Jongeren

Images

Er gaan een aantal dagen voorbij waarin ik allerlei manieren verzin om mensen die kerk in te krijgen. Ik denk erover om Audrey, Marv en Ritchie te vragen om al hun familieleden en vrienden mee te nemen, maar om te beginnen zijn ze alle drie niet echt betrouwbaar en daarnaast is het al moeilijk genoeg om hén er voor een tweede keer naartoe te krijgen.

In het begin van de week maak ik een hoop ritjes, en denk erover na.

Pas wanneer ik een man naar het vliegveld rijd, weet ik het. Wanneer we er bijna zijn zegt hij: ‘Hé man, ik heb nog wat tijd over – kun je me anders gewoon hier bij het café afzetten?’

Ik kijk in de achteruitkijkspiegel en dan weet ik het.

‘Ik heb het!’ zeg ik tegen hem.

‘Even een biertje in een echt café,’ zegt hij. ‘Ik heb echt een pesthekel aan die horecagelegenheden op het vliegveld.’

Ik parkeer en laat hem eruit.

‘Doe je mee?’ vraagt hij. ‘Ik trakteer.’

‘Nee,’ zeg ik. ‘Ik heb nog een kort ritje. Maar als je wilt, kan ik je over een halfuurtje oppikken.’

‘Prima.’ Hij ziet er blij uit.

En om heel eerlijk te zijn ben ik dat zelf ook, want wat ik je nu ga vertellen staat als een paal boven water.

In dit land is er maar één ding waar je gegarandeerd publiek mee trekt. Het antwoord?

Bier.

Gratis bier.

Ik ga naar de priester, ik kan niet wachten om hem te vertellen dat we iets kunnen regelen voor komende zondag. Ik vertel hem mijn idee. ‘Gratis bier, spelletjes voor de kinderen, eten. Had ik al gezegd dat er ook gratis bier is?’

‘Ja, Ed, volgens mij wel.’

‘En? Wat vindt u ervan?’

Hij gaat rustig zitten en denkt erover na. ‘Het klinkt geweldig, Ed, maar je vergeet één ding.’

Vandaag ben ik niet van mijn stuk te brengen. ‘En dat is?’

‘Daar hebben we geld voor nodig.’

‘Ik dacht dat de katholieke Kerk zwom in het geld – al dat goud en zo en die enorme kathedralen…’

Hij moet even lachen. ‘Heb je ergens in míjn kerk goud gezien, Edward?’

Edward?

Ik geloof dat de priester de enige is van wie ik het pik dat hij me zo noemt. Zelfs op mijn geboortebewijs staat gewoon Ed.

Ik geef niet op. ‘Weet u zeker dat er ergens niet nog wat geld bij u rondslingert?’

‘Niet echt, Ed. Dat zit inmiddels allemaal in de fondsen voor alleenstaande tienermoeders, alcoholisten, daklozen, verslaafden en mijn vakantie naar Fiji.’

Ik neem aan dat die vakantie naar Fiji een grapje is.

‘Nou, goed dan,’ zeg ik. ‘Dan haal ik het geld zelf wel bij elkaar. Ik heb nog wat spaargeld. Ik leg vijfhonderd dollar in.’

‘Vijfhónderd? Dat is nogal wat, Ed. Je lijkt me niet echt een type dat veel geld heeft.’

Ik loop snel achteruit zijn voordeur uit. ‘Maakt u zich maar geen zorgen, meneer pastoor.’ Nu moet ik zelf ook lachen. ‘Heb gewoon vertrouwen.’

Ik moet zeggen.

In tijden als deze komt het echt goed uit om kinderachtige vrienden te hebben. Het helpt je om te bedenken hoe je iets zo snel mogelijk de wereld in krijgt. Je hoeft niet met posters aan de slag. Je hoeft geen advertentie in de plaatselijke krant te zetten. Je weet dat er maar één antwoord is. Iets waarmee je ieder hoofd in de stad binnendringt….

Graffiti.

Marv heeft ineens zin om op zondag naar de kerk te gaan. Ik vertel hem mijn plan en weet zeker dat ik op hem kan rekenen. Op dit gebied is Marv de beste. Kinderlijk gedrag is soms echt zijn specialiteit.

We jatten mijn ma’s barbecue en die van Ritchie’s moeder, ik bel en bestel een springkasteel en we lenen een karaokeset van een van Marvs vrienden die in het café werkt. We kopen ook wat vaatjes bier, maken een redelijk goeie deal met de slager over een partij worst en klaar zijn we.

Tijd voor de spuitbus.

Die halen we in de plaatselijke doe-het-zelfzaak op donderdagmiddag en de volgende dag gaan we om drie uur ’s nachts de stad in. Marvs auto komt sputterend tot stilstand voor mijn huis en we besluiten van daaruit de stad in te lopen. Aan het eind van Main Street schrijven we allebei hetzelfde in reuzenletters op de weg:

ONTMOET-EEN-PRIESTER-DAG

AANKOMENDE ZONDAG OM 10.00 UUR

ST. MICHAELS KERK

ETEN, ZINGEN, DANSEN

EN

GRATIS BIER

WEES ERBIJ OF MIS

EEN VERDOMD GOED FEESTJE!

Ik weet niet of het ook voor Marv geldt, maar ik voel een zekere kameraadschap terwijl we op onze knieën zitten te kalken. Het doet me denken aan vroeger. Op een gegeven moment kijk ik opzij naar mijn vriend. Marv de ruziemaker. Marv de vrek. Marv met het meisje dat ineens verdween.

Als we klaar zijn slaat hij me op mijn schouder en rennen we weg, als nobele dieven. We lachen allebei en rennen, en ik zit zo diep in het moment dat ik zin heb om erin achterover te vallen en me erdoor te laten dragen.

De lol die we deze nacht hebben is echt geweldig.

Onze voeten rennen en ik wil dat ze nooit meer ophouden. Ik wil rennen en me voor altijd voelen zoals nu. Ik wil alle ongemakkelijke momenten uit de weg gaan waarin de werkelijkheid met haar vork in ons lichaam prikt. Ik wil hier blijven, in dit moment, en nooit meer ergens anders heen gaan, waar we toch niet goed weten wat we moeten zeggen of doen.

Laat ons voor nu maar gewoon rennen.

We rennen dwars door het gelach in de nacht heen.

Wanneer de volgende dag is aangebroken, heeft iedereen het erover. Maar dan ook iedereen.

De politie is bij de priester langs geweest om hem te vragen of hij er iets van wist. Hij geeft toe dat hij afwist van de dag, maar niets van de wervingsmethoden die sommige leden van zijn kerkelijke gemeente hadden aangewend.

Op vrijdagmiddag vertelt hij er bij hem thuis in geuren en kleuren over.

‘Jullie kunnen je waarschijnlijk wel voorstellen,’ had hij tegen de agenten gezegd, ‘dat mijn clientèle van nogal dubieus allooi is. Het is nou eenmaal een kerk voor de armen!’

Natuurlijk geloofden ze hem. Wie zou deze man nou niet geloven? ‘Goed, meneer pastoor, maar hou ons op de hoogte als u iets te weten komt, oké?’

‘Uiteraard, uiteraard,’ en toen de agenten bijna de deur uit waren, stelde de priester nog een laatste vraag. ‘Zie ik jullie zondag, jongens?’

Agenten zijn kennelijk ook maar mensen.

‘Gratis bier?’ antwoordden ze. ‘Daar zeggen we geen nee tegen.’

Geniaal.

Alles staat klaar. Iedereen komt. Gezinnen. Dronkenlappen. Totale klootzakken. Atheïsten. Satanisten. Plaatselijke gothics. Iedereen. Met gratis bier krijg je dat voor elkaar. Daar kun je vergif op innemen.

Op vrijdagavond werk ik nog, maar zaterdag heb ik vrij.

Die dag gebeuren er twee dingen.

Het eerste is dat de pastoor bij mij thuis langskomt. Ik bied hem wat soep aan als lunch. Als zijn bord halfleeg is houdt hij op met eten en zie ik ontroering op zijn gezicht verschijnen.

Hij laat zijn lepel zakken en zegt: ‘Ik moet even iets kwijt, Ed.’

Ik houd ook op met eten. ‘Ja, meneer pastoor?’

‘Weet je, ze zeggen dat er talloze heiligen zijn die niks met de kerk te maken hebben en bijna niks van God weten. Maar ze zeggen dat God waakt over deze mensen, zonder dat ze daar ooit weet van hebben.’ Hij kijkt me nu doordringend aan en vervolgt: ‘Jij bent een van die mensen, Ed. Het is een eer je te mogen kennen.’

Ik sta perplex.

Ik ben voor een hoop dingen uitgemaakt in mijn leven – maar niemand heeft ooit tegen me gezegd dat het een eer is om me te kennen.

Ik herinner me ineens hoe Sophie vroeg of ik soms een heilige was en dat ik antwoordde dat ik ook maar een idioot was als alle anderen.

Deze keer neem ik het compliment wel in ontvangst.

‘Dank u, meneer pastoor.’

‘Heel graag gedaan.’

Het tweede wat gebeurt is dat ik hier en daar wat bezoekjes afleg. Eerst ga ik bij Sophie langs, heel even maar. Ik vraag haar of ze zondag ook komt, waarop ze zegt: ‘Tuurlijk, Ed.’

‘Kom met het hele gezin,’ opper ik.

‘Is goed.’

Dan ga ik naar Milla en vraag haar of ik haar zondag naar de kerk mag vergezellen.

‘Dat zal me een waar genoegen zijn, Jimmy.’ Met andere woorden, ze is opgetogen.

Dan.

Het laatste bezoekje.

Wanneer ik bij Tony O’Reilly aanklop, zinkt de moed me in de schoenen.

‘O,’ zegt hij. ‘Ben jij het.’ Maar hij lijkt verder best blij me te zien. ‘Heb je mijn boodschap doorgegeven aan die broer van me?’

‘Ja, heb ik,’ zeg ik. ‘Ik heet trouwens Ed.’

Nu voel ik me een beetje opgelaten. Ik vind het vreselijk om mensen te vertellen wat ze moeten doen, zelfs om het ze te vragen. Toch kijk ik Tony O’Reilly nu aan en doe mijn mond open. ‘Ik vroeg me eigen lijk…’ De rest van de zin komt niet.

‘Wat?’

Ik neem de woorden weer in mijn mond, maar laat ze daar zitten. In plaats daarvan probeer ik iets anders.

‘Je weet heus wel wat, Tony.’

‘Ja,’ antwoordt hij. ‘Dat klopt. Ik heb de graffiti gezien.’

Ik kijk omlaag en dan weer omhoog. ‘Nou, wat dacht je ervan?’

Hij schuift de hor opzij en even ben ik bang dat hij misschien naar buiten komt om me in elkaar te slaan, maar hij vraagt me binnen en we gaan in zijn woonkamer zitten. Hij draagt een soortgelijke outfit als vorige keer. Korte broek, hemd en teenslippers. Hij ziet er niet echt gemeen uit, maar ik ken het type man in dat soort kleren. Alle topcriminelen dragen bermuda’s, hemdjes en slippers.

Zonder ernaar te vragen haalt hij een glas drinken. ‘Is Cool Best Orange oké?’

‘Natuurlijk.’ Er zit zelfs schaafijs in. Hij heeft vast zo’n geniale ijskast die alles kan.

Ik hoor wat kinderen in de achtertuin rondrennen, en algauw zie ik zo nu en dan een gezichtje verschijnen, op en neer gaand op een trampoline.

‘Kleine rotzakjes,’ gniffelt Tony. Hij heeft hetzelfde gevoel voor humor als zijn broer.

Een paar minuten lang kijken we naar een uiterst boeiende special over touwtrekken op Sports Channel of iets wat daarop lijkt. Maar wanneer er reclame op zijn grote flatscreen verschijnt, richt Tony zijn aandacht weer op mij.

‘Zo, Ed, ik neem aan dat je je afvraagt waarom mijn broer en ik niet met elkaar praten.’

Ik kan moeilijk doen alsof. ‘Eigenlijk wel, ja.’

‘Wil je horen wat er is gebeurd?’

Ik kijk hem aan.

Wat denkt-ie zelf nou.

En ik schud mijn hoofd. ‘Nee, dat zijn mijn zaken niet.’

Tony zucht en neemt een slok van zijn drankje. Ik hoor hoe hij het ijs nog verder verbrijzelt in zijn mond. Zonder het te beseffen heb ik hem het juiste antwoord gegeven.

Een van de kinderen komt huilend de kamer binnen.

‘Pap, Ryan doet steeds…’

‘Ach, hou toch op met piepen en flikker op!’ roept Tony.

Het jongetje overweegt even om nog harder te gaan huilen maar recht bijna onmiddellijk zijn rug. Hij vermant zich. ‘Is dat Best Cool, pap?’

‘Ja.’

Heel even denk ik dat het jochie vraagt of zijn vader zelfverzekerd en stoer aan het doen is. Dan denk ik aan het drankje.

‘Mag ik ook wat?’

‘Wat zeggen we dan?’

‘Alsjeblieft?’

‘Inderdaad. In een hele zin.’

‘Mag ik wat Best Cool, alsjeblieft?’

‘Ja. Dat is beter, George. Flikker nu dan maar op naar de keuken en pak wat, oké?’

Het jochie straalt. ‘Bedankt, pap!’

‘Klotekinderen van tegenwoordig,’ zegt Tony lachend. ‘Geen manieren meer…’

‘Vertel mij wat,’ zeg ik en we lachen.

We lachen en dan zegt Tony: ‘Weet je, Ed, als je heel goed kijkt zul je me daar morgen misschien wel zien.’

Ik juich vanbinnen, maar laat het niet merken.

Dit is mooi.

‘Bedankt, Tony.’

‘O, pahap!’ roept George vanuit de keuken. ‘Ik heb geknoeid!’

‘Ik had het verdomme kunnen weten!’

Tony staat hoofdschuddend op. ‘Kun jij jezelf uitlaten terwijl ik dit varkentje was?’

‘Geen probleem.’

Opgelucht verlaat ik het grote tv-scherm en het grote huis. Een mooi resultaat.

Ik slaap beter dan ik voor mogelijk had gehouden en word vroeg wakker. Gisteravond heb ik een mooi, vreemd boek gelezen met de titel De tafel van alles. Ik zoek ernaar maar bedenk dan dat het tussen mijn bed en de muur is gevallen. Terwijl ik het probeer te vinden schiet me te binnen dat vandaag de grote dag is. Ontmoet-een-priester-dag. Ik staak de zoektocht en sta op.

Audrey, Marv en Ritchie zijn om acht uur bij mij en we gaan richting kerk. De pastoor is er al, hij loopt al ijsberend zijn preek te repeteren.

Er komen al wat andere mensen.

Marvs vriend met de biervaatjes en de karaokeset.

De mensen van het springkasteel.

Wij hebben de barbecues en we regelen dat Ritchie en wat vrienden van hem tijdens de preek het bier bewaken.

Rond kwart voor tien beginnen er daadwerkelijk mensen te komen, en ik bedenk dat ik Milla moet ophalen.

‘Zeg, Marv’ – wat ik nu ga vragen slaat echt alles – ‘zou ik je auto misschien tien minuutjes mogen lenen?’

‘Wat?’ Ik weet nu al dat hij dit volledig gaat uitmelken. ‘Wil jíj míjn roestbak lenen?’

Hier heb ik geen tijd voor. ‘Ja Marv, ik neem alles wat ik er ooit over heb gezegd terug.’

‘En?’

En?

Ik begrijp het ineens. ‘Ik zal er nooit meer iets lelijks over zeggen.’

Hij gniffelt om zijn overwinning en gooit de sleutels naar me toe. ‘Zorg goed voor hem, Ed.’

Dat ging echt te ver. Marv weet dat ik mezelf nu moet inhouden om niks te zeggen. Hij zit zelfs te wachten, de klootzak, maar ik zeg niks.

‘Braaf zo,’ zegt hij en ik ga ervandoor.

Milla zit vol spanning te wachten en doet de deur al open voor ik ook maar een voet gezet heb op de eerste traptrede.

‘Hallo, Jimmy,’ zegt ze.

‘Hoi, Milla.’

Eenmaal bij de auto houd ik de deur voor haar open en vervolgens rijden we terug naar de kerk. Er waait een zacht briesje door het kapotte raam.

Wanneer we aankomen is het vijf voor tien. Ik sta versteld. De kerk zit stampvol. Ik zie ma zelfs naar binnen lopen in een groene jurk. Ik geloof niet dat het bier haar ook maar iets kan schelen. Ze wil gewoon niks missen.

Ik vind een van de weinige vrije stoelen en vraag Milla om plaats te nemen.

‘En jij dan, Jimmy?’ vraagt ze nerveus. ‘Waar ga jíj dan zitten?’

‘Maak je geen zorgen,’ zeg ik tegen haar. ‘Ik vind wel een plek,’ maar dat doe ik niet. Ik ga bij de mensen achter in de kerk staan wachten tot pastoor O’Reilly binnenkomt.

Wanneer de klok tien uur slaat, luiden de kerkklokken de hele congregatie door, en nu valt iedereen stil – de kinderen, de bepoederde dames met handtasjes, de zatlappen, de pubers, en de vaste bezoekers die er week in week uit te vinden zijn.

De pastoor.

Komt binnen.

Hij komt binnen, en iedereen wacht af wat hij gaat zeggen.

Een tijdlang kijkt hij alleen maar naar het publiek. Dan verschijnt die nuchtere glimlach op zijn gezicht en zegt hij: ‘Dag, allemaal,’ en iedereen gaat uit zijn dak. Ze klappen en juichen, en de pastoor ziet er opgewekter uit dan ik hem ooit heb gezien. Wat ik nog niet weet, is dat hij zelf ook een paar trucjes uit de kast gaat halen.

Er volgen nog geen woorden.

Geen gebeden.

Hij wacht weer tot het stil is, haalt een mondharmonica uit zijn gewaad, en begint een gevoelig liedje te spelen. Halverwege komen er drie verwaarloosde mannen in pak naar binnen, van wie er een op een blik trommelt, de ander viool speelt en de laatste ook op een harmonica speelt. Een grote.

De muziek die ze spelen dreunt door de kerk, en er gaat een zindering door de kerk die ik nooit eerder heb gevoeld.

Wanneer ze ophouden gaat het publiek weer tekeer, en de pastoor wacht.

Uiteindelijk zegt hij: ‘Dat was een lied voor God. Afkomstig van Hem en opgedragen aan Hem. Amen.’

‘Amen,’ herhaalt het publiek.

Dan spreekt de pastoor een tijdje, en ik vind wat hij zegt en de manier waarop geweldig. Hij praat niet zoals al die priesters die het hebben over hel en verdoemenis in van die kerken waar meer bullshit wordt verkondigd dan waar ook. De oprechtheid van de pastoor werkt hypnotiserend. Zijn verhaal gaat niet over God, maar over het feit dat de mensen uit dit stadje zijn samengekomen. Samen iets doen. Elkaar helpen. En gewoon samen zijn in het algemeen. Hij nodigt hen uit om dat voortaan iedere zondag te komen doen in zijn kerk.

Hij laat die kerels, Joe, Graeme en Joshua, iets voorlezen. Ze zijn nogal traag en kansloos, maar wanneer ze klaar zijn worden ze als helden toegejuicht, en de trots is van hun gezichten af te lezen. Dit is nog eens wat anders dan geld, sigaretten en jasjes van mensen aftroggelen.

Ik vraag me al een tijdje af waar Tony zou kunnen zijn. Terwijl ik de menigte afga, vangt Sophie mijn blik op. We steken allebei een hand omhoog en ze luistert weer verder. Tony zie ik nergens.

Aan het eind zet de pastoor een vertolking in van de oude favoriet van school – ‘He’s Got the Whole World in His Hands’. Iedereen zingt en klapt mee, en wanneer het bijna afgelopen is, zie ik Tony eindelijk.

Hij baant zich een weg door de menigte en gaat naast me staan.

‘Hoi, Ed,’ begroet hij me. Hij heeft aan elke hand een kind hangen.

‘Is er ook Cool Best?’ vraagt hij. ‘Voor de kinderen.’

‘Ja hoor.’

Een minuut of vijf later ziet de pastoor me achter in de kerk bij Tony staan.

Hij is inmiddels aan het afronden, en er is nog steeds geen gebed geweest. Eindelijk komt Thomas O’Reilly eraan toe.

Hij zegt:

‘Mensen, ik ga nu bidden, eerst hardop, en daarna in stilte. U bent van harte uitgenodigd om op dat moment voor uzelf te bidden.’ Hij buigt zijn hoofd en zegt: ‘Heer, ik dank u. Ik dank u voor dit prachtige moment en voor al deze geweldige mensen. Ik dank u voor gratis bier’ – het publiek lacht – ‘en ik dank u voor de muziek en de woorden die u ons vandaag gegeven hebt. Maar boven alles, Heer, dank ik u dat mijn broer hier vandaag kan zijn en ik dank u voor bepaalde mensen op aarde met een afschuwelijke smaak op het gebied van jasjes… Amen.’

‘Amen,’ herhalen de mensen weer.

‘Amen,’ zeg ik een fractie te laat en nu, zoals zoveel van deze mensen, bid ik voor het eerst in jaren.

Ik bid: Zorg goed voor Audrey, Heer, en voor Marv en ma en Ritchie en mijn hele familie. Sluit alstublieft mijn vader in uw armen en alstublieft, alstublieft, help me met de boodschappen die ik nog moet afleveren. Help me om dit goed te doen…

De laatste woorden van de pastoor klinken ongeveer een minuut later.

‘Dank jullie wel, allemaal. En nu kan het feest beginnen.’

Het publiek juicht.

Nog een laatste keer.

Ritchie en Marv verzorgen de barbecue. Audrey en ik het bier. Pastoor O’Reilly zorgt voor het eten en drinken voor de kinderen, en niemand wordt over het hoofd gezien.

Wanneer we helemaal door het eten en drinken heen zijn, halen we de karaokeset tevoorschijn en een hoop mensen zingen van alles. Ik blijf lang bij Milla zitten, die ook wat meisjes, zoals ze ze zelf noemt, tegenkomt die ze nog kent van school. Ze zitten met zijn allen op een bankje, en een van hen kan niet met haar voeten bij de grond. Met haar enkels over elkaar geslagen zwaait ze ze heen en weer, en het is het mooiste wat ik de hele dag te zien krijg.

Ik krijg zelfs Audrey zover om een lied met me te zingen. ‘Eight Days a Week’ van The Beatles. En natuurlijk gaat bij Marv en Ritchie het dak eraf met hun vertolking van ‘You Give Love a Bad Name’ van Bon Jovi. Ik zweer het je, dit hele stadje leeft in het verleden.

Ik dans.

Ik dans met Audrey, Milla en Sophie. Ik vind het vooral leuk om ze rond te laten draaien en de blijdschap in hun stemmen te horen.

Wanneer het afgelopen is en ik Milla naar huis heb gebracht en weer terug ben, ruimen we op.

Mijn laatste beeld van die dag is dat van Thomas en Tony O’Reilly, rokend op de trap van de kerk. Het zit er dik in dat ze elkaar pas over een paar jaar weer zien, maar meer dat dit had ik niet kunnen wensen.

Ik wist niet dat de pastoor rookte.