56
Het lichaam spoelde voor een tweede keer aan in Cramond, alsof het meisje beslist telkens weer naar dezelfde plek wilde terugkeren tot iemand acht op haar sloeg. De patholoog-anatoom ter plekke dacht dat ze misschien was gewurgd (‘postmortale blauwe verkleuring in de hals’), maar ze zouden op de lijkschouwing moeten wachten om iets met meer zekerheid te kunnen zeggen. De drie dagen in het water van de Forth, dat haar op de branding langs de kust had gevoerd, hadden haar geen gunst bewezen. Niet echt Ophelia die met bloemenslingers het riviertje afdreef.
Cramond lag onder de aanvliegroute voor de luchthaven van Edinburgh en Louise vroeg zich af hoe ze er vanuit de lucht uitzagen: kleine spinnetjes die doelloos heen en weer snelden of een goed geordend leger samenwerkende mieren? Van de ene agent die op de oproep had gereageerd, was het aantal mensen in de loop van een uur exponentieel toegenomen. Haar team, haar zaak. Haar eerste moord. Ze hadden Hatters auto gevonden op de parkeerplaats voor lang parkeren van het vliegveld van Edinburgh. Jackson had gelijk gehad, de kofferbak wemelde van het dna – hopelijk zouden ze materiaal vinden dat overeenkwam met hun lijk. Vroeg of laat zouden ze Graham Hatter vinden.
Ze voerden het lichaam af met een politieboot, maar de officier van justitie en de patholoog-anatoom kozen ervoor in de helikopter mee te vliegen. Louise nam samen met het lichaam de boot, als een erewacht. Ze raakte de lijkenzak van dik plastic aan.
‘Dag, Lena,’ fluisterde ze. Ze was al die tijd het meisje van Jackson geweest, nu was ze van haar. Ze draaide zijn nummer. Er waren allerlei dingen die ze graag tegen hem had gezegd, maar toen hij tenslotte opnam, zei ze alleen: ‘We hebben haar gevonden. We hebben je meisje.’