Het meisje op blote voeten

Images

En toch moet ik door.

Milla’s verhaal is prachtig en tragisch, maar er moeten meer boodschappen worden afgeleverd. De volgende is Macedoni Street 6, halfzes ’s ochtends. Heel even overweeg ik om terug te gaan naar Edgar Street, maar ik ben nog steeds te bang door wat ik daar gezien en gehoord heb. Ik ga er nog één keer heen, alleen maar om te zien of er niks veranderd is. Dat is het geval.

Ik kom aan op Macedoni Street samen met de zon, half oktober. Alles bij elkaar genomen is het een uitzonderlijk hete lente geweest en het is al lekker warm als ik de heuvelachtige straat inloop. Ik kan het huis van twee verdiepingen op de top zien staan.

Iets na halfzes komt er een eenzame figuur aan de zijkant het huis uit. Volgens mij is het een meisje, maar ik weet het niet zeker omdat de figuur een capuchon opheeft. Hij of zij heeft een rode korte sport-broek aan, een grijze trui met capuchon, maar geen schoenen. De persoon is ongeveer 1.75 meter lang.

Ik ga tussen twee geparkeerde auto’s zitten wachten tot de figuur terugkomt.

Net als ik het opgeef en aanstalten maak om naar mijn werk te gaan, zie ik haar (het is absoluut een haar) eindelijk de hoek om komen rennen. Ze heeft de trui inmiddels uitgetrokken en om haar middel geknoopt, zodat ik haar gezicht en haar kan onderscheiden.

We knallen bijna tegen elkaar op omdat we allebei tegelijk dezelfde hoek om gaan, vanuit tegengestelde richting.

We blijven allebei staan, even maar.

Haar blik rust op mij, niet langer dan een seconde.

Ze kijkt me aan, haar haar met de kleur van de zon zit in een paardenstaart en ze heeft heldere ogen, als water. Het zachtste blauw dat ik ooit heb gezien. Zachte lippen die een lichte vorm van herkenning tot uitdrukking brengen.

En ze rent weer door.

Ik kan alleen maar kijken hoe ze haar hoofd scheef houdt en wegdraait.

Haar benen zijn geschoren, waardoor ik me realiseer dat ik veel eerder had kunnen weten dat het een meisje was. Ze zijn lang en mooi. Het is zo’n meisje met een beetje een jongensachtig figuur. Dun met kleine maar welgevormde borsten, een lange rug, rechte heupen en lange benen. Haar blote voeten zijn middelgroot, en ze raken de grond lichtjes.

Ze is beeldschoon.

Ze is beeldschoon, en ik schaam me.

Ze is zeker vijftien en ze keurt me geen blik waardig. Ik word van binnenuit verpletterd. Gevoelens van liefde en lust wisselen elkaar af in mij en ik besef dat ik me ontzettend aangetrokken voel tot dit meisje dat om halfzes ’s ochtends op blote voeten hardloopt. Ik kan er niet omheen.

Ik wandel naar huis en bedenk wat ze nodig zou kunnen hebben – wat ik moet afleveren. In zekere zin is het een kwestie van wegstrepen. Als ze in de heuvels woont, heeft ze geen geld nodig. Ik heb ook niet het idee dat ze nieuwe vrienden nodig heeft, maar wie weet?

Ze loopt hard.

Daar heeft het iets mee te maken. Dat moet wel.

Iedere ochtend ben ik daar, hoewel ik mezelf verstop en niet het idee heb dat ze me kan zien.

Op een dag besluit ik om ons contact een beetje op weg te helpen en ga haar achterna. Ik heb mijn spijkerbroek, mijn laarzen en een oud wit T-shirt aan en ze loopt ver voor me uit.

Het meisje neemt grote passen.

Ik heb het zwaar.

Toen ik begon te rennen, voelde ik me alsof ik in de olympische finale van de vierhonderd meter zat. Nu voel ik me precies dat wat ik ben: een taxichauffeur uit een buitenwijk die niet genoeg beweegt.

Ik voel me suf.

Ongecoördineerd.

Mijn benen doen hun uiterste best om omhoog te komen en me voort te slepen. Mijn voeten voelen alsof ze door de aarde ploegen, erin wegzinken. Ik adem zo diep mogelijk in maar er zit een muur in mijn keel. Mijn longen snakken naar adem. Ik voel vanbinnen hoe de lucht tegen de muur opklimt om ze te bereiken maar het lukt niet. Toch blijf ik rennen. Ik moet wel.

Ze gaat naar het park aan de rand van de stad, waar een atletiekbaan ligt. Het ligt helemaal beneden in een kleine vallei, dus ik ben opgelucht dat we nu bergafwaarts gaan. Aan de weg terug denk ik maar liever niet.

Zodra we bij de baan zijn aangekomen, springt ze over het hek en haalt de trui van haar middel, die ze daar laat hangen. En ik, ik breng mezelf er wankelend toe weer te gaan lopen en stort neer in de schaduw van een boom.

Het meisje rent rondjes.

De wereld draait in rondjes om mij heen.

Een duizeligheid wervelt om me heen, en ik moet overgeven. Ik snak ook naar iets te drinken, maar ik kan mezelf er niet toe zetten om naar de kraan te lopen. Dus zit ik daar maar, helemaal onderuitgezakt, als een gek te zweten.

Jezus, Ed, hijg ik. Jouw conditie is echt ruk, hè? Nog erger dan ik dacht.

Ik weet het, antwoord ik.

Het is godgeklaagd.

Ik weet het.

Net zoals ik weet dat ik hier niet zo uitgestrekt en onelegant onder deze boom zou moeten liggen, maar ik heb geen puf meer om me voor het meisje te verstoppen. Als ze me ziet, dan is dat maar zo. Ik kan me nauwelijks bewegen, laat staan me verstoppen en ik weet dat ik morgen zo stijf als een plank ben.

Ze stopt even om te stretchen en op dat moment breekt de lucht eindelijk door naar mijn longen.

Haar rechterbeen ligt op het hek. Lang en beeldschoon.

Niet aan denken. Niet aan denken, zeg ik tegen mezelf. Halverwege deze gedachten merkt ze me op, maar ze kijkt meteen weer weg. Ze laat haar hoofd hangen en staart naar de grond. Precies zoals de vorige ochtend. Het duurt maar één seconde. Ik begrijp dat ze nooit naar me toe zal komen. Dat wordt me duidelijk wanneer ze haar ene been van het hek af haalt en verwisselt met het andere. Ik zal naar haar toe moeten.

Wanneer ze stopt met stretchen en haar trui wil pakken, hijs ik mezelf overeind en loop op haar af.

Ze begint te rennen, maar stopt.

Ze weet het.

Ik denk dat ze wel voelt dat ik hier voor haar ben.

We staan nu ongeveer zes of zeven meter van elkaar af. Ik kijk haar aan en zij kijkt naar de grond, ongeveer een meter van mijn rechterenkel vandaan.

‘Hallo?’ zeg ik. Mijn stemgeluid klinkt echt onsterfelijk belachelijk.

Er valt een pauze.

We kunnen even ademhalen.

‘Hoi,’ zegt ze terug. Haar ogen zijn nog steeds gericht op het stuk grond naast me.

Ik doe één stap naar voren. Meer niet. ‘Ik ben Ed.’

‘Dat weet ik,’ zegt ze. ‘Ed Kennedy.’ Haar stem klinkt hoog maar zacht, zo zacht dat je erin neer zou kunnen ploffen. Hij doet me denken aan Melanie Griffith. Je weet wel, dat zachte hoge stemmetje? Dat heeft dit meisje ook.

‘Hoe weet je wie ik ben?’ vraag ik.

‘Mijn vader leest de krant, en ik zag je foto – na die bankoverval, weet je nog?’

Ik loop naar voren. ‘Ja, dat weet ik nog.’

Er kruipt wat tijd voorbij, en uiteindelijk kijkt ze me recht aan. ‘Waarom achtervolg je me?’

Ik sta daar, doodop, en praat.

‘Dat weet ik nog niet precies.’

‘Je bent toch geen engerd of zo, hè?’

‘Nee!’ Ik denk: Niet naar haar benen kijken. Niet naar haar benen kijken.

Nu kijkt ze weer naar mij, met dezelfde blik van herkenning als laatst. ‘Nou, dat is een hele opluchting. Ik zag je bijna elke dag.’ Haar stem is zo lief, bijna op het belachelijke af. Het lijkt wel of-ie smaakt naar aardbeien of zo, die stem.

‘Het spijt me als ik je bang heb gemaakt.’

Behoedzaam waagt ze het naar me te glimlachen. ‘Maakt niet uit. Alleen… ik ben gewoon niet zo goed in praten met mensen.’ Ze kijkt weer weg, verstikt door haar verlegenheid. ‘Dus vind je het goed om niet te praten?’ Haar woorden komen snel nu, om me niet te kwetsen. ‘Ik bedoel, ik vind het niet erg als je ’s ochtends hier bij me bent, maar ik kan alleen niet praten, oké? Daar word ik een beetje ongemakkelijk van.’

Ik knik en hoop dat ze het ziet. ‘Geen probleem.’

‘Bedankt.’ Ze werpt nog een laatste blik op de grond, pakt haar trui en stelt me een laatste vraag. ‘Jij bent niet echt een goeie hardloper, hè?’

Ik geniet even van die stem. Hij smaakt naar aardbeien op mijn lippen. Misschien hoor ik hem vandaag wel voor het laatst. En dan zeg ik: ‘Nee, dat klopt,’ en wisselen we nog een paar laatste blikken van verstandhouding voor ze wegrent. Ik kijk haar na en hoor hoe haar blote voeten de grond lichtjes aanraken. Ik vind het een prettig geluid. Het doet me denken aan haar stem.

Ik ga elke ochtend voor mijn werk even naar de atletiekbaan, en ze is er altijd. Elke dag, zonder uitzondering. Op een ochtend komt de regen met bakken uit de hemel, en toch is ze er.

Op een woensdag neem ik een dag vrij (ik maak mezelf wijs dat je je dat soort opofferingen nou eenmaal moet getroosten wanneer je een hogere roeping hebt). Met de Portier achter me aan wandel ik rond een uurtje of drie naar de school. Ze komt naar buiten met een paar vriendinnen, wat me goeddoet omdat ik al hoopte dat ze niet alleen zou zijn. Daar had ik me vanwege haar verlegenheid een beetje zorgen om gemaakt.

Het is grappig hoe alles zonder stem lijkt te zijn wanneer je mensen van veraf bekijkt. Het is alsof je naar een stomme film zit te kijken. Je bedenkt er zelf bij wat ze zeggen. Je kijkt naar hun mond en stelt je het geluid voor van hun voeten die de grond raken. Je vraagt je af waar ze het over hebben en, sterker nog, wat er door hen heen gaat.

Het gekke is dat wanneer er een jongen aankomt en tegen de meisjes praat en met hen meewandelt, het hardloopmeisje terugschiet in haar gebruikelijke modus van naar de grond staren. Zodra hij weer weg is, is er niks meer aan de hand.

Ik sta me daar een tijdje af te vragen hoe dat kan en concludeer dat ze waarschijnlijk een gebrek aan zelfvertrouwen heeft, net als ik.

Ze voelt zich waarschijnlijk te lang en slungelig, en beseft niet dat iedereen weet hoe mooi ze is. Ik bedenk dat als dat het enige is, het binnenkort wel beter met haar zal gaan.

Ik schud mijn hoofd.

Om mezelf.

Je zou jezelf eens moeten horen, zeg ik tegen mezelf, dat het wel beter met haar zal gaan. Hoe kun jij dat verdomme weten? Is dat omdat het zo goed met jou gaat, Ed? Daar heb ik zo mijn twijfels over.

Ik heb helemaal gelijk. Het is niet aan mij om plannetjes te maken of wat voor voorspellingen dan ook te doen voor dit meisje. Ik hoef alleen maar te doen wat ik móét doen en hopen dat dat genoeg is.

Een paar keer post ik ’s avonds bij haar huis.

Er gebeurt niks.

Niet één keer.

Terwijl ik daar sta en nadenk over het meisje en de oude Milla en de angst voor Edgar Street, realiseer ik me dat ik niet eens weet hoe ze heet. Om de een of andere reden stel ik me voor dat het iets is in de trant van Alison, maar ik noem haar in gedachten meestal gewoon het hardloopmeisje.

Ik ga naar de atletiekwedstrijd die ’s zomers ieder weekend wordt gehouden. Ze is er, ik zie haar zitten met de rest van haar familie. Er is een jonger meisje bij en een klein jongetje. Ze hebben allemaal een zwarte korte broek aan en een lichtblauw hemdje met een rechthoekig stuk stof op de rug genaaid. Op dat van het meisje staat nummer 176, met daarboven de slogan JIJ MOET WEL VAN MILO ZIJN.

De vijftienhonderd meter voor onder de vijftien jaar wordt omgeroepen en ze staat op en veegt wat gedroogd gras van haar korte broek.

‘Succes,’ zegt haar moeder.

‘Ja succes, Sophie,’ roept ook haar vader.

Sophie.

Leuke naam.

Ik hoor hem in mijn hoofd en plak hem voorzichtig op haar gezicht. Hij past goed.

Ze staat nog steeds het gras van haar korte broek te vegen wanneer ik weer aan de andere twee kinderen denk – toen die eenmaal weg waren kon ik me helemaal op Sophie richten. Het meisje is aan het kogelstoten en het jongetje loopt ergens soldaatje te spelen met een klein lelijk rotjoch dat Kieren heet.

‘Mag ik mee met Kieren, mam? Alsjeblieft?’

‘Goed dan, maar wel goed luisteren wanneer jouw onderdelen beginnen – de zeventig meter begint zo direct.’

‘Oké. Kom, Kieren.’

Heel even ben ik blij dat ik gewoon simpelweg, ongecompliceerd, Ed heet. Geen Edward, Edmund, Edwin. Gewoon Ed. Totale middelmatigheid voelt voor één keer eens goed.

Sophie ziet me zodra ze opstaat, en ik zie even iets van blijdschap op haar gezicht verschijnen. Ze kijkt alsof ze het leuk vindt om me te zien, en toch draait ze zich nog steeds vrijwel meteen van me af. Ze loopt net naar de atletiekbaan met een paar afgetrapte oude spikes in haar hand (ik neem aan dat de oudere kinderen die bij de langere afstanden mogen dragen) als haar vader haar weer roept.

‘Hé, Soof.’

Ze draait zich naar hem toe.

‘Je kunt winnen, dat weet ik zeker – als je het maar wilt.’

‘Bedankt, pap.’

Ze loopt haastig weg en draait zich nog één keer om naar waar ik in de zon net een roze koek naar binnen zit te schuiven. Er zit een stukje glazuur in mijn mondhoek, maar het is te laat om het weg te halen. Dat ziet ze waarschijnlijk toch niet. Niet van die afstand tenminste. Ze werpt me alleen een vluchtige blik toe en loopt door. Nu weet ik wat me te doen staat.

Als ik arrogant was aangelegd, zou ik je nu zeggen dat dit een eitje is. Niet meer dan een tussendoortje.

Maar dat ben ik niet.

En ik durf zoiets ook niet te zeggen, omdat ik nog steeds met Edgar Street in mijn hoofd zit. Ik realiseer me dat er tegenover elke goede boodschap altijd een zal staan die moeilijk voor me is. Dus voor deze ben ik dankbaar. Het is een mooie dag en ik vind dit meisje leuk. Ik vind haar zelfs nog leuker wanneer ze naast een ander lang en mager meisje hardloopt dat continu naar haar kijkt alsof ze haar makkelijk aankan. Ze gaan gelijk op, maar tegen het eind gaat het andere meisje harder lopen. Haar passen worden groter, en een man blijft maar roepen: ‘Kom op, Annie! Kom op, Annie! Harder, schat! Harder! Sloop haar, lieverd, je kunt het!’

Ik zou veel liever tweede worden dan dat soort shit naar mijn hoofd geslingerd te krijgen.

Sophie’s vader is anders.

Hij is voor de wedstrijd naar het hek toe gelopen en kijkt gespannen toe. Hij roept niks. Kijkt alleen maar. Af en toe voel ik wat spanning bij hem terwijl hij hoopt dat zijn dochter het andere meisje inhaalt. Wanneer het andere meisje versnelt, kijkt hij heel even naar de andere vader, maar meer niet. Wanneer ze wint, klapt hij voor haar, en ook voor Sophie. De andere vader staat daar alleen maar obsceen te glunderen, alsof híj zich zojuist de benen uit het lijf heeft gelopen en de race heeft gewonnen.

Wanneer Sophie naast haar vader komt staan, slaat hij zijn arm om haar heen. De diepe teleurstelling is van haar gezicht af te lezen.

Op een bepaalde manier doet Sophie’s vader me denken aan mijn eigen pa, alleen sloeg die nooit een arm om me heen. Om nog maar te zwijgen over zijn alcoholprobleem. Het zit hem in zijn manieren en zijn zwijgzaamheid. Mijn eigen vader was een stille man die nooit iets slechts over een ander zei. Hij ging naar het café en bleef daar hangen tot sluitingstijd. Vervolgens liep hij door de straten om te ontnuchteren, wat nooit echt lukte. En toch moet ik zeggen dat hij de dag erna altijd steevast, zonder uitzondering, opstond en naar zijn werk ging. Mijn moeder raasde en tierde en slingerde hem van alles naar zijn hoofd omdat hij weg was geweest, maar hij ging er nooit op in. Hij schreeuwde nooit terug.

Sophie’s vader ziet er hetzelfde uit, maar dan zonder het alcoholische gedeelte. Kort gezegd ziet hij eruit als een gentleman.

Ze lopen samen terug naar de moeder en gaan naast haar op de heuvel zitten. De vader en moeder houden elkaars hand vast en Sophie drinkt een of ander sportdrankje. Ze zien eruit als zo’n familie die voor het slapengaan tegen elkaar zegt dat ze van elkaar houden, en ook als ze wakker worden, en voor ze naar hun werk gaan.

Sophie trekt haar spikes uit. Ze kijkt ernaar en zegt zuchtend: ‘Ik dacht dat deze geluk zouden brengen.’ Ik kan alleen maar aannemen dat ze van haar moeder of misschien een ander succesvol familielid op haar zijn overgegaan.

Terwijl ze op de grond zitten, bekijk ik de schoenen eens wat beter. Ze zijn vaalblauw met geel. Oud en versleten.

Geen goede schoenen.

Dit meisje verdient beter.