12

Louise was aan het rennen. Louise had een hekel aan rennen. Maar het was net iets beter dan naar de sportschool gaan. De sportschool betekende een regelmatige inzet en afgezien van haar werk was ze waardeloos in een regelmatige inzet. Vraag maar aan Archie. Alles bij elkaar was het dus gemakkelijker om knarsetandend in haar trainingspak te schieten en vervolgens bedaard als warming-up door de nieuwbouwwijk te joggen, alvorens door de velden te draven en, als ze zich braaf voelde, of schuldig (de keerzijde van de medaille), de heuvel op en weer af te hollen. Het voordeel van rennen was dat je tijd had om na te denken. Dat was natuurlijk ook het nadeel. Dualisme, de ziekte van Edinburgh, Jekyll en Hyde, donker en licht, heuvel en dal, de Nieuwe Stad en de Oude Stad. Katholieken en protestanten. Een spel van twee helften. Een eeuwige manicheïstische tweedeling. Het was haar vrije dag en ze had kunnen gaan zwemmen, een boek kunnen lezen, de was kunnen wegwerken, maar nee, ze had ervoor gekozen een verrekt grote heuvel op te rennen. Bekentenissen van een gerechtvaardigde zondaar. ‘Oppositie en de Schotse psyche.’ Tijdens haar studie had ze Hogg bestudeerd voor een scriptie, maar ja, wie niet?

Ze had de vorige avond naar haar idee heel bescheiden drie glazen wijn gedronken, maar die eisten hun tol. Haar mond leek wel een oude laars en de pekingeend die de wijn had vergezeld leefde nog als een kranige oude vogel verder. Een zeldzaam en verlaat vrouwenavondje in het Jasmine om Louises promotie van twee weken geleden te vieren. Daarna waren ze ‘iets in het Festival’ gaan bekijken, een vage, onvoorbereide missie die er geen rekening mee had gehouden dat alle goede dingen zouden zijn uitverkocht tegen de tijd dat zij arriveerden. Uiteindelijk waren ze in een obscure kroeg beland, heel toepasselijk in de buurt van het politiemortuarium, en waren ze naar een afschuwelijke komiek gegaan die zijn tijd had gehad. Drie glazen wijn en Louise had gemerkt dat ze de orde verstoorde. De groep was rumoerig teruggelopen door de Oude Stad, onder het blèren van: ‘You make me feel like a natural woman’, als bij de ergste geitenfuif die je kon bedenken. Louise dacht graag dat het Carole Kings eigen versie was in plaats van iets ongebreidelders, maar ze kon zichzelf in de maling nemen. Het was een bof dat ze niet door de politie waren opgepakt. Om je rot te schamen.

Maar ja, nu boette ze ervoor, want geen enkel goed lid van de bekrompen kerk die Schotland was, kwam er zonder straf af. Niemand bleef buiten Schot.

Halverwege de heuvel was ze al zwaar aan het hijgen. Ze was achtendertig en ze was bang dat ze niet meer zo’n goede conditie had als ze graag zou willen, als ze zou moeten hebben. Ze had pijn op de exacte plek waar haar blindedarm zou hebben gezeten als ze er nog een had gehad – ze stelde zich een lege ruimte voor waar hij als een dikke wurm had genesteld. Hij was vorig jaar verwijderd (‘er even uit gehaald’ was kennelijk het cliché waar het ziekenhuispersoneel aan vasthield). Zowel haar moeder als haar oma was aan haar blindedarm geholpen en ze vroeg zich af of dat inhield dat Archie de zijne ook zou kwijtraken.

Archie praatte vaag over een jaartje reizen tussen de middelbare school en de universiteit, hoewel beide denkbeelden – reizen en het jaar tussen zijn middelbare school en de universiteit – op zijn veertiende nog in een te ver verschiet lagen om voor hem meer te lijken dan een nevelige, onwaarschijnlijke toekomst. Ze voeg zich af of ze hem zou kunnen overhalen een facultatieve operatie op overbodige organen te ondergaan voor hij vertrok (als hij al zou vertrekken, ze kon zich niet voorstellen dat hij er de energie voor zou hebben, hij was zo lui) zodat hij niet halverwege een berg in Nieuw-Zeeland ineens buikvliesontsteking zou krijgen. Zo’n honderd jaar geleden zou Louise nu dood zijn geweest. En tanden – tanden moesten heel veel mensen het leven hebben gekost, ontstekingen die tot bloedvergiftiging hadden geleid. Een kras, een koutje. Er was maar heel weinig voor nodig. Haar eigen moeder was overleden aan een lever die het had laten afweten, had vlees in de kleur van antiek perkament en ingelegde organen gehad. Haar verdiende loon. Toen Louise vorige week bij de begrafenisondernemer van de coöp naar haar was gaan kijken, had ze de drang moeten weerstaan een naald mee te nemen om die, de oude truc van zeelieden voor de dood op zee, door het gele vlees (als ranzige kaas) van haar neus te steken. Alleen om zich ervan te vergewissen dat ze echt dood was.

De begrafenis had drie dagen geleden plaatsgevonden, in crematorium Mortonhall, een dienst die even lethargisch was verlopen als haar leven. Hoewel ze Aileen heette, verwees de opgetrommelde dominee voortdurend naar haar als Eileen, maar noch Louise noch het allegaartje aan mensen dat zich als haar moeders vrienden beschouwde, nam de moeite hem te corrigeren. Het sprak Louise wel aan dat haar moeder door dat ‘Eileen’ iemand anders leek, een vreemde en niet haar moeder.

Toen ze als coolingdown haar strekoefeningen op het voorpad deed, viel haar het ding op de stoep op, waar de melk zou hebben gestaan als er in deze wijk nog melk werd bezorgd. Een onopvallend bruin blik. Ze was ineens ten prooi aan een irrationele angst. Een bom? Een rare practical joke? Zou ze als ze hem openmaakte fecaliën of wurmen of iets giftigs aantreffen? Het duurde een paar paniekerige seconden voor ze besefte dat het een urn was en dat die urn de resten van haar moeder bevatte. Om een of andere reden had ze iets smaakvols en klassieks verwacht: een amfoor van alabaster, met een deksel en een pinakel, niet iets wat van een soort plastic materiaal was gemaakt en er net zo uitzag als een theebus. Ze herinnerde zich dat een neef van haar moeder had gezegd dat hij de as wel bij het crematorium voor haar zou ophalen. Als het aan haar had gelegen had ze de moeite niet genomen.

Nu zat ze met het probleem wat ze met dat stoffelijk overblijfsel moest doen. Kon ze het gewoon in de vuilnisbak gooien? Ze had het gevoel dat dat wel eens illegaal zou kunnen zijn.

Ze draaide haar sleutel in het slot om maar moest de voordeur een flinke duw geven om hem te laten opengaan. Het was een natte zomer en al het hout in huis was uitgezet, hoewel de deur sowieso slecht had gesloten. Het huis was pas drie jaar oud, maar er mankeerden al allerlei kleine irritante dingen aan; tekortkomingen die nooit waren verholpen, hoe vaak ze ook had geklaagd: barsten in het stucwerk, stopcontacten die scheef zaten, een keukenaanrecht dat niet was geaard. Bedankt, Graham Hatter. Model Kinloch was het kleinste vrijstaande huis dat je kon kopen, maar het was een huis, een echt huis, zo’n ding met twee ogen en een mond dat ze als kind altijd had getekend. Een huis waarin een ideaal gezin woonde, dat ze erbij had getekend: moeder, vader, twee kinderen en een hond. In werkelijkheid had ze het alleen met de moeder moeten doen, die op de koop toe nog zo kaal als een luis was geweest. Arme Louise. Wanneer ze aan zichzelf als kind dacht, gebruikte ze meestal de derde persoon. Ze wist zeker dat een psychiater zich helemaal zou kunnen uitleven op dat feit, maar er zou nooit een psychiater in de buurt van haar hoofd komen.

Moderne huizen waren knudde, maar de wijk (Glencrest) was veilig, voor zover iets dat ooit was. De meeste buren in haar kleine enclave kenden elkaar, al was het maar van gezicht. Er was geen enkele pub in de buurt, er was een wijkwacht, er waren jonge vrouwen met wandelwagentjes die naar bijeenkomsten voor moeder en kind gingen, er waren mannen die in het weekend hun auto wasten. Normaler kon je het niet krijgen.

Ze nam de urn mee naar binnen en zette hem op de afdruipplaat in de keuken. Ze draaide het deksel eraf, goot iets van de inhoud op een schoteltje en bekeek het, pookte er met een mes in rond, als iemand van het forensisch instituut. Het was korrelig, leek meer op slak dan op as, en Louise verwachtte half een stuk tand, een herkenbaar bot te zien. Giftig afval. Als ze water aan het schoteltje toevoegde zou haar moeder misschien worden opgewekt, zou de klei weer uit het stof worden gevormd. Haar longen als mottenvleugels zouden opnieuw kunnen uitklappen, en ze zou als een geest uit de urn verrijzen en in de te kleine keuken tegenover Louise aan de te kleine keukentafel gaan zitten om Louise te vertellen hoeveel spijt ze had van alle erge dingen die ze had gedaan. En Louise zou zeggen: ‘Veel te laat, verdomme, ga je urn weer in.’

De kat, oud en lijdend aan artritis, sprong onhandig op de afdruipplaat en snuffelde hoopvol aan wat er op het schoteltje lag. Jellybeans gezondheid ging achteruit, er groeide een tumor in hem, de dierenarts had gezegd dat Louise ‘zeer binnenkort een beslissing’ zou moeten nemen.

Jellybean was ooit een klein, voortstuivend balletje bont geweest, even licht als een shuttle, nu was hij een slappe zak botten. Hij was ouder dan Archie, in feite kende Louise de kat langer dan wie dan ook, met uitzondering van haar moeder en die telde niet mee. Ze had hem als jong katje gevonden, achtergelaten in een leeg huis. Ze had nooit een huisdier gehad, hield niet eens van katten, hield nog steeds niet van katten, maar ze was dol op Jellybean. Met kinderen was het net zo: ze hield niet van baby’s, hield niet van kinderen, maar ze was dol op Archie. Ze kon het tegen niemand zeggen (vooral niet tegen Archie) omdat de mensen zouden denken dat ze gek was, maar ze dacht dat ze misschien wel evenveel van Jellybean hield als van Archie. Misschien nog meer. Zij vormden haar twee achilleshielen. Men zei dat je van liefde sterk werd, maar Louise was van mening dat je erdoor verzwakte. Liefde boorde zich als een kurkentrekker in je hart en ging er nooit meer uit, niet zonder je hart in stukken te scheuren. Ze gaf een zoen op Jellybeans beverige kop en voelde een snik in haar borst. Jezus, Louise, verman je, verdomme.

De voordeur klapte open en werd weer dichtgeslagen. Archies gang door het huis werd aangegeven door het geluid van dingen die werden neergegooid, die hij liet vallen en waar hij tegenop liep. Hij was net een balletje in een flipperkast. Hij stormde de keuken in, bijna struikelend over zijn eigen voeten. Na zijn geboorte had de vroedvrouw gezegd: ‘Jongens zijn een ramp voor je huis, meisjes een ramp voor je hoofd.’ Archie was er kennelijk op gebrand in beide opzichten een ramp te zijn.

Hij zag er verhit en geërgerd uit. Ze herinnerde zich dat gevoel, wanneer je ineens een schooluniform moest aantrekken terwijl het voor je gevoel nog midden in de zomer was. Engelse scholen begonnen in september, maar Schotse scholen hadden het altijd een goed idee gevonden de kinderen in de hete hondsdagen te laten terugkomen. Dat moest iets presbyteriaans zijn. John Knox had ongetwijfeld op een mooie ochtend in augustus uit zijn raam gekeken en een kind een hoepel door de straat zien rollen of wat kinderen in de zestiende eeuw maar deden, en hij had gedacht: dat kind moet lijden in een warm, benauwd klaslokaal, in een uniform waardoor het er belachelijk uitziet. Ja, dat was echt iets voor Knox, dacht Louise. Hé, Knox, laat dat kind met rust.

Wat was er met haar zoontje gebeurd, was hij opgegeten door dit monster? Nog niet zo lang geleden was Archie een knap kind geweest: zijig blond haar, ronde armpjes om te zoenen. En moest je hem nu eens zien, in zijn slecht zittende lichaam dat leek te zijn samengesteld uit de bij elkaar geraapte ledematen van anderen; het was moeilijk te geloven dat vrouwen hem ooit aantrekkelijk zouden vinden, dat hij ooit met hen naar bed zou gaan, dat hij zou graaien en worstelen en schokken, dat hij het met maagden en getrouwde vrouwen zou doen, met studentes en meisjes die in een winkel werkten. Zijn nieuwe lelijkheid, die op een of andere manier nog schrijnender werd doordat hij zich er niet van bewust leek, brak haar hart.

‘Wat is dat?’ vroeg Archie, met een blik naar het schoteltje as. Niet: ‘Dag, mam,’ niet: ‘Leuke dag gehad?’

‘Mijn moeder, wat er van haar over is.’

Hij gaf grommend te kennen dat hij er niets van begreep.

‘Ze is vorige week gecremeerd,’ hielp Louise hem herinneren. Een openbare verbranding. Ze had Archie niet laten meegaan naar het crematorium, ze had hem bij zijn oma vandaan gehouden toen die nog leefde, dus ging ze zijn tijd niet aan haar verdoen nu ze dood was. Louise had de ochtend vrij genomen, gezegd dat ze naar het ziekenhuis moest. Het was verbazend wat voor leugens klakkeloos werden geloofd. Als iemand haar dossier op haar werk erop had nageslagen, had hij gezien dat haar moeder volgens die gegevens al dood was. Iedereen die ze kende geloofde dat haar moeder jaren geleden was overleden. ‘Voor mij is ze dood,’ zou ze hebben gezegd als de waarheid daarvan in twijfel was getrokken.

Archie tilde het schoteltje op en bekeek nauwkeurig wat erop lag. ‘Gaaf,’ zei hij, ‘mag ik het hebben?’

Hij kon er niets aan doen (daar moest ze zich dagelijks aan herinneren) dat een onvriendelijk biologisch bevel hem had veranderd in een hormonenfabriek die overuren draaide, die twee keer zo hard werkte om tonnen van dat spul te produceren. Hij zou buiten moeten voetballen, in een jeugdclub van een kerk moeten biljarten, moeten paraderen tijdens een militaire training voor opgeschoten jongens, alles waardoor de overvloed aan chemicaliën in zijn lichaam een uitweg konden vinden, maar nee, hij bracht zijn tijd liggend door in het stinkende hol van zijn slaapkamer, vastgekoppeld aan zijn iPod, zijn PlayStation, zijn computer, de televisie, als een soort hybride, half mens en half robot, die elektriciteit nodig had om in leven te blijven. De bionische jongen.

Hij gebruikte in elk geval geen drugs (nog niet tenminste). Ze was er vrij zeker van dat ze het zou merken. Wat porno in de vorm van blaadjes – ze betwijfelde of hij iets voor haar kon verbergen, ze was meedogenloos, ze was een expert op dat gebied, ze was zijn moeder. Een paar vrij tamme pornoblaadjes, meer niet, dat was toch zeker te verwachten bij een jongen van veertien? Je kon beter realistisch dan draconisch zijn. Geen online porno voor zover ze kon nagaan, of hij moest zelf een creditcard hebben genomen, hoewel dat nauwelijks een probleem zou zijn en hij goed overweg kon met computers, maar niet zo goed als zijn vriend Hamish Sanders. Hamish was griezelig goed voor een kind van veertien. Dat soort dingen konden jongens beslist automatisch. Hamish had Louises draadloze breedband geïnstalleerd en hij was een hacker, daar was ze vrij zeker van. Ze mocht Hamish niet, hij was een aartsleugenaar en absoluut niet te vertrouwen. Louise was ook een aartsleugenaar, maar haar leugens waren doorgaans eerder van praktisch nut dan boosaardig. Dat was in elk geval haar excuus.

Toen Archie hem voor het eerst mee naar huis had genomen, had Hamish gezegd: ‘Dag, mevrouw Monroe, mag ik Louise zeggen?’ en ze was zo verbaasd geweest dat ze niet had gereageerd met: ‘Nee, dat mag je niet, kleine lul die je bent.’ Hamish was een nieuwe vriend, die van zijn chique school was gestuurd en door zijn ouders met veel geflikflooi op de Gillespie was gezet. Louise probeerde er nog steeds achter te komen waarom hij van school was gestuurd. ‘Van alles,’ had Archie gezegd. ‘Oh, wat is je moeder toch een echte smeris, Archie,’ had ze Hamish horen zeggen, ‘ze is heel sterk, daar ben ik dol op.’

Ze wist niet precies hoeveel Archie zelf van hacken wist. Het zou haar niet zoveel kunnen schelen als de jongens probeerden het Pentagon binnen te komen of een multinational ten val te brengen, maar ze waren vermoedelijk alleen de e-mails van een arme schlemiel in Singapore of Düsseldorf aan het kraken.

De winkeldiefstal was waarschijnlijk een eenmalige gebeurtenis. Alle kinderen stalen wel eens wat. Louise had het ook gedaan. Woolworth smeekte erom dat je hun koopwaar in je zak liet glijden – snoepjes, potloden, sleutelhangers, lippenstift – en Louise zou niets van dat alles hebben gehad als ze het niet had gepikt. Toen ze ouder was had ze op zaterdag bij Woolworth gewerkt en ze had altijd een oogje dichtgeknepen voor de stelende kinderen. Maar haar eigen zoon, dat was iets anders. Doe wat ik zeg, niet wat ik heb gedaan.

Maar goed, bekijk het positief: hij had vrienden (net als hijzelf lompe luilakken in de dop, maar vrienden waren vrienden) en hij was niet dood. Daar kwam het bij kinderen uiteindelijk altijd op neer. Dood was ondenkbaar. Denk dat niet voor het geval je het laat uitkomen, als een soort slechte voodoo.

‘Hoe was het op school?’ De dagelijkse litanie sinds zijn vijfde. ‘Wat heb je gedaan?’ Er was nooit een bevredigend antwoord op gekomen. ‘We hebben een boom getekend, we hadden vla tussen de middag, er is een jongen gevallen die zich heeft bezeerd.’ Geen informatie over het lesprogramma. Louise vroeg zich vaak af of de kinderen ooit iets leerden. Nu kreeg ze zelfs die dagelijkse kleine interessante nieuwtjes niet meer te horen.

Archie mompelde iets.

‘Wat?’

‘Van alles,’ zei hij, zijn blik op de vloer gericht. Ze kon zich niet herinneren wanneer hij haar voor het laatst had aangekeken.

‘Je hebt op school “van alles” gedaan?’

‘Ja.’

‘Kun je iets specifieker zijn?’

‘Hm.’ Hij wekte de indruk dat hij nadacht maar hij zag er vaag uit, gespleten. Had hij iets gebruikt? ‘Wat de nazi’s voor ons hebben gedaan,’ zei hij ten slotte.

‘Volgens mij heb je iets niet helemaal begrepen.’

Ze had graag lekker ruzie met hem gemaakt, een onbesuisde woordenstrijd, maar dat kon hij niet, als ze tegen hem van leer trok, werd hij gewoon stil, wachtte geduldig tot ze klaar was en zei dan: ‘Mag ik nou gaan?’

De telefoon ging. Ze wist zonder hem op te nemen dat het haar werk zou zijn. Het was haar vrije dag, maar er waren te weinig mensen doordat iedereen geveld was door een virus. Ze verwachtte de hele dag al dat ze zou worden opgeroepen. Onder het bellen keek ze naar Archie. Hij was met de kat verwikkeld in een wedstrijd staren, een wedstrijd die vermoedelijk weinig voorstelde aangezien Jellybean staar had en de laatste tijd op vrijwel dezelfde manier als Archie tegen muren en meubels op liep. Archie scheen geen warme gevoelens voor dieren te hebben, maar ze had nooit gezien dat hij wreed tegen een dier was. Hij was geen potentiële psychopaat, hield ze zich voor, gewoon een jongen van veertien. Haar jochie. Ze legde de hoorn op de haak. ‘Ik moet weg,’ zei ze. ‘Er is een incident geweest bij Cramond.’

‘Ik weet wat incident betekent,’ zei hij, ‘dat betekent dat er iemand dood is.’ Louise wenste dat hij er bij dat idee niet zo opgewonden uitzag.

‘Waarschijnlijk,’ stemde ze met hem in.