De vrouw

Image

De geeuw van een meisje kan echt huiveringwekkend mooi zijn.

En al helemaal wanneer ze staat te gapen in je keuken, in haar ondergoed en een T-shirt.

Dat doet Audrey op dit moment, terwijl ik de afwas doe. Ik sta net een bord af te spoelen wanneer ze binnenkomt, wrijvend in haar ogen, geeuwend en dan glimlachend.

‘Lekker geslapen?’ vraag ik.

Ze knikt en zegt: ‘Je ligt comfortabel, Ed.’

Ik realiseer me dat ik die opmerking als een belediging zou kunnen opvatten, maar het is een compliment.

‘Ga zitten,’ zeg ik, en zonder erbij na te denken gaan mijn ogen naar de knoopjes van haar T-shirt en haar heupen. Ik volg haar benen tot aan haar knieën, schenen en enkels. Dit alles in een fractie van een seconde. Audreys voeten zien er zacht en breekbaar uit. Alsof ze zo over de keukenvloer heen zouden kunnen smelten.

Ik maak wat cruesli voor haar waar ze luidruchtig op kauwt. Ik hoefde haar niet te vragen of ze er zin in had. Sommige dingen weet ik gewoon.

Dit wordt later nog een keer bevestigd, wanneer Audrey gedoucht en aangekleed is.

Bij de voordeur zegt ze: ‘Bedankt, Ed.’ Ze wacht even voor ze nog iets zegt. ‘Weet je, van iedereen die ik ken, ben jij degene die me het beste kent en het liefst voor me is. Jij bent degene bij wie ik me het meest op mijn gemak voel.’ Ze komt zelfs dichterbij en geeft me een kus op mijn wang. ‘Bedankt dat je zoveel van me pikt.’

Terwijl ze wegloopt, voel ik haar lippen nog op mijn huid. Hun smaak.

Ik kijk haar na tot ze helemaal aan het einde van de straat is en de hoek omgaat. Vlak voor ze dat doet, realiseert ze zich dat ik er nog sta, en ze draait zich nog een laatste keer om en zwaait. Daarop steek ik mijn hand omhoog, en weg is ze.

Langzaam.

Maar zeker.

Wordt Audrey nog eens mijn dood.

En doe me een plezier, ja? Hou in godsnaam eens op met al die friet.

Opnieuw hoor ik de woorden van mijn grote vriend gisteren.

De hele dag blijven ze terugkomen, samen met zijn andere mededeling.

Misschien ben jij wel niet de enige die azen in zijn brievenbus vindt, is dat wel eens bij je opgekomen?

Goed, er stond natuurlijk een vraagteken aan het eind van zijn zin, maar ik weet gewoon dat het een mededeling was. Ik moet denken aan alle mensen die ik ben tegengekomen. Wat als dat allemaal boodschappers waren, net als ik, en ze allemaal bedreigd werden en wanhopig deden wat ze moesten doen om het er maar levend van af te brengen? Ik vraag me af of zij ook speelkaarten en vuurwapens in hun brievenbus ontvingen of dat zij misschien hun eigen specifieke materiaal kregen. In dat geval zou het iets persoonlijks zijn, denk ik. Ik kreeg speelkaarten omdat kaarten mijn ding is. Misschien kregen Daryl en Keith wel die bivakmutsen, en mijn grote vriend van gisteravond zijn zwarte outfit en recalcitrante houding.

Om kwart voor acht zal ik weer bij Melusso’s zitten, zonder de Portier. Dit keer zal ik naar binnen gaan. Voor ik wegga moet ik het aan hem uit zien te leggen.

Hij kijkt me aan.

Huh? vraagt hij. Geen friet vanavond?

‘Sorry. Ik neem iets voor je mee, beloofd.’

Hij lijkt prima in orde wanneer ik wegga, aangezien ik koffie voor hem heb gezet waar ik ook wat roomijs in heb gedaan. Hij staat zowat van de ene poot op de andere te springen wanneer ik het voor hem neerzet.

Lekker hoor, zegt hij tegen me in de keuken. We zijn nog steeds maatjes.

Ik moet toegeven dat ik hem zelfs een beetje mis wanneer ik naar Clown Street en Melusso’s wandel. Het voelt alsof dit iets van ons tweeën was, en ik het nu alleen moet afmaken en daarmee alle eer opstrijk.

Tenminste.

Als hier überhaupt eer aan te behalen valt.

Ik was al bijna vergeten dat het allemaal ook verkeerd kan uitpakken. Bewijsstuk A daarvoor was Edgar Street. Bewijsstuk B, de jongens Rose.

Nu vraag ik me af wat ik dit keer zal afleveren, terwijl ik Melusso’s restaurant binnenga, en de overweldigende geur en warmte van spaghettisaus, pasta en knoflook inloop. Ik heb goed opgelet of niemand me is gevolgd, maar ik heb geen hond gezien die ook maar een beetje interesse toonde. De mensen op straat deden gewoon wat ze altijd doen.

Praten. Slecht inparkeren.

Vloeken. Tegen hun kinderen zeggen dat ze moeten opschieten en geen ruzie mogen maken.

Allemaal dat soort dingen.

Nu, in het restaurant, vraag ik de mollige serveerster om een plek in het donkerste hoekje.

‘Daar?’ vraagt ze stomverbaasd. ‘Naast de keuken?’

‘Ja, graag.’

‘Om die plek heeft nog nooit iemand gevraagd. Weet je het wel zeker?’

‘Helemaal.’

Wat een mafkees, zie ik haar denken, maar ze brengt me ernaartoe.

‘Wijnkaart?’

‘Pardon?’

‘Wil je misschien wat wijn?’

‘Nee, bedankt.’

Ze haalt de wijnkaart van tafel en somt de specialiteiten op. Ik bestel spaghetti met gehaktballen en lasagne.

‘Verwacht je nog iemand?’

Ik schud mijn hoofd. ‘Nee.’

‘Dus je gaat álles zelf opeten?’

‘O, nee hoor,’ antwoord ik. ‘De lasagne is voor mijn hond – ik heb beloofd iets voor hem mee te nemen.’

Dit keer kijkt ze me aan met een blik van: Wat een zielige, sneue, eenzame sukkel, wat denk ik wel te begrijpen is. Maar ze zegt: ‘Dan breng ik die wel vlak voor je weggaat, goed?’

‘Bedankt.’

‘Iets te drinken?’

‘Nee, bedankt.’

Ik bestel nooit wat te drinken in een restaurant omdat je drankjes overal kunt kopen – ik kom hier voor het eten dat ik zelf niet kan koken.

Ze loopt weg en ik kijk het restaurant rond, dat voor de helft gevuld is. Sommige mensen proppen zich vol, anderen nippen aan hun wijn, en een jong koppeltje kust elkaar over de tafel heen terwijl ze elkaar hapjes voeren. De enige interessante figuur is een man aan mijn kant van het restaurant. Hij zit op iemand te wachten, drinkt een wijntje maar eet niks. Hij draagt een pak en heeft golvend achterovergekamd haar, zwart met zilvergrijs.

Algauw nadat ik mijn gehaktballen en spaghetti heb gekregen, wordt de betekenis van de avond me helemaal duidelijk.

Ik verslik me bijna in mijn vork wanneer de gast van de man arriveert. Hij staat op en geeft haar een kus en legt zijn handen op haar heupen.

De vrouw is Beverly Anne Kennedy.

Bev Kennedy.

Oftewel ma.

O, jezus christus, denk ik en houd mijn hoofd omlaag.

Om de een of andere reden ga ik bijna over mijn nek.

Mijn moeder draagt een flatteuze jurk. Hij is glanzend donkerblauw. De kleur doet me denken aan een storm. Ze gaat beleefd zitten, en haar haar zit mooi.

Kortom, het is voor het eerst dat ze er in mijn ogen uitziet als een vrouw. Normaal gesproken ziet ze er gewoon uit als grofgebekte ma, die me uitscheldt en roept dat ik niks waard ben. Maar vanavond draagt ze oorbellen, en haar donkere gezicht en bruine ogen glimlachen. Ze krijgt wat rimpeltjes wanneer ze lacht maar, toegegeven, ze ziet er gelukkig uit.

Ze ziet eruit alsof ze geniet van haar vrouwelijkheid.

Hij is een echte gentleman, schenkt haar wat wijn in en vraagt wat ze zou willen eten. Ze praten en hebben het overduidelijk naar hun zin, maar ik kan niet verstaan wat ze zeggen. Om eerlijk te zijn, doe ik mijn best het niet te horen.

Ik denk aan mijn vader.

Ik denk aan hem, en raak meteen down.

Vraag me niet waarom, maar ergens vind ik dat hij meer heeft verdiend dat dit. Hij was dan wel een zuiplap, al helemaal tegen het eind van zijn leven, maar hij was zo vriendelijk en gul en zachtaardig. Terwijl ik naar mijn gehaktballen zit te staren, zie ik zijn zwarte haar en nagenoeg kleurloze ogen voor me. Hij was behoorlijk lang, en droeg altijd een flanellen overhemd naar zijn werk, met een sigaret in zijn mond. Thuis rookte hij nooit. Niet in huis. Ook hij was een gentleman, ondanks alles.

Ik kan me ook herinneren hoe hij na sluitingstijd van het café strompelend de voordeur binnenkwam en de bank op rolde.

Ma begon dan natuurlijk tegen hem te schreeuwen, maar dat verloor uiteindelijk zijn effect.

In elk geval liep ze hem continu aan zijn kop te zeuren. Hij werkte keihard, maar het was nooit genoeg. Weet je nog, het salontafelincident? Voor mijn vader was dat dagelijkse kost.

Toen we klein waren nam hij ons altijd overal mee naartoe, naar het nationale park en het strand en een speeltuin die kilometers ver weg lag, met een enorm metalen ruimteschip. Niet zo’n speeltuintje vol plastic rotzooi, waar die arme kinderen het vandaag de dag mee moeten doen. Hij nam ons mee naar die plekken en keek rustig toe hoe we speelden. Wanneer we achteromkeken zagen we hem zitten, terwijl hij lekker zat te roken, misschien te dagdromen. Mijn eerste herinnering is van toen ik vier was en op de rug van Gregor Kennedy, mijn vader, zat. Toen was de wereld nog niet zo groot en kon ik alles overzien. Toen was mijn vader nog een held, in plaats van een mens.

Nu zit ik hier, me af te vragen wat mijn volgende stap moet zijn.

Het eerste wat ik besluit, is de gehaktballen niet op te eten. Het enige wat ik doe is ma observeren, op haar geweldige date. Die twee zijn hier duidelijk al vaker geweest. De serveerster kent hen en blijft even staan om een praatje te maken. Ze zijn helemaal op hun gemak.

Heel even voel ik me verbitterd en kwaad, maar ik roep mezelf direct tot de orde. Wat heeft het ook voor zin? Ze is tenslotte ook maar een mens en ze heeft net als ieder ander recht op een beetje geluk.

Algauw zie ik in waarom ik haar dit geluk in eerste instantie misgun.

Het heeft niks te maken met mijn vader.

Maar met mezelf.

In een plotselinge vlaag van misselijkheid zie ik de doffe ellende, als ik het zo mag noemen, van de situatie in.

Daar zit mijn ma van in de vijftig de bloemetjes buiten te zetten met een of andere kerel, terwijl ik hier zit, in de bloei van mijn leven, compleet en volslagen alleen.

Ik schud mijn hoofd.

Naar mezelf.