De schoenendoos

Images

‘Jou heb ik al een tijdje niet gezien.’

‘Ik heb het druk gehad.’

Audrey en ik zitten op mijn veranda goedkope alcohol te drinken zoals gewoonlijk. De Portier komt naar buiten en wil ook wat, maar in plaats daarvan geef ik hem een flinke aai over zijn bol.

‘Krijg je nog steeds die kaarten in de brievenbus?’ Ze wist natuurlijk al die tijd dat ik die Ruiten Aas helemaal niet had weggegooid. Niemand die goed bij zijn hoofd is gooit Ruiten Aas weg, toch zeker? Dat is een goede kaart. Daar moet je zuinig op zijn.

Milla, denk ik. Sophie. De vrouw op Edgar Street en haar dochter, Angelina.

‘Nee, ik ben nog steeds met de eerste bezig.’

‘Denk je dat er nog meer komen?’

Daar moet ik even over nadenken en ik kan maar niet beslissen of ik er nog een wil of niet. ‘De eerste is al moeilijk genoeg.’ We drinken.

Ik ga regelmatig bij Milla langs, en dan laat ze me haar foto’s weer zien en ga ik door met het voorlezen van Woeste Hoogten. Ik begin er eigen lijk wel lol in te krijgen. De taart is een paar dagen geleden opgegaan, godzijdank, maar de oude dame is nog altijd even vriendelijk. Ze beeft over al haar leden, maar is altijd vriendelijk.

Sophie verliest de week erna bij atletiek weer, dit keer op de achthonderd meter. Ze heeft niet zoals anders die verrotte oude schoenen aan. Ze heeft iets beters nodig om ook maar in de buurt te komen van hoe ze ’s ochtends altijd hardloopt. Op die momenten is ze helemaal zichzelf. Los van alles. Bijna los van zichzelf.

De zaterdag erop ga ik ’s morgens vroeg naar haar huis en klop op de deur. Haar vader doet open.

‘Zeg het eens?’

Ik ben nerveus, alsof ik hiernaartoe ben gekomen om zijn dochter mee uit te vragen. Ik heb een schoenendoos in mijn rechterhand, en hij kijkt ernaar. Vlug houd ik hem omhoog en zeg: ‘Ik heb een pakketje voor uw dochter Sophie. Ik hoop dat het de goede maat is.’

De schoenendoos gaat over in zijn handen en de man kijkt verward.

‘Zeg maar tegen haar dat een jongen nieuwe schoenen voor haar is komen brengen.’

De man kijkt me aan alsof ik zwaar onder de drugs zit. ‘Oké.’ Hij doet zijn uiterste best om niet spottend te klinken. ‘Dat zal ik doen.’

‘Dank u wel.’

Ik draai me om en maak aanstalten om weg te lopen, maar hij houdt me staande. ‘Wacht even,’ roept hij.

‘Ja, meneer?’

Hij houdt de doos omhoog, in de war, en duwt hem ons gesprek in.

‘Weet ik,’ zeg ik.

De doos is leeg.

Ongeschoren en hondsberoerd verschijn ik op de atletiekbaan. Ik heb de taxi vanochtend pas om zes uur teruggebracht en ben toen meteen doorgegaan naar Sophie’s huis en de atletiekbaan. Mijn ontbijt bestaat uit een saucijzenbroodje en wat koffie.

Ze wordt omgeroepen voor de vijftienhonderd, en ze gaat op blote voeten.

Ik glimlach bij de gedachte.

Blotevoetenschoenen…

‘Als er maar niemand op haar tenen trapt,’ zeg ik.

Een paar minuten later komt haar vader bij het hek staan. De wedstrijd begint.

De andere eikel begint weer als een gek te schreeuwen.

En Sophie struikelt en valt op haar rug, na precies een ronde.

Ze zat net in de kopgroep van vijf, en de rest rent verder, tot ze misschien wel vijfentwintig meter voorliggen. Wanneer ze weer opstaat, moet ik denken aan dat stukje uit Chariots of Fire waarin Eric Liddell valt en vervolgens iedereen voorbij rent en wint.

Nog twee rondes te gaan, en ze ligt nog steeds een heel stuk achter.

De eerste twee hardlopers gaat ze moeiteloos voorbij, en ze rent net zoals ze ’s ochtends altijd doet. Zonder druk. Het enige wat je ziet is haar gevoel van vrijheid en de pure bewustwording van het feit dat ze leeft. Alles wat ze nodig heeft, is de capuchontrui en de rode broek. Haar blote voeten dragen haar door de derde ronde, en algauw loopt ze naast haar aartsvijand. Ze gaat haar voorbij en blijft haar voor met nog tweehonderd meter te gaan.

Net als ’s ochtends, denk ik, en mensen blijven nu stilstaan om te kijken. Ze hebben haar zien vallen en opstaan en doorgaan. Nu zien ze dat ze op kop loopt en dat gaat verder dan alles wat er ooit in een normaal weekend in deze wijk is gepresteerd. Het discuswerpen is stilgelegd, net als het hoogspringen. Alles. Het enige wat er nog is, is het meisje met het stralende haar en de moordstem, dat ademhaalt en op kop ligt.

Het andere meisje nadert haar.

Ze probeert haar voorbij te rennen.

Er zit bloed op Sophie’s knieën, van de val, en volgens mij is ze ook in een spijker gaan staan, maar het zij zo. De laatste honderd meter gaat het bijna mis. Ik zie haar gezicht vertrekken van de pijn. Haar blote voeten bloeden over het kalende gras. Ze glimlacht bijna om de pijn – om de schoonheid ervan. Ze is buiten zichzelf.

Op blote voeten.

Helemaal uitgelaten.

Ze rennen op de streep af.

En het andere meisje wint.

Zoals altijd.

Zodra ze de streep overgaan, stort Sophie in, en daar, op de grond, rolt ze op haar rug en kijkt naar de lucht. Ze heeft pijn in haar armen en pijn in haar benen en hart. Maar op haar gezicht staat de schoonheid van de ochtend geschreven, en voor het eerst, geloof ik, herkent ze het gevoel: dat van halfzes ’s ochtends.

Sophie’s vader klapt, zoals altijd, maar dit keer niet alleen. De vader van het andere meisje staat nu ook te klappen.

‘Geweldige dochter heb je, zeg,’ zegt hij.

Sophie’s vader knikt alleen bescheiden en zegt: ‘Dank u. U ook.’