Twintig dollar voor de hond en de kaart
In paniek kijk ik om me heen om te zien of ik mijn hond en dat jongetje kan vinden.
Achter het grasveld stroomt een klein beekje, en ik besluit om daar te beginnen. Ik ren zo snel als mijn benen me in deze staat kunnen dragen, de wedstrijd ben ik vergeten en vanuit mijn ooghoek zie ik een blond meisje op me afkomen.
‘De Portier,’ roep ik naar Audrey. ‘Hij is weg,’ en ik realiseer me hoeveel ik van dat beest houd.
Ze loopt een stukje met me mee, en gaat dan een andere kant op.
Bij het beekje is niks te zien.
Ik wandel terug naar het uitgestrekte grasveld. De wedstrijd is nog bezig en ik kan het publiek nog steeds horen schreeuwen, ergens ver weg in mijn hoofd.
‘Niks?’ vraagt Audrey. Zij was iets verder langs het beekje gelopen.
‘Nee.’
We blijven staan.
Kalmte.
Die moet ik zien te bewaren en nu, terwijl ik me omdraai naar de boom waar de Portier aanvankelijk onder zat, zie ik hem en het jongetje er weer naartoe lopen. De jongen houdt een blikje drinken vast en een lange dropstaaf, en nu zie ik pas dat er nog iemand bij hen loopt.
Ze ziet me.
Het is een tamelijk jonge vrouw, en wanneer ze mijn boze blik opvangt knielt ze vlug neer en grijpt de jongen vast. Ze geeft hem iets, zegt wat en loopt meteen de andere kant op.
‘Het is de volgende kaart,’ zeg ik tegen Audrey, en ik ga ervandoor. Ik ren harder dan ik ooit in mijn leven gedaan heb.
Wanneer ik aankom bij het jongetje en de hond blijf ik staan en wordt mijn vermoeden bevestigd. Het jongetje houdt een speelkaart in zijn hand, maar ik kan van hieruit niet zien welke kleur. Ik ren verder, de jonge vrouw achterna. Ze is verdwenen in de menigte maar ik blijf rennen omdat ik het zeker weet. Ik weet honderd procent zeker dat ik iemand achtervolg die in ieder geval weet wie hier achter zit.
Maar ze is weg.
Ze is verdwenen, en ik blijf aan de kant staan, helemaal buiten adem.
Ik zou kunnen blijven rennen, maar het heeft geen zin. Ze is weg en ik moet terug naar de kaart. Voor hetzelfde geld staat dat jochie hem nu in stukjes te scheuren.
Godzijdank heeft hij hem nog steeds vast wanneer ik terugkom. Heel stevig. Hij ziet eruit alsof hij hem niet zomaar zal afstaan.
En wat blijkt, ik heb het helemaal bij het rechte eind.
“Nee,’ zegt hij.
‘Hoor eens even.’ Het laatste waar ik zin in heb is gehakketak met dit joch. ‘Geef me nou maar gewoon die kaart.’
‘Nee!’ Het jongetje doet zijn best erbij te huilen.
‘Goed dan, wat zei die vrouw tegen je?’
‘Ze zei’ – hij wrijft zijn ogen droog – ‘dat de kaart van de eigenaar van deze hond is.’
‘Nou, dat ben ik toch,’ zeg ik.
‘Nee – hij is van mij. De hond is van mij!’
Geef mij maar Daryl, Keith en nog een pak rammel, denk ik. Alles liever dan dit joch.
‘Goed dan.’ Ik gooi het over een andere boeg. ‘Tien dollar voor de hond en de kaart.’
De jongen is niet op zijn achterhoofd gevallen. ‘Twintig.’
Ik ben geïrriteerd, op zijn zachtst gezegd, maar ik vraag Audrey om een briefje van twintig en ze geeft het me. ‘Je krijgt het van me terug,’ zeg ik tegen haar.
‘Geen probleem.’
Ik geef hem het twintigje en hij geeft mij de Portier en de kaart.
‘Prettig zakendoen met u.’ Het joch zwelgt in zijn overwinning.
Ik kan hem wel wurgen.
Het is niet wat ik had verwacht.
‘Schoppen,’ zeg ik tegen Audrey.
Ze staat zo dichtbij dat haar haar mijn schouder raakt. De Portier staat op mijn voet.
‘En jij,’ zeg ik beschuldigend tegen hem. ‘Jíj blijft de volgende keer zitten waar je zit.’
Oké, oké, antwoordt hij, en hij krijgt ineens een hoestbui.
En ja hoor, daar vliegt een stuk drop zijn mond uit, en hij kijkt me schuldig aan.
‘Dat krijg je er nou van.’ Ik wijs gemeen naar hem. Hij doet zijn best me te negeren.
‘Gaat het wel met hem?’ vraagt Audrey terwijl we weglopen.
‘Tuurlijk,’ antwoord ik. ‘Die wordt ouder dan ik, die luie vreetzak.’ Maar diep vanbinnen glimlach ik.