14

Gloria keek of alle deuren en ramen dicht waren, schakelde het inbrekersalarm in en ging vervolgens naar de kelder om de beveiligingscamera’s te controleren.

Alles rustig in de tuin, met uitzondering van een moervos die kwiek over het gazon trippelde. Gloria zette ’s avonds meestal eten buiten voor de vossen. In het begin had ze alleen restjes gegeven, maar tegenwoordig kocht ze vaak speciaal eten voor de dieren: pakken varkensworstjes, een sudderlapje. Voor de egel (er zou er meer dan één kunnen zijn, maar hoe kwam je daar achter?) zette ze kattenvoer en brood en melk neer. Dat aten de vossen natuurlijk ook op. Soms dartelden er konijnen op het gazon (die aten de vossen ook) en Gloria had talloze katten uit de buurt gezien, evenals de schichtige knaagdiertjes die alleen ’s nachts tevoorschijn komen. De vossen hielden vooral van de schichtige knaagdiertjes. In de kelder was het soms net of ze naar een natuurfilm op de televisie keek.

De nachtzichtcamera’s lieten alles zien in vreemde groene en grijze tinten, waardoor het een totaal andere tuin leek, een schimmig oord dat door spookachtige ogen werd bekeken. Er bewoog iets in de chaos van bladeren van de grote rododendronstruiken langs de oprijlaan. Er glinsterde iets, diamanten gezet in git. Ogen. Gloria probeerde een dier te bedenken dat zo groot kon zijn. Een beer? Een paard? Allebei niet aannemelijk. Ze knipperde met haar ogen en het was verdwenen. Een nachtdier.

Ondanks al hun technologie konden de camera’s niet naar buiten gaan om tussen de bladeren rond te snuffelen, konden ze niet huilen en blaffen naar een indringer. Als Graham doodging, zou Gloria als eerste naar het hondenasiel in Seafield gaan om zo’n stropershond met zachte ogen of een springerige kleine terriër mee naar huis te nemen. Graham hield niet van dieren, er was nooit een huisdier binnen geweest omdat hij erg allergisch beweerde te zijn voor haren en veren. Gloria was nooit getuige geweest van enig zichtbaar symptoom van deze of enige andere allergie in Graham. Op een keer had ze wat haren van een buurkat genomen – het arme dier had een soort ziekelijke haaruitval waardoor je het alleen maar hoefde te aaien om een handvol van zijn vacht mee te nemen – en ze had de haren onder Grahams kussen gelegd en was de halve nacht wakker gebleven om hem in de gaten te houden en te zien wat er gebeurde, maar hij was ’s morgens niet anders wakker geworden dan normaal, had wel zin gehad ‘in wat gepocheerde eieren’. Gloria vermoedde dat haar kinderen aardiger zouden zijn geworden als ze met een hond waren opgegroeid.

Ze dacht aan Graham die in het voorgeborchte van de intensive care verbleef, een schemerig niemandsland tussen leven en dood, waar hij wachtte tot de Grote Architect in de hemel zijn plannen openbaarde. Gloria hield het geheim van deze gebeurtenis voor zichzelf, bereidde zich voor op de gevolgen ervan. Ze had Ewan en Emily niet gebeld om te vertellen dat hun vader aan de rand van zijn graf stond, waar hij draalde om te kijken of het echt voor hem bestemd was. Ze had het in feite aan niemand verteld. Ze wist dat ze het aan anderen hoorde te vertellen, maar daar kon ze zich op een of andere manier niet toe zetten. De mensen zouden er allemaal zo’n drama van maken en Gloria had het idee dat het iets was wat veel beter ging als je er geen drukte om maakte. En bovendien moest er nog het nodige gebeuren voor hij stierf, voor de mensen het wisten. Daarom zou ze hem daar in zijn ziekenhuisbed laten liggen, verborgen in het volle zicht, terwijl zij verderging met haar voorbereidingen op het weduweschap. Ze was overvallen door zijn onverwachte duikeling naar de sterfelijkheid. Graham verraste haar niet vaak op die manier.

Gloria stapte in bed met een mok ovomaltine, een schaal haverkoekjes met wensleydalekaas en een dik boek van Maeve Binchy. Ze at altijd wensleydale, nooit lancashire, was in hart en nieren trouw aan het graafschap. Die loyaliteit kwam eveneens tot uiting in het feit dat ze naar Emmerdale in plaats van Coronation Street keek, domweg omdat Emmerdale in Yorkshire speelde, al was het weliswaar geen deel van Yorkshire dat ze herkende.

Wat leek de echtelijke sponde ineens een enorm grote en heerlijke plek. Ze had alle lakens al gewassen, het matras gekeerd en laten luchten, en Grahams dode huid uit de kussens gezogen. Zodra ze zich lekker had geïnstalleerd – ze had het kunnen weten – hoorde ze de telefoon geduldig gaan. Gloria, die vond dat Alexander Graham Bell heel wat had te verantwoorden, had nooit een telefoon naast het bed willen laten installeren. Daar zag ze de noodzaak niet van in, want als ze in bed lag, wilde ze slapen, niet praten. Grahams mobieltje was als een hulpstuk aan zijn oor bevestigd zodat hij geen telefoon in de slaapkamer nodig had en naast het bed was een alarmknop ‘voor noodgevallen’, hoewel Gloria er liever niet aan dacht wat voor noodgevallen zich in de slaapkamer konden voordoen waardoor ze een alarmknop zou moeten indrukken. Graham die met haar wilde vrijen misschien. Ze stapte onwillig uit bed en ging naar beneden. Het zou het beste zijn, nam ze aan, om eventuele vragen naar de kritieke toestand voor te zijn.

De identiteit van de beller werd gemeld als ‘Pam’. Gloria zuchtte en pakte de hoorn van de haak, maar het was Pam niet, het was haar man, Murdo. ‘Gloria! Sorry dat ik je zo laat nog lastigval, maar ik probeer Graham op zijn mobiel te pakken te krijgen.’ Ze hoorde dat hij zijn best deed om beminnelijk te klinken, maar Murdo was geen beminnelijke man en door de inspanning om te doen alsof leek het of hij enigszins buiten zinnen was. ‘We hadden vanmiddag een afspraak maar hij is niet komen opdagen. Is hij bij je? Ligt hij in bed?’

‘Nee, hij is in Thurso.’

Door dat woord leek Murdo helemaal hysterisch van verwarring te worden. ‘In Thurso? Je maakt een grapje. Hoe bedoel je, in Thurso? Wat doet hij verdomme in Thurso, Gloria?’

Waarom had ze Thurso gekozen? Misschien omdat het rijmde op Murdo. Of misschien omdat het de verste plaats was die ze kon bedenken. ‘Hij is daar een nieuwe wijk aan het bouwen.’

‘Sinds wanneer?’

‘Sinds nu.’

‘Dat verklaart niet waarom hij zijn telefoon niet opneemt.’

‘Die is hij vergeten,’ zei Gloria vastberaden.

‘Is Gráham zijn telefóón vergeten?’

‘Ik weet dat het nauwelijks te geloven is, maar het is niet anders. Er vinden doorlopend wonderbaarlijke gebeurtenissen plaats.’ (Dat was waar, dat was echt zo.)

Murdo maakte een opgewonden geluid, een uitgebalanceerde mix van frustratie en paniek. Gelukkig begon Grahams mobieltje op dat moment ergens verder weg in de diepten van het huis te bellen, herkenbaar aan de irritante beltoon van ‘De rit van de Walkuren’. Gloria volgde het deuntje van Wagner door het huis als een rat die achter de rattenvanger van Hamelen aan liep, tot ze ten slotte in de bijkeuken arriveerde, bij de plastic zak met Grahams eigendommen die ze uit het ziekenhuis mee naar huis had genomen. Hij zou heel kwaad zijn als hij wist dat zijn zomerse maatpak van lichte wol en zijn met de hand gemaakte schoenen in een vuilniszak van een ziekenhuis waren gepropt.

Toen ze haar hand in de zak stak, diepte ze het telefoontje ten slotte op uit de binnenzak van Grahams colbert en ze hield het op zodat Murdo het kon horen overgaan.

‘Hoor je dat?’ zei ze. ‘“De rit van de Walkuren”. Ik heb je toch gezegd dat hij het was vergeten.’ Murdo maakte een soort snuivend geluid en hing op. ‘Die zullen we niet missen,’ zei Gloria. Sommige mensen hadden geen manieren.

Ze nam Grahams mobieltje op en hoorde een dringende stem zeggen: ‘Ik ben het, Graham, Maggie. Waar zit je? Ik probeer je al de hele middag te bellen.’

‘Maggie Louden,’ mompelde Gloria bij zichzelf, terwijl ze haar in gedachten voor zich probeerde te zien. Maggie werkte nog niet zo lang op Grahams verkoopafdeling, een vrouw van eind veertig met een mager gezicht en een helm van zwart geverfd haar dat als het schild van een kever met lak aan haar hoofd was geplakt. Gloria had haar voor het laatst gezien met Kerstmis. Eens per jaar werd iedereen, van rechters en hoofdcommissarissen tot dakdekkers en leveranciers van bakstenen, evenals de meer bevoorrechte leden van het kantoorpersoneel van Hatter Homes, uitgenodigd om in huize Hatter in de Grange champagne te komen drinken en appelpasteitjes te komen eten. Ze herinnerde zich dat Maggie op haar slecht passende hoge hakken van Kurt Geiger als een kakkerlak over de tegels in de hal had geklepperd. Gloria kon zich niet herinneren dat er ooit eerder iemand van de afdeling verkoop was uitgenodigd voor hun kerstparty.

Gloria wilde net antwoorden door te zeggen: ‘Hallo, Maggie, je spreekt met Gloria,’ toen Maggie zei: ‘Graham, lieveling, ben je daar?’

Líéveling? Gloria fronste haar voorhoofd. Ze herinnerde zich dat Graham voor de kerstboom had gestaan, met Maggie Louden, Murdo Miller en sheriff Crichton, zijn ene hand om een glas moutwhisky, de andere schaamteloos op Maggies rug, op de hoogwaterlijn waar de zwarte crêpe van haar cocktailjurk de witte crêpe van haar huid raakte. Een van de serveersters die voor de avond in dienst waren genomen, had hun een schaal appelpasteitjes voorgehouden en Graham had er twee genomen, was erin geslaagd ze allebei tegelijk in zijn mond te stoppen. Maggie Louden had ze weggewuifd alsof ze radioactief waren. Gloria stond altijd argwanend tegenover mensen die niets van suiker moesten hebben, dat was een karakterfout, net als een voorkeur voor slappe thee. Thee en suiker waren een karaktertest. Ze had het toen al moeten weten.

Graham had zich naar Maggie toe gebogen, waarbij zijn kwabbige kaak bijna de schellak van haar haar had geraakt, en hij had iets in haar oor gemompeld. Het had Gloria niet aannemelijk geleken dat hij commentaar leverde op de nieuwe kerstboomlampjes die ze onlangs bij Dobbies had gekocht, maar ze had gedacht dat hij gewoon Graham was. Ze dacht vaak dat als hij vuilnisman of krantenverkoper was geweest, hij niet zo aantrekkelijk voor vrouwen zou zijn. Als hij geen geld en macht en charisma had gehad, zou hij – laten we er niet omheen draaien – gewoon een oude man zijn.

De telefoon brandde ineens in haar hand. ‘Is het al gebeurd, is het voorbij?’ zei Maggie. ‘Ben je van Gloria af? Ben je van die ouwe taart af?’

Gloria liet de telefoon bijna vallen van verbazing. Was Graham van plan van haar te scheiden? Had Graham een verhouding met iemand van verkoop en hadden ze het er samen over haar te dumpen? Gloria liet de telefoon weer in Grahams zak glijden, waar Maggie Louden tegen zijn lichte wol bleef praten. Ze hoorde nog steeds haar gedempte stem: ‘Graham? Ben je daar, Graham?’, als een hardnekkige helderziende tijdens een seance. In de verte hoorde Gloria de zachte explosies die het eind van de taptoe aankondigden. Had het kapitalisme de mensheid echt gered? Dat leek niet aannemelijk, maar het was zo te zien wellicht te laat om daar nu nog met Graham over van gedachten te wisselen.