1

Hij was verdwaald. Hij was niet gewend om te verdwalen. Hij was iemand die plannen maakte en ze vervolgens efficiënt uitvoerde, maar nu spande alles tegen hem samen op manieren die hij, zo concludeerde hij, niet had kunnen voorzien. Hij had twee geestdodende uren lang vastgezeten in een file op de a1 waardoor de halve ochtend al voorbij was toen hij in Edinburgh was aangekomen. Daarna was hij op drift geslagen in een systeem van eenrichtingsverkeer en was zijn weg versperd door een straat die was afgezet vanwege een gesprongen hoofdbuis van de waterleiding. Tijdens de rit naar het noorden had het gestaag en meedogenloos geregend, en dat was pas minder geworden toen hij de buitenwijken van de stad had bereikt. De regen had de mensenmassa’s volstrekt niet afgeschrikt – het was geen moment in hem opgekomen dat Edinburgh midden in ‘het Festival’ zat en dat er hordes festivalgangers zouden rondlopen alsof er zojuist officieel een eind was gekomen aan een oorlog. Hij was het Edinburgh Festival tot op dat moment het dichtst genaderd toen hij eens per ongeluk de Late Night Review had aangezet en had gezien hoe een stel klojo’s uit de middenklasse had zitten discussiëren over een pretentieus avant-gardistisch stuk van de Festival Fringe.

Ten slotte belandde hij in het smerige hart van de stad, in een straat die op een of andere manier op een lager niveau leek te liggen dan de rest van Edinburgh, een verduisterd stadsravijn. De kinderhoofdjes waren glad en vettig door de regen en hij moest voorzichtig rijden omdat het op straat krioelde van de mensen die lukraak overstaken of op een kluitje midden op de weg stonden, alsof niemand hun ooit had verteld dat de weg voor auto’s en de stoep voor voetgangers was. Er slingerde een rij door de volle lengte van de straat: mensen die stonden te wachten tot ze naar binnen mochten in iets wat eruitzag als een bomgat in de muur, maar wat op een groot bord voor de deur meldde dat het ‘Fringelocatie 164’ was.

De naam op het rijbewijs in zijn portefeuille luidde Paul Bradley. ‘Paul Bradley’ was een mooie, vergeetbare naam. Hij was inmiddels een aardig eindje verwijderd geraakt van zijn echte naam, een naam waarvan hij niet meer het gevoel had dat die ooit van hem was geweest. Als hij niet werkte gebruikte hij vaak (maar niet altijd) de naam ‘Ray’. Leuk en eenvoudig – en met een dubbele bodem doordat het ook ‘glimp’ betekende. Ray kon een glimp licht of een glimp duisternis zijn. Een glimp van de zon of een glimp van de nacht. Hij hield ervan om tussen identiteiten door te glippen, om door de kiertjes te schieten. De gehuurde Peugeot waarin hij reed leek precies goed; geen opvallende machowagen maar zo’n auto waarin een doodgewone kerel zou rijden. Een doodgewone kerel als Paul Bradley. Als iemand hem vroeg wat hij deed, wat Paul Bradley deed, zou hij zeggen: ‘Saai werk. Ik ben gewoon een bureauhengst die papieren rondschuift op een afdeling boekhouden.’

Hij probeerde te rijden en tegelijkertijd zijn stratenboek van Edinburgh te ontcijferen om erachter te komen hoe hij uit deze helse straat kon ontsnappen, toen iemand voor de auto stapte. Het was een type waar hij een gruwelijke hekel aan had: een jonge kerel met donker haar, een dikke bril met een zwart montuur, een baard van twee dagen en een peuk in zijn mond, daar had je er in Londen honderden van, die allemaal op Franse existentialisten uit de jaren zestig probeerden te lijken. Hij durfde te zweren dat ze geen van allen ooit een boek over filosofie hadden opengeslagen. Hij had ze allemaal gelezen, Plato, Kant, Hegel, had zelfs overwogen op een dag een titel te gaan halen.

Hij trapte op de rem en raakte de vent met de bril niet, liet hem alleen even schrikken, als een stierenvechter die de stier ontwijkt. De man was woedend, zwaaide met zijn peuk in het rond, schreeuwde, hief zijn middelvinger naar hem op. Geen enkele charme, verstoken van enige manieren – waren zijn ouders trots op hun prestatie? Hij verfoeide roken, een walgelijke gewoonte, verfoeide kerels die hun middelvinger naar je opstaken en riepen: ‘Draai er maar op rond!’, terwijl er speeksel uit hun smerige mond vol nicotinevlekken vloog.

Hij voelde de schok, ongeveer even hard als wanneer je in een donkere nacht een das of een vos raakt, alleen kwam de bons van achteren, werd hij erdoor naar voren geduwd. Het was maar goed dat de vent met de bril zijn kleine paso doble had uitgevoerd en uit de weg was gegaan, want anders was hij geplet. Hij keek in de achteruitkijkspiegel. Een blauwe Honda Civic, waar de bestuurder uit stapte: een grote vent, de massieve spieren van een gewichtheffer, eerder in sportschoolconditie dan in overlevingsconditie; in het oerwoud of de woestijn zou hij het in tegenstelling tot Ray nog geen drie maanden uithouden. Hij zou het nog geen dag uithouden. Hij droeg autohandschoenen, lelijke dingen van zwart leer met gaten voor de knokkels. Er zat een hond achter in zijn auto, een vlezige rottweiler, precies de hond die je bij zo’n kerel zou verwachten. De man was een wandelend cliché. De hond achterin was door het dolle heen, sproeide speeksel op het raam, krabbelde met zijn nagels aan het glas. Over de hond maakte hij zich niet al te druk. Hij wist hoe je honden moest doden.

Ray stapte uit de auto en liep naar de achterbumper om de schade te bekijken. De bestuurder van de Honda begon tegen hem te schreeuwen: ‘Verdomde stomme lul die je bent, waar was je mee bezig?’ Engels. Ray probeerde iets te bedenken om te zeggen wat niet confronterend zou zijn, wat de man zou kalmeren – je zag zo dat hij een snelkookpan was die elk moment stoom kon gaan afblazen, die stoom wilde afblazen, zoals hij daar stond te huppelen als een zwaargewicht zonder conditie. Ray nam een neutrale houding aan, trok een neutraal gezicht, maar toen hoorde hij de menigte een zacht collectief ‘aah’ van afgrijzen slaken en hij zag de honkbalknuppel die ineens uit het niets in de hand van de man was verschenen en hij dacht: shit.

Dat was het laatste dat hij gedurende diverse seconden dacht. Toen hij weer kon denken lag hij languit op straat, met zijn handen tegen de zijkant van zijn hoofd, waar de kerel hem een dreun had verkocht. Hij hoorde het geluid van brekend glas: de klootzak sloeg nu alle raampjes van zijn auto in. Hij probeerde, zonder succes, overeind te krabbelen, maar kon slechts een knielende houding bereiken, alsof hij in gebed was, en nu kwam de man op hem af, zijn honkbalknuppel opgeheven, terwijl hij het gewicht ervan in zijn hand uitprobeerde, klaar om op zijn schedel uit te halen voor een homerun. Ray stak een arm op om zich te verdedigen, waardoor hij nog duizeliger werd, en toen hij weer op de kinderhoofdjes in elkaar zakte dacht hij: jezus, is dit het dan? Hij had het opgegeven, hij had het warempel opgegeven – iets wat hij nog nooit had gedaan – toen iemand uit de menigte naar voren stapte, zwaaiend met een vierkant zwart ding dat hij naar de Hondaman gooide en dat hem een oplawaai tegen zijn schouder gaf, waardoor hij wankelde.

Hij verloor weer een paar seconden het bewustzijn en toen hij bijkwam, hurkten er een paar vrouwelijke agenten naast hem, en een van hen zei: ‘Rustig aan, meneer,’ terwijl de andere via haar portofoon een ambulance opriep. Voor het eerst van zijn leven was hij blij de politie te zien.