47

Daarna liepen Irina en hij zijn kakkerlakhotel in, langs de nogal angstaanjagende mannen die bij de ingang rondhingen. Een kruising tussen portiers en beveiligingspersoneel, steevast in een zwartleren jasje, steevast met een brandende sigaret. Ze deden deuren open (soms) en riepen taxi’s, maar ze leken meer op gangsters. Een van hen zei iets tegen Irina en ze wuifde hem met een afwijzend gebaar weg.

En toen waren ze op een of andere manier in zijn kamer, en zonder te weten hoe dat was gebeurd, stond hij in zijn onderbroek voor haar en zei: ‘Ruim in het vlees. Gebouwd voor gerief, niet voor snelheid.’

Daarna sprong de tijd weer naar voren en op het smalle bed zat ze schrijlings op hem, met alleen een beha en schoenen aan, terwijl ze korte, keffende geluiden maakte die hevige seksuele opwinding hadden kunnen suggereren als haar gezicht niet onbewogen was gebleven. Martin droeg vrijwel niets bij aan de gemeenschap, die hem had overvallen door de haast en doordat hij er niet op bedacht was geweest. Hij bereikte snel en rustig een climax op een manier die hem met schaamte vervulde. ‘Sorry,’ zei hij en ze haalde haar schouders op en leunde over hem heen, streek met haar mooie haar over zijn borst, een plagend en klaarblijkelijk volkomen werktuiglijk gebaar. Hij zag de donkere wortels waar het bleekmiddel was uitgegroeid.

Ze gleed van hem af. In zijn hersenen klaarde de mist van alcohol een beetje op en in plaats daarvan daalde er een misselijkmakend, dof gevoel van neerslachtigheid op hem neer toen hij keek hoe ze een sigaret opstak. Een vrouw in een vreemd land, een vrouw die je nauwelijks kende, kleedde zich niet tot op haar beha en schoenen voor je uit om je gratis als een paard te berijden. Ze mocht dan geen echte prostituee zijn, maar ze verwachtte wel geld.

Ze pakte haar kleren op en trok ze aan, de sigaret bungelend uit haar mond. Ze merkte dat hij naar haar keek en glimlachte. ‘Oké?’ zei ze. ‘Was leuk? Wil je me klein cadeautje geven voor leuke tijd?’

Hij stond op en hupte rond in een poging zijn broek weer aan te trekken. De avond had hem naar afgronden van schande gevoerd die hij tot nu toe had ontweken, zelfs in zijn verbeelding. Hij zocht in zijn zakken naar geld. Hij had het grootste deel van zijn contanten gespendeerd in het Grand Hotel en kon alleen een biljet van twintig roebel en wat muntjes vinden. Irina keek vol afkeer naar het geld terwijl hij aan haar probeerde uit te leggen dat hij naar de receptie beneden kon gaan om geld op te nemen met zijn Visacard. Ze fronste en zei: ‘Njet, geen Visa.’

‘Nee, nee,’ zei hij, ‘ik bied je geen Visa aan. Ik ga wísselen. Ik ga beneden dollars voor je halen.’ Ze schudde heftig haar hoofd. Toen wees ze naar zijn Rolex en vroeg: ‘Is goed?’ Ze wikkelde de sjaal om haar hoofd, knoopte haar jas dicht.

‘Ja,’ zei hij, ‘het is een echte, maar…’

‘Jij mij geven.’ Ze begon schril te klinken, niet bereid tot enig compromis. Het was vier uur in de ochtend (hij had geen idee hoe dat was gebeurd; toen de tijd hem de laatste keer was opgevallen was het elf uur geweest). Er zat een gepensioneerd echtpaar uit Gravesend in de kamer naast hem. Wat zouden die denken als ze wakker werden van een Russische vrouw die betaling eiste voor seks? Stel nu eens dat Irina het op een gillen zou zetten en met dingen zou gaan smijten? Het was belachelijk, het horloge was ruim tienduizend pond waard, bepaald geen eerlijke ruil. ‘Nee, ik ga geld halen,’ hield hij vol. ‘En dan zal het hotel een taxi voor je bellen.’ Hij stelde zich voor hoe een van de bedreigende mannen in zwart leer haar in een taxi zette, met een blik naar Martin, in de wetenschap dat die zojuist voor seks met haar had betaald.

Ze zei iets in het Russisch en kwam ineens naar hem toe, probeerde zijn pols te grijpen. ‘Nee,’ zei hij, terwijl hij buiten haar bereik danste. Ze haalde opnieuw naar hem uit en hij stapte opzij, maar deze keer struikelde ze en ze verloor haar evenwicht, en hoewel ze haar handen uitstak om niet te vallen, kon ze niet voorkomen dat ze met haar hoofd tegen de hoek van het bureau van goedkoop fineer sloeg dat nagenoeg een hele wand in de kleine kamer in beslag nam. Ze slaakte een kreetje, een gewonde vogel, en zweeg toen.

Ze had moeten opstaan. Ze had moeten opstaan, met haar hand tegen haar voorhoofd. Er zou een snee of een kneuzing zijn en het zou pijn doen. Hij zou waarschijnlijk de Rolex van zijn pols halen en aan haar geven ter compensatie van de pijn, om te voorkomen dat ze stampij maakte. Maar ze stond niet op. Hij hurkte neer, raakte haar schouder aan en zei aarzelend: ‘Irina? Heb je je bezeerd, is alles in orde?’ De sjaal was van haar haar gegleden. Ze lag met haar gezicht op het smerige tapijt en reageerde niet. Haar nek zag er bleek en kwetsbaar uit.

Hij probeerde haar om te draaien, zonder precies te weten of dat wel goed was bij iemand die net door een klap buiten bewustzijn was geraakt. Ze was zwaar, veel zwaarder dan hij had verwacht, en bood onhandig veel verzet, alsof ze zich had voorgenomen hem niet te helpen bij zijn manoeuvres. Het lukte hem haar om te draaien en ze viel met een klap op haar rug. Haar ogen waren wijd open, staarden in het niets. Door de schok stond zijn hart een seconde stil. Hij sprong bij haar vandaan, viel over het voeteneind van het bed, stootte zijn scheen, bezeerde zijn voet. Er welde iets in zijn borst op, een snik, een brul, hij wist niet precies hoe het eruit zou komen en was verbaasd toen het niet meer was dan een dom schril geluidje.

Er was geen duidelijke oorzaak. Een rode vlek op haar slaap, meer niet. Zo’n kans van een op een miljoen, nam hij aan: een gebroken nekwervel of een hersenbloeding. Hij had nog maandenlang van alles over verwondingen aan het hoofd gelezen.

Er was maar heel weinig voor nodig geweest. Als ze geen hakken had aangehad, als het tapijt niet gerafeld was geweest, als hij zo verstandig was geweest om te beseffen dat zo’n meisje als zij nooit en te nimmer in hem geïnteresseerd zou zijn om wie hij was. Een seconde lang zag hij dit tafereel door de ogen van anderen: de hoteldirectie, de mannen in zwart leer, de politie, de Britse consul, het stel uit Gravesend, de terminale kruidenier. Het was uitgesloten dat een van hen het zou interpreteren op een manier die gunstig voor hem was.

Paniek kwam opzetten. Paniek bonsde in zijn borst, tolde als een cycloon door zijn hoofd, een golf adrenaline die door zijn lichaam sloeg en alle gedachten op een na wegspoelde: zorg dat je haar kwijtraakt. Hij keek snel de kamer rond om te zien wat ze van zichzelf had achtergelaten. Hij zag alleen haar handtas. Die doorzocht hij haastig om zich ervan te vergewissen dat er niets in zat wat de verdenking op hem kon werpen, dat ze zijn naam en het adres van zijn hotel niet had opgeschreven. Niets, alleen een goedkope portemonnee, wat sleutels, een papieren zakdoek en een lippenstift. Een foto in een plastic portefeuille. De foto was van een baby, het geslacht onbestemd. Martin weigerde na te denken over de betekenis van een foto van een baby.

Hij rukte het raam open. Hij bevond zich op de zevende verdieping maar de ramen gingen helemaal open – om veiligheid of gezondheid bekommerde het kakkerlakhotel zich niet. Hij sleepte haar naar het raam en vervolgens, terwijl hij haar in de onhandige omarming van een slechte danser om haar middel vasthield, hees hij haar over de vensterbank heen. Hij haatte haar omdat ze net een logge marionet was, een pop van zandzakken voor bajonetoefeningen. Hij haatte haar omdat ze half in en half uit de kamer hing, alsof ze zich nergens meer druk om maakte. Een Russische pop. Het was doodstil op straat. Als ze van de zevende verdieping viel, als ze op de stoep werd gevonden, zou niemand weten of ze was gesprongen of was geduwd of domweg in dronken verwarring was gevallen. Haar bloed moest bijna voor honderd procent uit alcohol bestaan gezien de hoeveelheid die ze had gedronken. Niemand zou naar zijn raam kunnen wijzen en kunnen zeggen: ‘Daar, Martin Canning, een Britse toerist, ze is uit zijn raam gekomen.’ Beneden stond een enorme afvalcontainer, bijna vol puin. Hij wilde niet dat ze daarin zou vallen omdat het dan net zou kunnen lijken of iemand zich van haar lichaam had willen ontdoen in plaats van dat ze gewoon was gevallen.

Hij hing de riem van haar tas om haar nek en duwde vervolgens haar arm erdoorheen, zoals bij de schooltas van een kind, greep haar daarna om haar knieën vast en tilde en schoof tot ze weggleed.

Als hij op de afvalcontainer had gemikt zou hij hem hebben gemist, maar omdat hij wilde dat ze tegen de stoep sloeg, viel ze regelrecht in de container, nadat ze in de lucht was omgedraaid, zodat ze met haar gezicht naar boven en een soort krakend geluid op het hout en steen en de kapotte pleisterkalk viel. Een zwerfhond week geschrokken van zijn pad af, maar afgezien daarvan bleef de straat onbewogen. Hij deed het raam dicht.

Hij ging in de hoek van de kamer op de grond zitten, met zijn armen om zijn knieën. Zo bleef hij heel lang zitten, te uitgeput om iets te doen. Hij keek hoe de dageraad de kamer binnenkwam en dacht aan Irina’s blinde ogen die nooit meer zouden zien hoe het licht werd. Er rende een kakkerlak over zijn voet. Hij hoorde de eerste tram de straat in komen. Hij wachtte tot de bouwvakkers zouden beginnen, stelde zich voor dat ze de steigers zouden beklimmen, naar beneden zouden kijken en de vrouw als een weggegooide pop zouden zien liggen. Hij vroeg zich af of hij in zijn kamer hun kreten zou horen als ze haar ontdekten.

Hij hoorde een zware motor, een knarsende versnelling, en kroop naar het raam. De container schommelde in de lucht heen en weer, leek vanaf deze afstand op een kinderspeeltje. Op een of andere manier had hij gehoopt dat ze in de tussenliggende uren zou zijn verdwenen maar ze lag er nog steeds, gebroken en slap. De container werd met een zwaai op de achterkant van een enorme vrachtwagen gezet en kwam neer met een harde metalen dreun die door de koude lucht weergalmde. De vrachtwagen reed weg. Martin volgde zijn vorderingen, keek hoe hij langzaam over de weg reed, afsloeg naar een brug over de Neva. Aan het eind van de brug verdween de wagen uit het zicht.

Hij had een mens als afval weggegooid.

Op het vliegveld, bij de paspoortcontrole, wachtte hij tot een van de angstaanjagende beambten een hand op zijn borst zou leggen om zijn bonkende hart te voelen, hem in de ogen zou staren om zijn schuld te zien. Maar hij werd met een nors gebaar doorgestuurd. Hij had gedacht dat de vergelding snel zou komen, maar de gerechtigheid bleek traag te worden toegemeten, walste hem plat tot hij domweg niet meer bestond.

In een belastingvrij winkeltje kocht hij een magneetje voor de ijskast van zijn moeder, een kleine, geverniste, houten matroesjka. Tijdens de terugvlucht zat de kruidenier bij het echtpaar uit Gravesend; hij was in een stoel geperst die te klein voor hem was en vertelde hun dat hij weer iets had doorgestreept op zijn lijstje met wat hij nog moest doen voor hij doodging. Er werd een maaltijd geserveerd, een erbarmelijk prutje van plakkerige pasta. Martin vroeg zich af of Irina’s kraam die dag dicht zou blijven of dat iemand hem al had overgenomen. De kruidenier werd niet goed toen ze aan de landing begonnen. Er stond een ambulance op het asfalt om hem op te halen. Martin keek niet eens.

Er was een vrouw die hij herkende van het signeren eerder op de dag. Hij had geen idee waarom ze er was. Ze hield gillend The Monkey-Puzzle Tree in haar hand geklemd. Hij overwoog een grapje te maken door tegen haar te zeggen: ‘Zo erg is het nou toch ook weer niet?’ maar deed het niet. Er was een blond meisje dat iets in het Russisch naar de krankzinnige bestuurder van de Honda schreeuwde. De bestuurder van de Honda ging het blonde Russische meisje doden en toen kwam Jackson tussenbeide om haar te redden, om zich op te offeren. De bestuurder van de Honda was buiten zinnen van woede. Er was iets mis met de hersenen van zulke mensen, van mensen die honden door ramen gooiden en een pistool tegen het hoofd van hun vrouw hielden. Slechte hersenchemie. Als Nina Riley er was geweest, zou ze hebben gezegd: ‘Leg dat wapen neer, lafhartige schurk.’ Maar ze was er niet. Martin was in zijn eentje.

De tijd vertraagde. De bestuurder van de Honda hief zijn knuppel op in de vertrouwde vernietigende boog. Het Russische meisje draaide zich naar hem toe. Haar gezicht veranderde. Haar blauwe poppenogen staarden hem aan zonder te knipperen, haar kleine roze lippen zeiden: ‘Schiet hem neer, Marty.’ Dus deed hij dat.