44
De Ducati haalde de honderdvijftig op een recht stuk weg, en toen liet Mace het gaspedaal opkomen en ging ze met honderd de hoek om. De gedeukte Audi kon haar maar net volgen. Zijn linkerachterwiel gooide een rij vuilnisbakken op de trottoirrand om en katapulteerde dagen oud vuilnis in alle richtingen, terwijl Roy een verwoede strijd met het stuur leverde. Ten slotte kreeg hij de wagen weer in zijn macht en reed hij met grote snelheid achter haar aan.
Mace keek in de spiegel en zag dat de grote auto nauwelijks vertraagde om de hoek te nemen. Ze dacht koortsachtig na en zette haar waarnemingen om in conclusies. Een professionele chauffeur. Dus waarschijnlijk ook een professionele schutter op de achterbank. Ze wilde niet uitzoeken hoe goed hij was. Het derde schot zou voor Roy en haar weleens heel wat minder genadig kunnen uitpakken dan de vorige twee.
Mace kende dit deel van de stad als haar broekzak, en dat kwam haar goed van pas. Telkens wanneer ze zag dat de auto te dicht bij Roy kwam, vloog ze een zijstraat in en dwong daarmee de grotere auto een beetje achter te blijven. Op die manier kwamen ze drie straten verder, terwijl hier en daar bandieten hun zaken deden. Mace zag nergens politie.
Luie donders!
Er zat niets anders voor haar op dan erop af te gaan. Verderop was het parkeerterrein bij de kerk. Ze zag dat er nog twee politiewagens op de hangplek stonden. Ze boog zich de bocht in, reed het parkeerterrein op, vloog door de lucht doordat ze een verkeersdrempel raakte en gierde recht op de twee politiewagens af. Ze trapte hard op de rem, zodat de Ducati bijna tegen de vlakte ging, maar het achterwiel vocht tegen de druk en vrat zich aan het asfalt vast. Intussen trapte Roy ook op de rem; de Audi schroeide het wegdek met brandend rubber. Voordat Mace zelfs maar haar helm kon afzetten of Roy uit zijn auto kon springen, waren de agenten al uit hun wagens gekomen. Ze stonden in klassieke schiethouding, hun wapens gericht op Roys en Mace’ voorhoofd.
‘Handen samengevouwen op het hoofd, en op de knieën! Nu!’ riep een van hen.
Met enige paniek zag Mace dat Tony en zijn nieuweling niet tot het groepje behoorden. Blijkbaar had Tony een oproep gekregen en was hij weggegaan. Ze keek naar de vier agenten die tegenover haar stonden. Allemaal mannen, allemaal groot, allemaal met een kwaad gezicht. En ze kende niet een van hen. Ze keek even naar Roy, die een stap naar voren kwam en galant zijn lichaam tussen haar en hen probeerde te krijgen. Ze maakte een eind aan zijn galante gedrag door met haar elleboog in zijn zij te porren en hem achter zich te duwen. Ze kende de blik in de ogen van de agenten. Ze had die blik zelf ook vaak gehad. Eén seconde, één verkeerde beweging, en ze schoten hun wapens leeg op hun hoofd en hart. Zelfs beroerde schutters konden op deze afstand niet missen, en ze betwijfelde of er slechte schutters bij waren.
‘Handen samengevouwen op je hoofd, Roy,’ snauwde ze. ‘En op je knieën. Nu!’
Ze lieten zich allebei op het asfalt zakken. De agenten kwamen voorzichtig naar hen toe, hun vinger op de trekker, hun wapen op hen gericht.
‘Een paar kerels in een auto wilden ons vermoorden,’ blafte Roy.
Op dat moment merkte Mace hoe stil het was. Geen grote auto, geen stampende v-8-motor, geen geweerloop met een demper die op haar gericht was. Stilte.
‘Welke kérels?’ zei een van de agenten sceptisch.
‘In een grote zwarte auto. Hij zat achter ons aan.’
De agent keek om zich heen. ‘Ik zie helemaal niks, behalve jullie twee.’
Een ander merkte op: ‘Ik zag alleen jou en die meid op de motor keihard op ons af komen.’
‘Ik was hier een halfuur geleden,’ zei Mace. ‘Ik praatte met Tony Drake. Hij stond hier op de hangplek geparkeerd, met een ei dat Francie heette.’
‘Ben jij van de politie?’ vroeg een van hen.
‘Vroeger wel. Tony kan voor me instaan.’
De eerste agent schudde zijn hoofd. ‘We staan hier pas tien minuten. En ik ken geen Tony Drake. En geen Francie.’
Roy begon overeind te komen. ‘Zeg, dit is krankzinnig.’
‘Op de grond blijven!’ bulderde de tweede agent. Zijn pistool was recht op Roys schedel gericht.
‘Hij blijft op de grond,’ snauwde Mace. ‘Hij gaat nergens heen. Geen plotselinge bewegingen. We werken mee. We hebben geen wapens.’
‘Dat zullen we nog weleens zien,’ zei de eerste agent, die zijn pistool in de holster stak en handboeien van zijn riem nam. ‘Jullie zien eruit alsof jullie dingen bij je hebben waar ik in geïnteresseerd ben. Dus mag ik jullie voertuigen doorzoeken en jullie fouilleren?’
Roy keek naar de handboeien en zei verontwaardigd: ‘Wat stelt dit voor? We hebben niets verkeerds gedaan.’
‘Dit is een aanhouding, Roy, geen contact,’ zei Mace. ‘We moeten absoluut doen wat ze zeggen.’
De andere agent keek Mace aan. ‘Hé, ben jij zijn advocaat?’
‘Eigenlijk is het andersom.’
‘Je zei dat je van de politie was. Ken ik jou?’
Mace wilde iets zeggen, maar zag daarvan af. Deze mannen zouden deel kunnen uitmaken van de dertig procent die geloofde dat ze schuldig was.
‘Ik denk van niet.’
De eerste agent keek naar de schade aan de Audi. ‘Je bent tegen iets opgereden.’
‘Wat zou je zeggen van die grote auto en twee geweerkogels?’ snauwde Roy.
‘Ja, die grote auto,’ zei de agent sarcastisch. Hij knikte zijn collega toe, die eerst Roy en toen Mace handboeien omdeed.
‘Hebben jullie gedronken?’ vroeg de eerste agent.
‘Allemachtig!’ riep Roy uit. ‘Ze wilden ons vermoorden. We kwamen hulp zoeken bij jullie en nu worden we geïntimideerd en geboeid.’
‘Hou je kop!’ snauwde Mace.
‘Voor het geval je het nog niet doorhad: jullie zijn allebei gearresteerd,’ zei de tweede agent.
‘Wat is de aanklacht, verdomme?’ riep Roy uit.
‘Nou, om te beginnen ordeverstoring, roekeloos rijden en poging tot mishandeling van een politiefunctionaris. Ik dacht dat jullie recht op ons af zouden rijden.’
‘Dat is onzin! Kijk nou naar mijn auto. Ze schoten uit de ramen op ons. Ze wilden ons vermoorden! Of in elk geval haar. Wat hadden we dan moeten doen? Nou, wil je die verrekte boeien afdoen?’ Roy trok zijn armen uit de greep van de agent los.
‘Oké, dan komt verzet tegen arrestatie er ook nog bij. Wilde je nog meer aanklachten?’
Roy wilde iets zeggen, maar het lukte Mace hem een por in zijn zij te geven. ‘Het is al erg genoeg. Maak het nou niet erger.’
De eerste agent zei: ‘Mevrouw heeft gelijk. Nou, jullie hebben allebei het recht om te zwijgen. Jullie...’
Terwijl hij hun rechten opsomde, deed Mace haar best om niet te luisteren. Nog geen week vrij en al opgepakt. Ze had niet eens tijd gehad om met haar reclasseringsambtenaar te praten. Het was totaal en faliekant misgegaan.
Ik ga terug naar de gevangenis.