Audrey, deel twee: drie minuten gekregen
Alles gaat zoals gebruikelijk, behalve dat vanavond de radio die ik bij me heb naast me staat te zweten terwijl de maan opkomt, weer neergaat en vervaagt wanneer de ochtend zich eindelijk aandient. Ik vraag me een seconde lang af waarom ik niet gewoon mijn wekker thuis heb gezet en met zonsopgang hiernaartoe ben gekomen, maar ik weet dat ik dit op de juiste manier moet doen. Ik moest eerst de nacht ondergaan om dit goed te kunnen doen.
Ik strek mijn benen uit, maar de nacht strekt zich nog verder uit. Het eerste beetje licht boezemt me angst in.
Ik lig een beetje te doezelen in het park wanneer ik een autodeur hoor dichtslaan en Simons auto hoor opstarten. Hij verlaat het huizencomplex door met een stille, onhandige bocht de straat op te rijden. Er gaat een minuut voorbij, maar ik realiseer me dat dit het moment is. Het voelt goed.
De radio. Het licht.
En inmiddels, mijn voetstappen richting Audreys deur.
Ik klop.
Geen antwoord.
Opnieuw bal ik mijn vuist, maar net als ik weer op het hout wil slaan, verschijnt er een kier in de deuropening en hoor ik Audreys vermoeide stem erdoorheen. ‘Was je vergeten te…’ Haar stem stokt.
‘Ik ben het,’ zeg ik.
‘Ed?’
‘Ja.’
‘Wat doe jij…’
Mijn overhemd voelt aan als cement, ik draag een houten spijkerbroek, sokken van schuurpapier en schoenen van brons.
‘Ik ben er,’ fluister ik. ‘Voor jou.’
Audrey, het meisje, de vrouw, heeft een roze nachthemd aan.
Ze doet de deur open en staat daar op blote voeten met haar vuist wat slaap uit haar ogen te wrijven. Ze doet me denken aan het kleine meisje Angelina.
Langzaam pak ik haar hand en leid haar naar het pad. Ik voel me nu niet meer zo zwaar, en we zijn alleen. Ik zet de radio neer in de met boomschors bezaaide tuin, kniel en druk op PLAY.
Eerst klinkt er een zachte ruis door de lucht. Dan zet de muziek in en horen we allebei de langzame, stille, lieve wanhoop van een liedje dat ik hier niet zal noemen. Stel je gewoon het zachtste, stoerste, allermooiste liedje voor dat je kent, en dan weet je het. We laten het op ons inwerken en mijn ogen haken zich in die van Audrey.
Ik loop dichter naar haar toe en houd haar handen vast.
‘Ed, wat…’
‘Sst.’
Ik houd haar nu dicht tegen me aan met mijn handen om haar heupen, en ze houdt mij ook vast.
Ze legt haar handen om mijn nek en laat haar hoofd op mijn schouder rusten. Ik kan de seks bij haar ruiken, en ik kan alleen maar hopen dat ze de liefde bij mij ruikt.
De muziek gaat omlaag.
De stem gaat omhoog.
Het is weer de hartenmuziek – maar veel beter dit keer – en we bewegen en draaien en ik voel Audreys adem in mijn nek. ‘Mmm,’ kreunt ze zachtjes, en we dansen op het pad. We houden elkaar vast. Op een gegeven moment laat ik haar los en draai ik haar langzaam in het rond. Ze komt bij me terug en het is een kleine, heel kleine kus die ze me dan in mijn nek geeft.
Ik hou van je, wil ik zeggen, maar dat is niet nodig.
De hemel is vol vuur, en ik sta te dansen met Audrey. Zelfs nadat het liedje is afgelopen, houden we elkaar nog een tijdje vast, en ik denk dat we een minuutje of drie hebben gedanst.
Drie minuten om haar te zeggen dat ik van haar houd.
Ze zegt het tegen mij wanneer we elkaar loslaten, hoewel er geen woorden van liefde aan te pas komen. Ze knijpt alleen maar één oog naar me dicht en zegt: ‘Zo, Ed Kennedy dus?’
Ik glimlach.
Ze wijst naar me. ‘Maar alleen jij, toch?’
‘Ja,’ zeg ik. Ik staar naar Audreys blote voeten, haar enkels, haar schenen, en ga dan door naar haar gezicht. Ik neem in gedachten een foto van haar. Haar vermoeide ogen en strokleurige, warrige ochtendhaar. De glimlach die zachtjes om haar lippen hangt. Haar kleine oren en gladde neus. En de laatste restjes liefde, die hun best doen om te blijven hangen…
Ze heeft zichzelf drie minuten lang toegestaan om van me te houden.
Kunnen drie minuten voor altijd blijven duren? vraag ik me af, maar ik weet het antwoord al.
Waarschijnlijk niet, antwoord ik. Maar misschien wel lang genoeg.