21
Martin werd gewekt door het ochtendgezang. Hoewel zijn hersenen warrig waren van de slaap leek dat hem niet aannemelijk, meende hij op een plek te zijn waar geen vogels zongen en na een tijdje besefte hij inderdaad dat het in feite zijn mobieltje was en geen vogelgezang.
Hij zocht op de tast naar zijn bril en sloeg daardoor de telefoon op de grond. Met zijn bril op had hij nog het gevoel dat zijn ogen vol vaseline zaten. Toen hij de telefoon eindelijk had gevonden, tjilpte die niet meer. Hij tuurde naar het scherm: 1 gemiste oproep. Hij ging naar de gesprekslijst. Richard Moat. Richard vroeg zich waarschijnlijk af wat er gisteravond met hem was gebeurd, hoewel hij niet echt het type was dat zich zorgen maakte. Het was aannemelijker dat hij iets wilde lenen.
Hij legde zijn mobiel op het nachtkastje en merkte dat hij naar een vrouw keek die op een brandstapel werd verbrand. Haar mond stond open in een ovale, naar lucht happende schreeuw terwijl de vlammen van de stapels hout om haar heen oversloegen op haar lichaam. Het was een houtgravure die aan de muur hing, oud-edinburgh verklaarde een opschrift eronder. Toen het Nor’ Loch was gedempt om de Princess Street Gardens aan te leggen, was ontdekt dat het niet alleen de vergaarbak was van het afval van de stad, in vloeibare en vaste vorm, maar ook de laatste rustplaats van de heksen van de stad: van hun geknevelde skeletten, met de duimen en tenen aan elkaar gebonden als gevogelte dat zo aan het spit kon worden geregen. En dat waren de onschuldigen, de vrouwen die waren gezonken. Dat had Martin nooit begrepen, je zou denken dat onschuld een luchtige substantie was waardoor je zou blijven drijven, dat het kwaad zwaar was en je naar de bodem zou laten zinken, naar de slijmerige, stinkende modder.
Nu stond op de plek waar de heksen waren verbrand een duur restaurant en daarin dineerde de fine fleur van de Edinburghse bourgeoisie. Zo was de wereld nu eenmaal, alles ging vooruit maar het werd er niet beter op.
Martins nek deed pijn en zijn ledematen voelden aan alsof ze de hele nacht in de knoop hadden gezeten, alsof hijzelf gekneveld was geweest. Hij lag in het bed, maar hij herinnerde zich niet dat hij naast Paul Bradley was gaan liggen. Herinnerde zich niet dat hij zijn bril had afgezet en zijn schoenen had uitgetrokken. Het was een opluchting dat hij nog helemaal gekleed was. De geur van gebakken spek drong de kamer in en maakte hem misselijk. Hij tuurde naar de digitale klok op de radio naast het bed: twaalf uur; hij kon niet geloven dat hij zo lang had geslapen. Paul Bradley was nergens te bekennen: geen weekendtas, geen jack, niets, alsof de man nooit had bestaan. Hij herinnerde zich het pistool en zijn hart maakte een kleine buiteling. Hij had de nacht doorgebracht in een hotelkamer (in hetzelfde bed!) met een volslagen vreemde en een pistool. Met een huurmoordenaar.
Hij strekte zijn lichaam behoedzaam en liet zijn benen op de grond zakken. Kramp in zijn onderrug hield hem tegen en hij moest wachten tot die was weggetrokken voor hij kon opstaan en op gelatinebenen naar de badkamer kon wankelen. De binnenkant van zijn mond voelde aan als karton en zijn hoofd leek enorm groot, te zwaar voor de stengel van zijn nek. Hij had het gevoel dat hij onder narcose was geweest en gedurende een moment van paranoia schoot zijn hartslag omhoog terwijl hij zich afvroeg of Paul Bradley soms deel uitmaakte van een complexe zwendel om organen te verzamelen van onschuldige omstanders. Of was het koolmonoxidevergiftiging? Het eerste stadium van de beruchte zomergriep of het slot van een Irn-Bru-kater?
Hij leste zijn gigantische dorst met chemisch smakend water uit de kraan en inspecteerde zijn lichaam in de badkamerspiegel, maar hij kon geen zichtbare operatielittekens vinden. Rohypnol? Verkrachting na een afspraakje? (Dat zou hij toch zeker weten?) Er was iets met hem gebeurd, maar hij had geen idee wat. Had hij drugs gekregen die zijn geest veranderden, waardoor hij gek aan het worden was? Maar waarom zou iemand dat willen doen? Of het moesten de goden zijn die hem nu gingen vernietigen. Ze hadden hun tijd afgewacht, er was ruim een jaar verstreken sinds Rusland, sinds het ‘incident’.
Op de laatste dag had hun gids, Mariya, hen losgelaten op een markt ergens achter de Nevsky Prospekt, waar de ene kraam na de andere zijn toeristische waar had uitgestald: in elkaar passende Russische poppen, lakdozen, geschilderde eieren, communistische souvenirs en bontmutsen met insignes van het Rode Leger. Maar er waren voornamelijk poppen, duizenden poppen, het ene legioen matroesjka’s na het andere, niet alleen de poppen die je zag, maar ook de poppen die je niet zag: poppen in poppen, eindeloze kopieën die steeds kleiner werden, als een reeks spiegels waar geen eind aan kwam. Martin stelde zich voor dat hij zo’n verhaal zou schrijven, een Borgesachtige constructie waarin elk verhaal de kern bevatte van het volgende, enzovoort. Duidelijk geen Nina Riley – zij kon alleen een lineaire verhaallijn aan – maar eerder iets met een intellectueel prestige (iets goeds).
Martin had nooit echt enige aandacht aan matroesjka’s besteed, maar in Sint-Petersburg leken hun gelederen alomtegenwoordig en niet te vermijden. Zijn medereizigers, die van de ene op de andere dag connaisseurs van de Russische volkskunst waren geworden, kletsten er doorlopend over wat voor soort ze zouden kopen om mee naar huis te nemen. Ze speculeerden erover hoeveel pop ze voor hun roebels zouden krijgen en ze waren algemeen van mening dat de Russen eropuit waren hun het vel over de oren te halen, maar ze zouden er alles aan doen om op hun beurt de Russen het vel over de oren te halen. ‘Ze hebben het kapitalisme omarmd,’ zei een man, ‘dus kunnen ze de vervloekte gevolgen aanvaarden.’ Martin wist niet of ‘vervloekte’ was gebruikt als krachtterm of louter als beschrijvend bijvoeglijk naamwoord. Het was Martin al eerder opgevallen dat zulke reizen geneigd waren heel wat xenofobie op te wekken, waardoor de toeristen, kleine Britten die een blijvend achterhoedegevecht leverden, tijdens het genieten van de ‘Wonderen van Praag’ of van ‘Mooi Bordeaux’ de bewoners van die streken als vijandig schoelje beschouwden.
De winkel in de hal van hun van kakkerlakken vergeven hotel – warm, fel verlicht, de wanden weerspiegelend van glas – verkocht poppen waar kaartjes aan hingen met uit de pan gerezen prijzen. Niemand kocht ooit iets in de winkel en Martin besteedde er op een avond een uurtje aan om wat rond te snuffelen onder de teleurgestelde blik van de vrouw die er de leiding had (‘Ik kijk alleen maar,’ had hij verontschuldigend gemompeld), terwijl hij de poppen bestudeerde, de waarde ervan schatte en ze vergeleek ter voorbereiding op de werkelijkheid van een rauwe detailtransactie in de straten van Sint-Petersburg. Er waren grote en kleine poppen, lange en gedrongen poppen, maar de gezichten waren kennelijk altijd hetzelfde: een klein, roze pruilmondje en grote blauwe ogen, met oogleden die waren opengesperd zoals de permanent starende blik vol afgrijzen van een sekspop.
Er waren ook poppen in de vorm van katten, honden, kikkers, Amerikaanse presidenten en Sovjetleiders, er waren sets van vijf poppen en van vijftig poppen, er waren kosmonauten en clowns, er waren grof vervaardigde poppen en poppen die subliem waren beschilderd door echte kunstenaars. Toen Martin de hotelwinkel eindelijk verliet, duizelde het hem, zag hij nog de eindeloze tollende weerspiegelingen van poppengezichtjes voor zijn geestesoog, en eenmaal in zijn smalle, ongerieflijke bed droomde hij dat hij in de gaten werd gehouden door een reusachtig vrijmetselaarsoog in de lucht dat veranderde in het oog dat onder in de po van zijn oma was geschilderd met het wellustige opschrift: ‘Ik vertel nooit wat ik zie’. Hij werd badend in het zweet wakker, had in geen jaren aan zijn oma gedacht – laat staan aan haar po. Ze was geboren in een Victoriaanse eeuw en had die nooit echt verlaten. Haar gehuurde arbeidersflatje in Fountainbridge was een donker en onheilspellend oord geweest, gestoffeerd met chenille en bedompt fluweel. Ze was heel lang geleden overleden en het verbaasde Martin dat hij zich überhaupt iets van haar herinnerde.
‘Ga zo’n pop mee naar huis nemen voor mijn achternichtje,’ zei de terminale kruidenier toen ze de rijen kramen in ogenschouw namen. Het begon weer te sneeuwen, grote natte vlokken vroege sneeuw die smolten zodra ze in contact kwamen met het asfalt of de huid. Het had de vorige dag ook gesneeuwd en nu bestonden de straten uit een weerzinwekkende grijze sneeuwbrij. Door een soort waterkou was de lucht een vijandig element en de kruidenier besloot een bontmuts met oorkleppen te kopen en pingelde met de man in de kraam over de prijs. Martin vroeg zich af wat het voor zin had om af te dingen als je al met een been in het graf stond. Hij begon zich af te vragen of de kruidenier echt ten dode was opgeschreven of dat hij dat alleen beweerde om aandacht te krijgen.
Het lukte Martin hem te ontglippen toen de man zich had vastgebeten in de onderhandelingen over zijn muts. De man bedierf de ‘Magie van Rusland’ voor Martin, want hij had Martin diezelfde ochtend op de voet gevolgd door de Hermitage, voortdurend klagend over de excessen van de inrichting (daar ging het toch zeker om) en zich afvragend wat voor ‘gods-gruwelijk varkensvoer’ ze die avond voorgezet zouden krijgen. Zelfs de Rembrandts wisten hem niet tot zwijgen te brengen: ‘Een ellendige ouwe knakker, hè?’ zei hij bij het beschouwen van een zelfportret van de kunstenaar. Martin wist dat het slechts een tijdelijk respijt kon zijn; zodra de kruidenier zijn nieuwe muts op zijn hoofd had, zou hij hem ongetwijfeld weer opsporen te midden van de kraampjes met souvenirs om de rest van de middag te klagen dat hij was uitgekleed door de verkoper van de muts, een broodmagere man die eruitzag alsof hij de kruidenier zou verslaan in de wedloop wie het eerst in het hiernamaals was.
Martin was van plan een set poppen voor zijn moeder te kopen. Hij wist dat de poppen, afgestoft maar verwaarloosd, op een plank tussen haar andere goedkope prullen zouden worden gezet, tussen de porseleinen ‘beeldjes’, de poppen in klederdracht, de geborduurde schilderijtjes. Niets wat hij voor haar meebracht verschafte haar enige vreugde, maar als hij niets voor haar kocht, klaagde ze dat hij nooit aan haar dacht (haar logica was onvermoeibaar). Als iemand Martin een stuk steen in een papiertje zou geven, zou hij dankbaar zijn omdat die persoon de moeite had genomen de steen te zoeken en in een papiertje te pakken, alleen voor hem.
Hij zou iets alledaags voor haar kopen, besloot hij, omdat ze niets beters verdiende dan iets alledaags – een boerensetje, schorten en sjaals, hij had er een in zijn hand, voelde de gladheid, de vorm van het vruchtbaarheidssymbool, en dacht aan zijn moeder toen het meisje van de kraam zei: ‘Is heel leuk.’
‘Ja,’ zei hij. Hij vond de pop helemaal niet leuk. Hij probeerde niet naar het meisje te kijken, want ze was heel knap. Ze droeg wollen handschoenen zonder vingers en had een sjaal om haar blonde haar gewikkeld. Ze kwam achter de kraam vandaan en begon verschillende poppen op te pakken, maakte ze open, kraakte ze als eieren en stalde ze uit. ‘Deze mooi, deze ook. Deze pop hier speciaal, heel goede kunstenaar. Taferelen uit Poesjkin, Poesjkin beroemde Russische schrijver. Jij hem kennen?’ Haar verkooptechniek was niet opdringerig waardoor het onhoffelijk zou hebben geleken als hij zich ertegen had verzet, en uiteindelijk, na wellicht een langere beschouwing dan de taak of de poppen verdienden, kocht hij een dure set van vijftien poppen. Het waren fraaie dingen, hun dikke buik beschilderd met ‘wintertaferelen’ uit Poesjkin. Kunstwerken in feite, te mooi voor zijn moeder, en hij besloot dat hij de poppen zelf zou houden. ‘Heel mooi,’ zei hij tegen het meisje. ‘Geen dollars?’ informeerde ze treurig toen hij zijn handen vol roebels overhandigde.
Ze droeg enkellaarsje met een hoge hak en een ouderwetse, degelijke jas. Alle meisjes in Sint-Petersburg droegen laarzen met hoge hakken, zochten zich handig een weg door de ijzige sneeuwbrij terwijl Martin doorlopend als een slapstickfiguur glibberde en weggleed.
‘Jij koffie willen?’ vroeg ze onverwachts en ze bracht hem door de vraag in verwarring. Hij dacht dat ze ergens een kan vandaan zou halen, maar ze riep iets schels naar de man die in de kraam ernaast oude insignes van het Rode Leger verkocht en hij riep iets even schels terug en vervolgens pakte ze haar handtas en vertrok, zwaaiend met haar tas en wenkend naar Martin alsof hij een kind was.
Ze dronken geen koffie. Ze namen een kom borsjtsj, gevolgd door warme chocolademelk, dik en zoet, geserveerd in een hoge mok, samen met een soort puddingbroodje. Het meisje bestelde alles en wilde hem niet laten betalen, maakte een handgebaar naar de dunne plastic zak met zijn in krantenpapier gewikkelde poppen, die nu knus in elkaar zaten, waardoor hij zich afvroeg of dit zijn beloning was omdat hij voor zijn aankoop veel meer had neergeteld dan gangbaar was. Misschien was dit de manier waarop er in Rusland zaken werden gedaan: als je iemand genoeg geld gaf om een week van te leven, nam ze je misschien mee naar een warm, dampig café om haar sigarettenrook over je heen te blazen. Tijdens een vakantie op Kreta (‘Ontdek de antieke wonderen van’) had hij gemerkt dat de winkeliers hem telkens wanneer hij wat in een zaak kocht beslist iets gratis wilden geven, alsof ze de harde kantjes van het kapitalisme wilden verzachten. Die geschenken hadden meestal de vorm van een gehaakt kleedje, waardoor Martin er een hele stapel van in zijn koffer had toen hij eenmaal naar huis ging. Hij had ze aan een winkel van Oxfam gegeven.
‘Irina,’ zei ze, waarop ze haar hand uitstak en de zijne schudde. Toen ze haar sjaal afdeed, viel haar haar op haar mg.
‘Martin,’ zei Martin.
‘Marty,’ zei ze met een glimlach naar hem. Hij verbeterde de vergissing niet. Niemand had hem ooit Marty genoemd. Het beviel hem dat ‘Marty’ gezelliger in de omgang leek dan hij naar hij wist zelf was.
Hij probeerde aan Irina uit te leggen dat hij schrijver was, maar hij had geen idee of ze hem begreep. ‘Dostojevski,’ zei hij, ‘Poesjkin.’
‘Idyot!’ riep ze uit, haar knappe poppengezichtje ineens levendig. ‘Hier is idyot.’ Later besefte hij pas dat het café waarin ze zaten de Idioot heette.
Hij wilde haar een beetje imponeren met zijn succes. Hij praatte nooit met iemand over zijn fortuinlijkheid in professioneel opzicht. Melanie, zijn agent, vond dat het nooit goed genoeg was en dat hij het beter kon doen; de paar vrienden die hij had waren absoluut niet geslaagd in het leven en hij wilde tegenover hen niet de indruk wekken dat hij zat op te scheppen; het liet zijn moeder koud en zijn broer was jaloers, dus had hij gevonden dat hij zijn kleine triomfen het best voor zich kon houden. Maar hij wilde Irina graag laten weten dat hij in zijn geboorteland iemand van enige importantie was (‘Zijn verkoopcijfers nemen met elk boek toe’). Ze glimlachte slechts en likte de gebakskruimels van haar vingers. ‘Ja ja,’ zei ze.
Toen ze haar eten ophad stond ze plotseling op en zei zonder op haar horloge te kijken: ‘Ik ga.’ Ze dronk haar mok leeg terwijl ze zich met een schouderbeweging in haar jas werkte, het gebaar had iets gretigs wat Martin bewonderde.
‘Vanavond?’ zei ze, alsof ze al een afspraak hadden gemaakt. ‘Kaviaarbar in Grand Hotel, zeven uur. Oké, Marty?’
‘Ja, oké,’ zei Martin haastig, omdat ze al op de deur afvloog en zonder om te kijken haar hand groetend opstak.
Toen hij het café verliet, merkte hij dat het hard sneeuwde. Het leek heel romantisch: de sneeuw, het meisje met haar blonde haar in een sjaal, net als Julie Christie in Doctor Zhivago.
In de badkamer van de Four Clans staarde hij in de licht door vocht aangetaste spiegel naar zijn spiegelbeeld. Was hij soms zo misselijk omdat hij verging van de honger? Hij kon zich niet herinneren wanneer hij voor het laatst echt had gegeten. Er voer een huivering door zijn lichaam en even later lag hij op zijn knieën, hield zich vast aan de toiletpot en gaf heftig over. Hij trok de wc door en starend in de draaikolk van braaksel dat rondwervelde met een akelige blauwe chemische stof die in de stortbak moest hebben gezeten, werd hij overvallen door een onverwachte gedachte: Beroofd? Natuurlijk!
Hij liep haastig de badkamer uit en zocht naar zijn portefeuille in de zak van zijn jack. Verdwenen. Hij zuchtte diep bij de gedachte aan alle vervelende telefoontjes die hij moest plegen met zijn bank en de creditcardbedrijven. In zijn portefeuille hadden eveneens zijn rijbewijs en ongeveer honderd pond contant geld gezeten, en toen – een nachtmerrie – herinnerde hij zich de kleine lila Sonygeheugenstick, die plastic strip met Death on the Black Isle. Verdwenen. Er sloeg een koude golf van paniek door zijn lichaam, gevolgd door een warme van opluchting: de roman was opgeslagen op een cd op zijn ‘kantoor’. Martin had Paul Bradley het leven gered en in ruil had Paul Bradley hem bestolen. Martin voelde zich zo gekwetst door dit verraad dat hij zowaar tranen in zijn ogen voelde prikken.
De bedompte sfeer van spek en Schotse ruiten van de receptie deed denken aan een verlatenheid à la de Marie-Celeste. Hij gebruikte de koperen bel en na een hele tijd verscheen er een jonge jongen in het uniform van iemand van het keukenpersoneel. Ongelooflijk traag liet hij zijn vinger langs het register glijden en bevestigde dat Paul Bradley al had uitgecheckt.
‘Niets te betalen,’ zei hij, terwijl hij zijn neus afveegde met de achterkant van zijn hand. ‘U bent vrij om te vertrekken,’ zei hij alsof hij Martin uit de gevangenis liet.
Martin zei niet tegen de jongen dat hij was beroofd, het leek hem niet iemand die dat wat zou kunnen schelen. En waarom zou hij ook? Martin had onwillekeurig het gevoel dat hij op een of andere manier zijn verdiende loon had gekregen.