_70.xhtml
In_het_geheim_split_71.xhtml
In_het_geheim_split_72.xhtml
In_het_geheim_split_73.xhtml
In_het_geheim_split_74.xhtml
In_het_geheim_split_75.xhtml
In_het_geheim_split_76.xhtml
In_het_geheim_split_77.xhtml
In_het_geheim_split_78.xhtml
In_het_geheim_split_79.xhtml
In_het_geheim_split_80.xhtml
In_het_geheim_split_81.xhtml
In_het_geheim_split_82.xhtml
In_het_geheim_split_83.xhtml
In_het_geheim_split_84.xhtml
In_het_geheim_split_85.xhtml
In_het_geheim_split_86.xhtml
In_het_geheim_split_87.xhtml
In_het_geheim_split_88.xhtml
In_het_geheim_split_89.xhtml
In_het_geheim_split_90.xhtml
In_het_geheim_split_91.xhtml
In_het_geheim_split_92.xhtml
In_het_geheim_split_93.xhtml
In_het_geheim_split_94.xhtml
In_het_geheim_split_95.xhtml
In_het_geheim_split_96.xhtml
In_het_geheim_split_97.xhtml
In_het_geheim_split_98.xhtml
In_het_geheim_split_99.xhtml
In_het_geheim_split_100.xhtml
In_het_geheim_split_101.xhtml
In_het_geheim_split_102.xhtml
In_het_geheim_split_103.xhtml
In_het_geheim_split_104.xhtml
In_het_geheim_split_105.xhtml
In_het_geheim_split_106.xhtml
In_het_geheim_split_107.xhtml
In_het_geheim_split_108.xhtml
In_het_geheim_split_109.xhtml
In_het_geheim_split_110.xhtml
In_het_geheim_split_111.xhtml
In_het_geheim_split_112.xhtml
In_het_geheim_split_113.xhtml
In_het_geheim_split_114.xhtml
In_het_geheim_split_115.xhtml
In_het_geheim_split_116.xhtml
In_het_geheim_split_117.xhtml
In_het_geheim_split_118.xhtml
In_het_geheim_split_119.xhtml