20
‘Ik heb gehoord dat u een hond hebt gedood. U ziet er belazerd uit. Zullen we even een kop koffie drinken?’
Louise Monroe. Louise Monroe grijnsde naar hem en wees naar de overkant van de straat, naar het Royal Museum tegenover de rechtbank.
‘Aanpappen met de vijand?’
‘Ze hebben daarbinnen een goed café,’ zei ze. Ze had zich netjes opgedoft: zwart pakje, witte bloes, hakken. De vorige dag had ze een spijkerbroek, een t-shirt en een suède jack gedragen. Hij zag haar het liefst in een spijkerbroek, maar het was een leuk pakje. Ze had mooie enkels, ‘gedraaid op een draaibank’ zou zijn broer hebben gezegd. Jackson had iets met enkels. Hij hield van alle onderdelen waaruit een vrouw was opgebouwd, maar hij had extra waardering voor een paar fraaie enkels. Het was overduidelijk de slechte Jackson die aan de enkels van Louise Monroe dacht, de boze dubbelganger die in zijn hersenen op de loer lag. Brave Jackson, slechte Jackson. Die twee schenen de laatste tijd hevig met elkaar in de clinch te liggen. Jackson wilde er liever niet aan denken wat er zou gebeuren als de slechte Jackson het won. Had dr. Jekyll gezegevierd over Mr. Hyde? Wie was de goeie en wie was de slechte? Hij had geen idee, hij had het boek nooit gelezen, alleen die Mary Reilly-film gezien, de helft in elk geval, op video – Josies keus – voor hij na een pizza op de bank in slaap was gevallen.
‘Ik heb de hond niet gedood,’ zei Jackson. ‘Hij is gewoon doodgegaan. Honden sterven ook een natuurlijke dood, wat iedereen ook mag denken. Ik neem aan dat u haar nog niet hebt gevonden? Het dode meisje?’
‘Nee, sorry.’
‘Nog niet’ zou een beter antwoord zijn geweest. Ze zei ‘sorry’ alsof het zoeken naar het dode meisje een persoonlijke gunst aan hem was geweest in plaats van een politiezaak.
Jackson zag plotseling Terence Smith de rechtbank uit komen, met een telefoon aan zijn oor. ‘Hé, jij daar,’ riep Jackson, die al achter hem aan wilde gaan. Louise Monroe greep zijn mouw en hield hem tegen met de woorden: ‘Rustig, tijger, u wilt niet meteen weer voor de rechtbank belanden.’ Terence groette door zijn middelvinger naar hem op te steken en stapte in een taxi.
‘De liegende klootzak,’ mompelde Jackson.
‘Dat zeggen ze allemaal.’
‘Dus u hebt gezegd dat u schuldig was hoewel u onschuldig was?’ peinsde Louise Monroe boven een koffie verkeerd terwijl Jackson een driedubbele espresso als medicijn achteroversloeg. ‘U moet katholiek zijn.’
‘Mijn moeder was Iers,’ zei Jackson. ‘Ze was heel gelovig. Ik was een teleurstelling voor haar.’
‘Ik ben een Schotse katholiek, dat is een dubbele vloek: dezelfde rotzooi en met lange tenen op de koop toe.’
‘En was u ook een teleurstelling voor uw moeder?’ vroeg Jackson.
‘Nee. Zij was een teleurstelling voor mij.’
‘Het leek gewoon eenvoudiger om schuld te bekennen.’
‘En dat is volkomen logisch waar u vandaan komt, meneer Brodie, in de Omgekeerde Wereld?’
Meneer Brodie. Zo had Julia hem aangesproken, in het begin, waardoor zijn voornaam suggestief en intiem was geworden, alsof hij een personage was uit een liefdesroman uit het begin van de negentiende eeuw. Nu zei ze scherp ‘Jackson’, als iemand die hem maar al te goed kende.
‘Ik dacht gewoon dat het sneller zou zijn om er geen zaak van te maken, dan hoefde ik niet terug te komen en geen advocaat te nemen en al die rompslomp meer. Ik had geen getuigen, de kerel was gewond en ik heb bij mijn arrestatie niets gezegd over mijn eigen verwondingen.’ Hij stak zijn hand uit zodat ze die kon zien, besloot in de beschaafde omgeving van het museum niet zijn overhemd op te trekken om zijn andere paarse trofeeën te tonen. ‘Mijn rechterhand,’ zei hij spijtig.
‘Hij heeft op uw hand gestampt?’ zei ze. ‘Toen u op de grond lag? En u hebt geen zelfverdediging aangevoerd? U bent een idioot.’
‘Dat heb ik meer gehoord.’
‘U bent een oud-politieman, tot nu toe een man van onbesproken gedrag, het is uw eerste vergrijp.’
‘Ik ben overgestoken naar de duistere kant.’
‘Waarom?’
‘Ik wilde weten hoe het was.’
‘En?’
‘Duister.’ Hij zuchtte en kromp in elkaar door de pijn in zijn ribben. Hij had genoeg van dit gesprek. ‘Hoe zit het met Gunsten,’ zei hij, ‘iets gevonden?’
‘Ik heb Jessica er gisteren op gezet. Ze staan niet in het telefoonboek…’
‘Wat een verrassing.’
‘Niets in het Handelsregister, geen e-mailadres, geen website en duizenden internetverwijzingen naar van alles en nog wat, variërend van honden uitlaten tot harde porno, hoewel niets daarvan Edinburgh duidelijk als standplaats heeft. De zedenpolitie heeft nog nooit gehoord van een sauna die Gunsten heet, of van zo’n lapdanceclub.’
‘Je moet de roze kaartjes zoeken – telefooncellen, toiletten, pubs, clubs.’ Jackson begon iets te voelen wat hij een tijd niet had gevoeld, wat hij even niet kon thuisbrengen, en toen besefte hij wat het was: hij werkte aan een zaak, alle opwinding om iets rond te krijgen, om verder te komen. (‘Laten we er niet omheen draaien, Jackson, je voelt je ontmand.’) ‘Is er bij de meiden op straat naar gevraagd?’
Ze zei: ‘Ik zie uw politieantennes zwaaien. Trek ze in.’
Ze had zo op haar lip gebeten dat die had gebloed, hij zag een litteken of een korstje, wat erop duidde dat het een gewoonte was. Ze maakte zo’n beheerste indruk en toch suggereerde dat hele gedoe om jezelf te laten bloeden allerlei inwendige neuroses. Hij dacht aan de slang die zijn eigen staart opat, zichzelf verslond. Hij vroeg zich af wat ze bij de rechtbank had gedaan. Dat vroeg hij niet. In plaats daarvan zei hij: ‘De man die me gisteravond heeft aangevallen, Terence Smith, ook wel bekend als de Hondaman, is gisteren betrokken geweest bij een verkeersruzie. Hij was een maniak, alle stoppen waren doorgeslagen. Volkomen mataglap.’
‘Hebt u dat gezien? Wat bent u, een soort beroepsgetuige, die rondtrekt op zoek naar plaatsen delict?’
‘Nee, ik ben vervloekt.’
Ze lachte en zei: ‘Wie heeft u vervloekt?’ en hij zei: ‘Ik geloof dat ik het zelf heb gedaan.’ Want hij was onmiskenbaar een idioot. Ze was een ander mens als ze lachte.
‘Ik zag hem met een honkbalknuppel op iemand op straat af gaan en een paar uur later haalt hij naar mij uit, bedreigt me, zegt dat ik mijn mond moet houden over wat ik heb gezien. Hij wist hoe ik héétte. Hoe kon hij dat weten?’
‘Was u de enige getuige van die verkeersruzie?’
‘Nee,’ zei Jackson, ‘er waren tientallen andere getuigen. Hij heeft me niet gezien, en hij had veel meer reden om achter de man aan te gaan die hem heeft tegengehouden, de kerel die een aktetas naar hem heeft gegooid. Misschien heeft hij hem ook een waarschuwing gegeven.’
‘Of misschien was hij een doodgewone straatrover en hebt u zich verbeeld dat hij u heeft bedreigd.’
‘Verbeeld?’ Door de manier waarop ze naar hem had geluisterd, had hij gedacht dat ze hem geloofde. Hij voelde zich ineens in de steek gelaten.
‘Kijk nou toch eens naar de feiten,’ zei ze. ‘U zegt dat u getuige bent geweest van een verkeersruzie, u beweert dat de vermeende dader van het incident u vervolgens heeft aangevallen – hoewel u voor de rechtbank hebt gezegd dat u hem hebt aangevallen; u beweerde dat u een lijk had gevonden, maar er is geen bewijs om die bewering te bevestigen. U bent miljonair maar hangt op alle verkeerde plaatsen rond op zoek naar narigheid. Laten we er geen doekjes om winden, Jackson, theoretisch ziet het er niet best uit.’
Het onverwachte gebruik van zijn voornaam verraste hem meer dan de verwijzing naar zijn persoonlijke omstandigheden, maar anderzijds zou ze zijn achtergrond natuurlijk hebben nagetrokken. Zij was hier niet de sukkel, dat was hij met zijn kneuzingen en zijn veroordeling. Hij zei: ‘Er zit bloed op je lip.’