37
Jackson draaide zich in bed om en vleide zich als een lepeltje tegen Julia’s hete lichaam. Ze sliep meestal bloot maar droeg nu een afschuwelijke pyjama die haar veel te groot was en ooit van haar zus kon zijn geweest. Jackson wist dat de pyjama van betekenis was maar hij wilde er niet echt over nadenken wat die betekenis zou kunnen zijn. Hij miste het gevoel van huid tegen huid, miste Julia’s perzikzachte rondheid. Hij paste zich aan bij de vertrouwde welvingen en bochten van haar lichaam, maar in plaats van zich naar achteren te drukken om zich tegen zijn gestalte te nestelen schoof ze bij hem vandaan, waarbij ze iets onbegrijpelijks mompelde. Julia praatte heel wat af in haar slaap, allemaal koeterwaals, maar desondanks had Jackson zich aangewend er gespannen naar te luisteren voor het geval ze soms een verborgen geheim onthulde waarvan het beter (of naar alle waarschijnlijkheid slechter) was als hij het wist.
Hij kroop weer dichter tegen haar aan en kuste haar nek, maar ze bleef hardnekkig doorslapen. Het was moeilijk om Julia wakker te maken zonder haar door elkaar te schudden. Hij had een keer met haar gevrijd terwijl ze sliep en ze had zelfs nauwelijks bewogen toen hij in haar was klaargekomen, maar dat had hij haar daarna nooit verteld omdat hij niet zeker was van haar reactie. Hij kon zich niet voorstellen dat ze bijzonder van haar stuk zou zijn gebracht (het was tenslotte Julia). Ze zou waarschijnlijk alleen hebben gezegd: ‘Zonder mij? Hoe kon je?’ Technisch gezien was het natuurlijk verkrachting. Hij had in zijn tijd genoeg kerels gearresteerd omdat ze misbruik hadden gemaakt van meisjes die dronken of high waren. Daar kwam nog bij, als hij eerlijk was, dat Julia zo’n vaste slaper was dat het geheel wel iets van necrofilie had gehad. Hij had ooit eens een necrofiel achter de tralies gezet: de man werkte in een mortuarium en zag niet in ‘wat het voor kwaad kon’, aangezien ‘de voorwerpen van mijn genegenheid alle aardse zaken achter zich hebben gelaten’.
Door de combinatie van Amelia’s pyjama en necrofilie was Jackson er aardig in geslaagd een eind te maken aan de eventuele begeerte waarmee hij wakker was geworden. Bovendien was Julia waarschijnlijk nog kwaad op hem. Jackson legde zijn oor als een stethoscoop tegen haar rug en luisterde naar haar rochelende ademhaling. Dat had hij ook eens gedaan bij een drie jaar oude Marlee toen ze bronchitis had gehad. Julia’s longen zouden uiteindelijk haar dood worden. Ze had iets wat suggereerde dat ze nooit oud zou worden. Lang voor ze haar pensioen zou gaan trekken, zou ze longemfyseem hebben en een zuurstoftank meezeulen die even groot was als zijzelf. Ze wurmde zich nog verder bij hem vandaan.
Alles was ten prooi aan entropie, zelfs seks, zelfs liefde. Hartstocht werd langzaam uitgewist. Zijn liefde voor zijn dochter duidelijk niet, dat was de enige onverbrekelijke band. Of voor zijn zus. Hij had met een zuiver hart van zijn zus gehouden, maar Niamh had ‘de aardse zaken zo ver achter zich gelaten’ dat hij de pijn en urgentie van die liefde niet meer kon voelen. Er was alleen nog treurigheid over.
Hij kwam op een elleboog overeind en bestudeerde Julia’s gezicht. Hij had het gevoel dat ze niet echt sliep, dat ze misschien toneelspeelde.
‘Laat dat,’ zei ze, draaide zich om en drukte haar gezicht in het kussen.
Toen hij weer wakker werd, lag Julia, slechts gekleed in een handdoek, op haar knieën naast hem op het bed met een blad in haar hand waarop hij koffie, roerei en toast zag staan. ‘Ontbijt!’ deelde ze vrolijk mee. Jacksons horloge stond op zeven uur. ‘Ik dacht heel even dat je Julia was,’ zei hij.
‘Ha, grappig. Ik kon niet slapen.’ Haar vochtige haar was samengetrokken in een krankzinnige paardenstaart aan de zijkant van haar hoofd en ze rook schoon, naar zeep. De zon zette haar in een natuurlijke schijnwerper, hulde haar in een diamant van licht, en hij zag de donkere kringen om haar ogen, de zweem van iets sterfelijks op haar voorhoofd. Misschien was het gewoon teleurstelling. Ze nestelde zich in kleermakerszit op het bed en las hem zijn horoscoop voor. ‘“Boogschutters hebben het op het moment niet gemakkelijk. Je hebt het gevoel dat je niet verder komt, maar wees niet bang, het eind is in zicht.” Klopt dat? Heb je het niet gemakkelijk?’ vroeg ze.
‘Niet erger dan anders.’
Hij vroeg haar niet wat haar sterren zeiden, dan zou hij een zekere geloofwaardigheid hebben verleend aan iets wat hij onzin vond. Hij vermoedde dat Julia het ook onzin vond en dat het allemaal een soort spel was.
‘Heb je het niet gemakkelijk? O nee, inderdaad, hè? Vechten op straat, hérrie schoppen, honden doden…’
‘Ik heb die hond niet gedood.’
‘In de gevangenis belanden, veroordeeld worden voor een misdaad. Nu neemt de politie je nooit meer aan, lieverdje.’
‘Ik wil niet terug naar de politie.’
‘O ja, dat wil je wel.’
Het was verbazingwekkend wat een brandoffer als ontbijt voor het humeur van een man kon doen. De eieren waren rubberachtig en de toast was verkoold, maar het lukte Jackson alles weg te werken. Hij had verwacht dat hij zou ontbijten met de koude restjes van de ruzie van de afgelopen nacht, waardoor de eieren en Julia’s algemene welwillende houding een aangename verrassing waren.
Julia nam een slokje slappe thee en toen hij haar vroeg waarom ze niets at – Julia was net als een hond dol op eten – zei ze: ‘Rare maag. Premièrezenuwen. De pers zal er zijn, dat is toch afschuwelijk? Het idee dat de voorstelling wordt gerecenseerd is angstaanjagend, bijna net zo angstaanjagend als het idee dat er géén recensie zal verschijnen. En je weet dat we vanwege het Festival geen echte toneelrecensent zullen krijgen, die hebben het te druk met Het Volgende Doorslaande Succes; we zullen een druiloor krijgen die meestal het sportkatern persklaar maakt. Hadden we nog maar een voorvertoning.’
‘Hoe is het gisteravond gegaan?’
‘Och, je weet wel.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Vreselijk.’
Jacksons hart ging naar haar uit.
‘Het spijt me dat ik sikkeneurig tegen je was,’ zei Julia.
‘Ik was ook sikkeneurig,’ zei Jackson grootmoedig. Hij dacht niet dat hij dat echt was geweest, maar enige hoffelijkheid kon geen kwaad, vooral niet omdat hij ervan uitging dat als Julia in een badhanddoek ontbijt op bed voor hem maakte dat logischerwijs moest uitlopen op seks, maar toen hij speels naar haar greep, sprong ze behendig als een kat van het bed af en zei: ‘Ik moet verder, ik heb nog zoveel te doen.’ Bij de deur van de slaapkamer draaide ze zich om en zei: ‘Ik hou van je, weet je.’ In het begin van een relatie, zo was Jackson meer dan eens opgevallen, keken mensen gelukkig als ze ‘Ik hou van je’ zeiden, maar aan het eind zeiden ze dezelfde woorden terwijl ze er treurig uitzagen. Julia zag er ronduit tragisch uit. Maar aan de andere kant was dat typisch Julia, die overdreef altijd.
Jacksons telefoon ging en hij overwoog niet op te nemen. Het geluk komt in de slaap, was dat geen uitdrukking – of was dat een tekst uit een nummer van de Cowboy Junkies? Hij nam op en moest een tijdje in zijn geheugen spitten voor de naam hem iets zei. Martin. Martin Canning, de man die de aktetas naar Terence Smith had gegooid. Een eigenaardig kereltje.
‘Hé, Martin,’ zei Jackson, die een toon van valse kameraadschappelijkheid aansloeg omdat de man klonk alsof hij enigszins van de kaart was. ‘Wat kan ik voor je doen?’
‘Ik vraag me af of ik u om een gunst zou mogen verzoeken, meneer Brodie.’
Jackson kon het woord ‘gunst’ niet meer horen zonder te denken dat er duistere implicaties in het spel waren. ‘Maar natuurlijk, Martin, ik heb vandaag verder niets te doen. En ik heet Jackson, zeg toch Jackson.’
‘Wat ga je vandaag doen?’ vroeg Julia, inmiddels volledig gekleed en al te zeer afgeleid door haar eigen dag om echt nieuwsgierig te zijn naar die van hem. Ze was make-up aan het opdoen voor een klein spiegeltje dat op de keukentafel stond. Er was een dun laagje poeder neergevallen op een uitgebalanceerde piramide sinaasappelen in een glazen ovenschaal. Jackson kon zich niet herinneren dat hij fruit had gekocht.
‘Ik heb werk,’ zei hij.
‘Werk?’
‘Ja, werk. Een man wil dat ik vandaag op hem pas.’
‘Op hem pas?’
Jackson vroeg zich af of ze alles wat hij tegen haar zei zou blijven herhalen. Hoorde de koningin dat niet te doen? Het wekte de indruk van een beleefd gesprek, het wekte de indruk dat je oprecht geïnteresseerd was in wat de ander zei zonder dat je werkelijk op een zingevend niveau met iemand in gesprek hoefde te gaan, of zelfs maar hoefde te luisteren. Om de theorie te testen zei hij tegen Julia: ‘En toen dacht ik dat ik mezelf maar moest gaan verdrinken in de Forth.’ Julia echode echter niet ‘In de Forth?’ maar draaide zich naar hem toe en staarde hem nadenkend aan, waarbij ze hem eerder zag dan dat ze naar hem keek, en zei: ‘Verdrinken?’
Jackson was zich ogenblikkelijk bewust van zijn vergissing. Julia’s oudste zus, Sylvia, had zich in bad verdronken, wat getuigde van een geweldige wilskracht die Jackson bijna bewonderde. Ze was non geweest, dus nam Jackson aan dat al die jaren van discipline voor die onverzettelijkheid in haar ziel hadden gezorgd. Zijn eigen zus was niet verdronken, ze was verkracht en gewurgd en toen in een kanaal gedumpt. Water, overal water. Dat waren de dingen die hen verbonden, Julia en hem. ‘Als een soort karmische concatenatie,’ had ze ooit overpeinsd. Hij had het woord ‘concatenatie’ opgezocht; het had katholiek geklonken maar dat was het niet. Het kwam van het Latijn catena, keten. Een keten van bewijs. Een keten idioten. Hij wenste nu dat hij een klassieke opleiding had gehad in plaats van een legeropleiding. Een goede school, een graad, de wereld waarin zijn eigen dochter opgroeide. De wereld waarin Julia was opgegroeid; maar moest je aan de andere kant eens zien wat een teringzooi dat was geweest. Hij wilde Julia vertellen van de vrouw in de Forth, van zijn eigen ervaring om bijna te verdrinken, maar ze was weer naar zichzelf toe gedraaid, deed lippenstift op, waarbij ze met professionele afstandelijkheid naar haar lippen in het spiegeltje tuurde, ermee smakte en een gezicht trok alsof ze haar spiegelbeeld zoende.
Jackson vroeg zich af wat het over een relatie zei wanneer je het ‘voorwerp van je genegenheid’ niet kon vertellen dat je als een half verzopen hond uit het water was getrokken. ‘Lucky’ was – onvermijdelijk – de naam geweest van de hond die van vreugde van de pier in Whitby was gerend. De baas van de hond, de eerste man die op die dag was verdronken, had een vrouw en een dochtertje van acht gehad, en Jackson had zich afgevraagd wat er met de hond was gebeurd. Hadden ze Lucky mee naar huis genomen?
‘Maar je bent toch wel op tijd klaar voor de voorstelling?’ zei Julia.
‘De voorstelling?’
Toen ze de deur uit liep, zei Julia: ‘O ja, nu ik er toch aan denk, mag ik je om een gunst vragen? Ik heb de geheugenkaart bij de drogist naast de flat afgegeven. Ik dacht dat je de foto’s zou kunnen ophalen als je toch niets beters te doen hebt.’
‘En als ik nu eens wel iets beters te doen heb?’
‘Is dat zo?’ zei Julia, met meer nieuwsgierigheid dan sarcasme in haar stem.
‘Wacht even,’ zei Jackson, ‘ga eens even terug – wat voor foto’s? Wat voor geheugenkaart?’
‘Die uit ons fototoestel.’
‘Maar ik ben het fototoestel kwijtgeraakt,’ zei hij. ‘Ik heb je verteld dat ik het in Cramond ben kwijtgeraakt.’
‘Dat weet ik en ik heb jóú verteld dat ik gevonden voorwerpen van de politie in Fettes heb gebeld en dat iemand het had afgegeven.’
‘Wat? Dat heb je me niet verteld.’
‘Wel waar,’ zei Julia, ‘of er moet iemand anders naast me in bed hebben gelegen die dééd of hij Jackson was.’
Wanneer had Julia tijd gehad om dingen af te geven bij de drogist, de fruitschaal te vullen, telefoontjes te plegen, met Richard Moat te lunchen? En ondertussen had ze geen seconde tijd voor hém.
‘Scott Marshall,’ vervolgde ze opgewekt, ‘die aardige jongen die mijn geliefde speelt, is naar Fettes gereden om het toestel voor me op te halen.’
‘Hebben ze het zomaar aan hem meegegeven?’ zei Jackson stomverbaasd (‘mijn geliefde’, zoals ze dat zei, zo nonchalant). ‘Zonder enig bewijs?’ Hij dacht aan de afbeelding van het dode meisje die in het toestel zat. Had iemand ernaar gekeken, de foto ontwikkeld?
‘Ik heb de eerste drie foto’s op de geheugenkaart per telefoon beschreven,’ zei Julia, ‘en daarmee waren ze kennelijk tevreden. En ik heb gezegd dat iemand die Scott Marshall heette het fototoestel zou komen ophalen. Hij heeft zijn rijbewijs laten zien. Jeminee, Jackson, moeten we alle aspecten van de politieprocedure bij verloren voorwerpen doornemen?’
‘Wat zijn de eerste drie foto’s op de geheugenkaart eigenlijk?’ vroeg Jackson.
‘Stel je me op de proef?’
‘Nee, nee, het intrigeert me. Ik heb geen idee wat erop staat.’
‘Ze zijn van jou,’ zei Julia, ‘jij staat erop, Jackson.’
‘Maar…’
‘Ik moet rennen. Sorry, lieverdje.’
Geen wonder dat identiteitsfraude zo’n snel groeiende misdaad was. De drogist was al net zo achteloos als de politie. Jackson had geen bonnetje, geen bewijs dat de foto’s van hem waren, maar ze werden prompt aan hem gegeven toen hij zei dat ‘Julia Land’ ze die ochtend had afgegeven. De drogist (een man) glimlachte veelbetekenend en zei: ‘Ja, natuurlijk’, waardoor Jackson aannam dat Julia de volle kracht van haar sinaasappel verkopende charmes op hem had botgevierd. Als je een man was, kon je tachtig zijn en een rollator hebben en dan zou Julia nog met je flirten terwijl ze je hielp oversteken – omdat ze nu eenmaal, en dat was een van de redenen waarom hij van haar hield, iemand was die oude mensen hielp oversteken, blinde mensen te hulp schoot in de supermarkt en weggelopen katten en verwonde vogels oppakte.
Ze kon het niet helpen dat ze flirtte, dat ging vanzelf, alsof het een deel van haar persoonlijkheid was. Julia flirtte nota bene met hónden. Hij had haar zien flirten met dode voorwerpen, haar een waterkoker horen vleien om hem sneller aan de kook te laten komen, een auto om hem te laten starten, vuur om vlam te vatten. ‘Och, toe nou, lieverdje, als je gewoon iets meer je best doet, moet het je lukken.’
Misschien moest hij het eerder als sociale dienstverlening dan als een bedreiging opvatten en haar naar bejaardenhuizen sturen om ouwe kerels een illusie van viriliteit te geven, om te zorgen dat ze weer voldaan over zichzelf waren. Viagra voor de geest. Oude mannen hadden iets aandoenlijks. Kerels die in oorlogen hadden gevochten, die keizerrijken hadden zien vallen, die als een koning door directiekamers en over fabrieksvloeren hadden gebeend, die de kost hadden verdiend, de belasting hadden betaald, hun beroep hadden uitgeoefend, gesprekken hadden gevoerd en nu niet eens meer zonder hulp konden pissen. Terwijl oude vrouwen, hoe frêle ze ook waren, toch nooit zo’n zielige indruk maakten. Er waren natuurlijk niet zoveel oude mannen als oude vrouwen. Droog en broos als oud aanmaakhout misschien, maar ze waren gebouwd om het lang vol te houden.
Hij nam de foto’s mee naar Toast en nestelde zich in een box. Hij voelde een zelfde emotie als bij het uitpakken van een cadeautje, dezelfde hoopvolle verwachting, dezelfde golf van opwinding, maar dan de duistere kant ervan – de antithese, dat was het dure woord ervoor, het woord dat Julia zou hebben gebruikt. De foto zou het welkome bewijs zijn dat hij zijn ervaring in de Forth niet had gehallucineerd; helaas zou het ook het onwelkome bewijs zijn dat iemand ergens dood was.
Een serveerster bracht zijn koffie en toen ze weer veilig achter het buffet stond, maakte hij het pakje met de glimmende foto’s van tien bij vijftien open. Ze waren afgedrukt in dezelfde volgorde als op de geheugenkaart: de eerste drie waren inderdaad van Jackson, genomen in de sneeuw in Frankrijk op eerste kerstdag, terwijl Julia haar nieuwe camera uitprobeerde. Hij zag er op alle drie vrijwel hetzelfde uit, in vreemde poses, en op de laatste zowaar half glimlachend na veel gevlei van Julia. ‘Och, toe nou, lieverdje, als je gewoon iets meer je best doet, moet het je lukken.’ Hij vond het vreselijk als er een foto van hem werd gemaakt.
Vervolgens waren er nog een paar van Frankrijk en daarna niets tot Venetië doordat Julia haar fototoestel per ongeluk had laten liggen toen ze na nieuwjaar was teruggegaan naar Londen. Ze had haastig gepakt, typisch Julia, en ze had nog met hem gevrijd, een afscheid op de valreep, toen ze eigenlijk al op weg naar het vliegveld had moeten zijn.
Hij draaide Louises mobiele nummer. De telefoon ging een hele tijd over.
Venetië zag er nog steeds mooi uit, hoewel de kleine Canaletto’s nu niet zozeer op simpele vakantiefoto’s leken als wel op schrijnende beelden van gelukzalige dagen, een verslag van hun gouden tijd als stel. Vlak voor de scheuren zichtbaar waren geworden. ‘Een stel? Denk je zo aan ons?’
Toen Louise Monroe hem de vorige dag ‘Jackson’ had genoemd (‘Laten we er geen doekjes om winden, Jackson, theoretisch ziet het er niet best uit’) had het net geleken of er een knop was omgezet, gewoon dat zachte gezoem van een elektrische stroom die begint te lopen. Foei, Jackson. Dat had hij nooit van zichzelf gedacht.
Ze was, laten we er niet omheen draaien, zijn type. Julia was zo absoluut niet zijn type dat ze niet op de radar stond. Louise. Dat kreeg je ervan als je overstapte naar de duistere kant. Als je slechte Jackson werd begon je andere vrouwen te begeren. ‘Kijk uit voor Vissen,’ had Julia gezegd. Was Louise Monroe een Vissen? Ze zou een nieuwe weg zijn. Niet beslist een goede weg of een betere, alleen een nieuwe.
Nadat de telefoon diverse keren was overgegaan, antwoordde een mannelijke stem (bekakt Edinburghs): ‘Huize Monroe, wat kan ik voor u doen?’ Jackson werd erdoor overvallen, hij had niet verwacht dat er een man zou opnemen, al helemaal geen pretentieus klinkende zak. Voor hij iets kon zeggen, kwam ze aan de telefoon met een snauwerig ‘Ja?’
‘Met Jackson, Jackson Brodie,’ zei hij.
Hij was bij de laatste foto van Venetië aangekomen. Het was het uitzicht vanuit hun hotelraam over de lagune, op het laatste moment genomen door Julia (‘Wacht – we zullen dit uitzicht vergeten’) voor ze voor de laatste keer met hem in de boot van het Cipriani naar het San Marcoplein was gestapt. Ze had gelijk gehad, hij zou het uitzicht zijn vergeten als het niet was vastgelegd. Maar als puntje bij paaltje kwam was het, hoe mooi ook, gewoon een uitzicht. Hij begreep wat ze bedoelde met mensen op foto’s: als zij bij het raam had gestaan, met de lagune op de achtergrond, zou het een totaal andere foto zijn geweest.
Toen kwam de foto van hem bij de One O’Clock Gun, met de Japanners, vervolgens de foto van het gebouw van het National War Memorial. Daarna kwam er nog maar één foto. Die was zwart, helemaal zwart. Niet-begrijpend bladerde Jackson de foto’s nog eens vlug door. Hetzelfde resultaat: niets. Het dode meisje was nergens te bekennen. Alleen de zwarte foto. Het deed hem denken aan dat zwarte vierkant waar Julia elke avond in staarde, de razende Arctische storm. Hij vroeg zich af of de foto van het dode meisje soms was gewist, misschien per ongeluk. Hij wist dat je iets nooit definitief kon wissen, een bestand werd niet vernietigd doordat het werd gewist maar doordat er nieuwe gegevens overheen werden geschreven. Er waren programma’s ontworpen om beelden terug te halen. Daar zou een fotowinkel geen enkele moeite mee hebben. De forensische deskundigen van de politie evenmin.
‘Wilde je iets van me?’ vroeg Louise. ‘Of belde je alleen om me te ergeren?’
‘Je bent niet echt een ochtendmens, hè?’ zei hij. Ineens besefte hij wat er was gebeurd. In zijn haast om de foto te maken – het dode lichaam, het opkomende tij enzovoort – had hij het dopje op de lens laten zitten. O shít. Hij sloeg met zijn hoofd tegen de tafel. De andere vaste klanten van Kaffe Politik keken hem geschrokken aan.
‘Hallo? Oproep voor Jackson.’
‘Niets, ik wilde niets. Je hebt gelijk. Ik belde je alleen om je te ergeren.’ Hij herinnerde zich iets wat het gekke Russische meisje de vorige avond tegen hem had gezegd en hij vroeg Louise wat ze wist van echte huizen voor echte mensen.
‘Eekhoorns eten mijn huis op,’ zei Louise Monroe onverwachts.
‘Oké,’ zei Jackson langzaam, omdat hij geen enkele andere reactie op deze verklaring kon bedenken. Hij vroeg zich af of het bijzonder grote eekhoorns waren.