52

‘Jezus. Weet je het zeker? Weet je zeker dat hij dood is? Heb je de dierenarts gebeld?’

De verkoopster hield hem in de gaten, alsof er een magneet tussen zijn gezicht en dat van haar was. Haar gelaatstrekken weerspiegelden zijn afgrijzen, alsof ze het drama van zijn leven was binnengegaan. Geef die meid een Oscar.

‘Is alles in orde,’ zei ze toen hij zijn mobiel opborg.

‘Dat was mijn moeder,’ zei Archie. ‘Onze kat is dood.’

‘O nee,’ zei ze, haar gezicht helemaal vertrokken. Haar lip beefde zowaar.

‘Oh, dat was een goeie,’ fluisterde Hamish toen ze de winkel uit liepen. ‘We hadden eerder aan dode katten moeten denken, daar zijn meiden echt gek op.’

Archie voelde zich schuldig dat hij de kat zo had gebruikt, hoewel het hem had geholpen echte emoties in zijn vertolking te brengen. Hij vond het erg van de kat. Hij had pas beseft dat hij erom gaf toen het dier was gaan mauwen. Het was een afschuwelijk geluid geweest, waardoor bij Archie de rillingen over de rug waren gelopen. Zijn achterpoten hadden het begeven en hij had daar maar liggen hijgen. Als zijn moeder aan het werk was, vooral wanneer ze ’s nachts werkte, had hij wel eens een verschrikkelijke pijn die hem naar de keel greep bij de gedachte wat hij zou moeten doen als ze doodging. Stel nu eens dat ze een auto die te hard reed achtervolgde en verongelukte? Of dat iemand haar neerschoot of neerstak? Zijn hart raakte van de kook en hij voelde zich flauw als hij daaraan dacht.

Het was geschift zoals ze van die kat hield. Haar eigen moeder was vorige week overleden en daarop had ze het glas geheven: ‘Op het oude kreng, dat ze eeuwig mag branden in de hel.’ Maar de kat ging dood en ze huilde tranen met tuiten. En wat je verder ook over zijn moeder kon zeggen, ze was een harde. Hij vond het vreselijk als ze huilde.

Hij had geprobeerd het wat minder erg voor haar te maken, had geprobeerd te bedenken wat zij zou hebben gedaan als ze er was geweest. Kaarsen en muziek, bijna religieus. Hij had de kat in een trui gewikkeld die van haar was en hem vervolgens gewiegd. Het dier was in zijn armen gestorven. Hij had het zien gebeuren. Er was een moment waarop het nog leefde en toen was er een moment waarop het dood was, zonder iets ertussenin. Op een dag zou dat met zijn moeder gebeuren. Zijn familie was te klein, alleen hijzelf, zijn moeder en een oude kat, dat was alles, en nu was de kat er niet meer. Hamish had twee zussen, een vader, opa’s en oma’s, tantes en ooms, neven en nichten, hij had meer familieleden dan iemand ooit nodig kon hebben. Archie had alleen zijn moeder. Als er iets met haar gebeurde zou hij er alleen voor staan.

Hij had gehuild toen de kat was overleden, alles in hem had ineens te groot geleken, alsof het er allemaal uit zou barsten. Zijn moeder was binnengekomen en had hem stijf vastgehouden en hij had weer een baby willen zijn en ze hadden samen gehuild. Zijn moeder huilde om de kat en hij huilde omdat hij nooit meer een baby kon zijn. Daarna had hij een kop thee voor haar gezet en was hij weggegaan om patat te kopen en ze hadden samen televisiegekeken en het was fijn geweest, hoewel de kat dood was en zijn moeder daar zo ongelukkig door was. Ze zei: ‘We zullen hem laten cremeren, de dierenarts heeft me een folder gegeven. Je kunt een klein houten kistje kopen en zijn foto erop laten zetten, een koperen plaatje met zijn naam, en dat zullen we op de schoorsteenmantel zetten.’ Haar eigen moeder stond verwaarloosd op een plank in de garage. Dat was nou ironie. Het was op dat moment allemaal zo intiem tussen hen geweest dat hij bijna alles had bekend. Van al dat stelen, dat ze Martin Cannings portefeuille in de Cowgate hadden gevonden (niet hadden gestolen, de man moest hem zijn verloren), dat ze het adres van zijn kantoor uit de portefeuille hadden gehaald en er hadden ingebroken (voor de lol, en het was ook leuk geweest). Hamish kon sloten opensteken als een meesterdief. Zijn doel in het leven bestond eruit zijn vaders bank te beroven. Hamish haatte zijn vader op een manier die Archie eng vond. Maar toen was Archie van gedachten veranderd over het opbiechten, omdat het gemeen leek om zijn moeder van de wijs te brengen nu ze zo van streek was. Een andere keer.

Zijn moeder sloeg haar arm om hem heen en zei: ‘Het is in orde.’ En dat was ook zo, even. Hij at haar restje patat op en liet haar zijn haar strelen, maar toen was haar telefoon gegaan en ze had gezucht: ‘Het spijt me, dat was het commandocentrum van de politie. Ik moet weg, er is een incident geweest’, en ze had hem alleen gelaten. Met de dode kat. Andere moeders deden dat niet.

Hij hoorde haar auto de garage uit rijden en hij keek uit het raam om haar te zien wegrijden. Er dreef langzaam een biljet van twintig pond langs, als een klein vliegend tapijtje.

‘Verdomme, Archie, politie!’ gilde Hamish naar hem, terwijl hij hem van achteren een duw gaf waardoor Archies armen als molenwieken ronddraaiden om hem in evenwicht te houden en te voorkomen dat hij op zijn gezicht viel. Hamish was er al vandoor, rende door George Street weg, liet Archie aan zijn lot over. Hij draaide zich om en zag twee stevige agenten naderen. Hij deed niet eens moeite om weg te rennen. Hij liep op zijn lot af. Het was een moment waar hij al maandenlang op afstevende. Hij voelde voornamelijk opluchting.