De kus, het graf, het vuur
Ik heb alles gekocht wat ik moest kopen. Meer alcohol dan eten, uiter aard, en tegen de tijd dat iedereen er is om kerstavond te vieren ruikt mijn huis naar kalkoen, koolsla en, natuurlijk, de Portier. Heel even moet hij het afleggen tegen de kalkoen, maar uiteindelijk kan niets op tegen de geur van die hond.
De eerste die komt opdagen is Audrey.
Ze heeft een fles drank bij zich en wat zelfgebakken koekjes.
‘Sorry, Ed,’ zegt ze als ze binnenkomt. ‘Ik kan niet al te lang blijven.’ Ze geeft me een kus op mijn wang. ‘Simon gaat iets met zijn vrienden doen en hij wil graag dat ik meega.’
‘Wil jíj mee?’ vraag ik, maar ik weet dat het antwoord ja is. Waarom zou je überhaupt een avondje met drie volstrekt kansloze gasten en een smerige hond doorbrengen? Ze zou wel gek zijn om bij ons te blijven.
Audrey geeft antwoord. ‘Natuurlijk. Je weet toch dat ik nooit iets zou doen waar ik geen zin in heb.’
‘Dat is waar,’ antwoord ik. En dat is het ook.
We beginnen met drinken, en de volgende die binnenkomt is Ritchie. We horen zijn motor al vanaf het begin van de straat aankomen, en wanneer hij hem neerzet roept hij dat we de deur voor hem open moeten maken. Hij heeft een grote koelbox bij zich, vol garnalen, zalm en citroenpartjes.
‘Niet slecht, toch?’ Hij zet hem neer. ‘Het minste wat ik kon doen.’
‘Hoe heb je dat hier gekregen?’ vraag ik.
‘Wat?’
‘Die koelbox? Met de motor?’
‘O, ik heb hem achterop gebonden. Ik heb de hele weg zo ongeveer rechtop gestaan. De koelbox nam de helft van mijn zadel in beslag.’ Ritchie geeft ons een vette knipoog. ‘Maar het was het helemaal waard, hoor.’ De inhoud van die koelbox heeft hem waarschijnlijk zijn halve uitkering gekost.
Nu is het alleen nog een kwestie van wachten.
Op Marv.
‘Wedden dat-ie niet komt opdagen,’ zegt Ritchie zodra hij eenmaal zit. Hij gaat met zijn hand over zijn stoppelige baardharen en zijn vale haar is vetter en warriger dan ooit. De uitdrukking is er voornamelijk een van geamuseerdheid. Hij heeft zich hierop verheugd. Terwijl hij op de bank zit en een biertje drinkt, gebruikt hij de Portier als voetenbankje. Hij is lui en slungelig, Ritchie, zoals hij daar ligt met zijn voeten omhoog. Ergens heeft hij wel iets elegants.
‘O, die komt heus wel, hoor,’ bevestig ik. ‘En zo niet, dan sleep ik de Portier eigenhandig naar zijn voordeur en dwing hem om hem daar te kussen.’ Ik zet mijn glas neer. ‘Ik heb al jaren niet meer zo’n zin in Kerstmis gehad.’
‘Ik ook niet,’ antwoordt Ritchie. Hij kan haast niet wachten.
‘Plus, het is een gratis maaltijd,’ vervolg ik. ‘Marv heeft dan misschien wel veertigduizend dollar op de bank staan, maar een rondje klaplopen kan-ie niet weerstaan. Geloof mij maar. Die komt.’
‘De krent,’ zegt Ritchie instemmend. Dit is wat je noemt de kerstgedachte in optima forma.
‘Moeten we hem bellen?’ stelt Audrey voor.
‘Nee. Laat hem maar naar ons toekomen,’ zegt Ritchie gniffelend, en ik voel het. Dit gaat helemaal geweldig worden. Hij kijkt naar de hond en zegt: ‘Sta je al te popelen voor de grote gebeurtenis, Portier?’ De Portier kijkt op, alsof hij wil zeggen: Man, wat ben je in hemelsnaam van plan? Niemand heeft hem ingelicht over wat er vanavond te gebeuren staat. Het arme beest. Niemand heeft gevraagd of híj het wel goedvond.
Eindelijk komt Marv binnen, met lege handen.
‘Vrolijk kerstfeest,’ zegt hij.
‘Ja, ja,’ zeg ik. ‘Jij ook.’ Nu wijs ik naar zijn lege handen. ‘Wow, lekker gul vanavond, hè?’
Maar ik weet hoe Marv redeneert.
Hij heeft bedacht dat het feit dat hij de Portier moet kussen, meer dan voldoende bijdrage is voor dit jaar. Ik heb ook in de gaten dat hij stiekem hoopt dat we het allemaal zijn vergeten.
Ritchie maakt daar meteen korte metten mee.
Hij gaat staan en zegt: ‘En, Marv?’ Hij grijnst.
‘En wat?’
‘Dat weet je best,’ valt Audrey hem bij.
‘Nee,’ houdt Marv vol. ‘Dat weet ik niet.’
‘Niet gaan lopen dollen nou.’ Ritchie is onverbiddelijk. ‘Jij weet het. Wij weten het.’ Hij heeft echt de grootste lol. Ik verwacht bijna dat hij zo in zijn handen gaat staan wrijven. ‘Marv,’ kondigt hij aan. ‘Jij gaat deze hond kussen.’
Hij gebaart naar de Portier. ‘En wanneer je hem zoent, zul je ervan genieten ook. Je zult een verdomd grote glimlach op je gezicht hebben, anders laten we je het gewoon nog een keer doen, en nog een keer, en…’
‘Goed dan!’ snauwt Marv. Hij doet me denken aan een klein jongetje dat zijn zin niet krijgt. ‘Op zijn voorhoofd, toch?’
‘O nee,’ verzekert Ritchie hem. Hij geniet van iedere minuut. ‘Volgens mij was de afspraak dat je hem vol op de mond zou zoenen, en dat is dan ook precies’ – hij wijst naar Marv – ‘waar je het gaat doen.’
De Portier kijkt op.
Hij ziet er ongemakkelijk uit omdat we allemaal naar hem kijken.
‘Arme jongen,’ zegt Ritchie.
Marv trekt een pruillip. ‘Inderdaad.’
‘Jij niet,’ beweert Ritchie. ‘Hij!’ En hij knikt met zijn hoofd naar de hond.
‘Oké,’ zegt Audrey. ‘Aan de slag nu.’ Ze overhandigt me mijn camera. ‘Daar ga je, Marv. Hij is helemaal van jou.’
Met het gewicht van de hele wereld op zijn schouders bukt Marv vol afschuw en zet zich er uiteindelijk toe om vlak bij de snuit van de Portier te gaan zitten. De Portier ziet eruit alsof hij elk moment in huilen kan uitbarsten van de zenuwen – met zijn zwart met goudkleurige vacht en waterige ogen.
‘Moet die tong echt zo naar buiten hangen?’ vraagt Marv aan mij.
‘Het is een hond,’ zeg ik. ‘Wat wil je nou?’
Zwaar ontstemd, doet Marv het uiteindelijk. Hij buigt naar voren en zoent de Portier op zijn snuit, precies lang genoeg zodat ik een foto kan nemen en Audrey en Ritchie kunnen juichen, klappen en in een deuk liggen.
‘Nou, was dat nou zo moeilijk?’ zegt Ritchie, maar Marv is linea recta naar de badkamer gerend.
Arme Portier.
Ik geef hem zelf een zoen, op zijn voorhoofd, met een lekker stukje kalkoen erbij.
Bedankt, Ed. Hij glimlacht.
De Portier heeft een leuke lach.
Het lukt ons om Marv even later weer een beetje aan het lachen te krijgen, hoewel hij blijft klagen over het feit dat hij de Portier nog op zijn lippen proeft.
We eten en drinken en spelen wat potjes kaart tot het vriendje na een klopje op de deur binnenkomt. Hij drinkt even wat met ons en eet een paar garnalen. Het is een aardige jongen, besluit ik, maar ik kan zo al zien dat Audrey niet verliefd op hem is.
Maar dat is waarschijnlijk het hele idee.
Wanneer Audrey weg is, besluiten we om niet bij de pakken neer te gaan zitten. Ritchie, Marv en ik eten nog wat, drinken nog wat en gaan dan de stad in. Er is een groot vreugdevuur dat het begin van Main Street in lichterlaaie zet, en daar lopen we naartoe.
In het begin is het nog moeilijk om recht te lopen, maar eenmaal daar aangekomen zijn we allemaal weer redelijk nuchter.
Het is een leuke avond.
Dansende mensen.
Hard gepraat.
Wat mensen die ruziemaken.
Zo gaat het altijd met Kerstmis. Alle opgekropte spanningen van een heel jaar komen er in één keer uit.
Bij het vuur zie ik Angie Carusso met haar kinderen, of liever gezegd, zij komen naar mij toe.
Ik voel een tikje op mijn been en wanneer ik omlaag kijk zie ik een van haar zoontjes. Degene die altijd loopt te huilen.
‘Hé, meneer?’ zegt hij.
Wanneer ik me omdraai zie ik Angie Carusso met een ijsje in haar hand. Ze biedt het me aan en zegt: ‘Vrolijk kerstfeest, Ed.’ Ik neem het aan.
‘Dankjewel,’ zeg ik. ‘Precies wat ik op dit moment kan gebruiken.’
‘Zoiets kunnen we allemaal wel eens gebruiken.’ Het is duidelijk dat ze het heel fijn vindt dat ze iets terug kan doen.
Ik neem een hapje en vraag: ‘Hoe gaat het, Angie?’
‘Ach…’ Ze kijkt naar haar kinderen en dan weer naar mij. ‘We redden het, Ed. Soms is dat voldoende.’ Ze herinnert zich iets. ‘Nog bedankt voor de kaart, trouwens.’ Langzaam loopt Angie weer verder.
‘Graag gedaan,’ roep ik haar achterna. ‘Geniet van de avond.’
‘Geniet van het ijsje,’ antwoordt ze. Ze loopt langs het vuur.
‘Wat had dat te betekenen?’ vraagt Marv.
‘Gewoon een meisje dat ik ken.’
Ik heb nog nooit een ijsje voor kerst gekregen.
Terwijl ik naar het vuur sta te kijken, laat ik de zoete koelte ervan over mijn lippen sijpelen.
Achter me hoor ik een vader tegen zijn zoon praten.
‘Als je dat nog één keer doet,’ zegt hij, ‘dan geef ik je zo’n ongelofelijke rotschop dat je in het vuur belandt.’ Zijn stem klinkt nu ineens spottend vriendelijk. ‘En dat wil je toch zeker niet? Dat zal de Kerstman niet echt leuk vinden, of wel? Ik denk het niet, hoor.’
Marv, Ritchie en ik staan allemaal geamuseerd te luisteren.
‘Aaaah,’ verzucht Ritchie gelukzalig. ‘Dit is toch waar het allemaal om draait met Kerstmis.’
We hebben dat soort teksten allemaal wel eens van onze vaders te horen gekregen. Op zijn minst wel één keer.
Ik moet denken aan mijn eigen vader, dood en begraven. Mijn eerste kerst zonder hem.
‘Vrolijk kerstfeest, pa,’ zeg ik en zorg ervoor dat ik niet in het vuur kijk.
Het ijsje smelt in mijn handen.
Terwijl de nacht langzaam overgaat in eerste kerstdag, verliezen Marv, Ritchie en ik elkaar uit het oog. Het is een grote menigte en zodra we elkaar kwijt zijn, is het afgelopen.
Ik wandel terug door het centrum en ga langs bij het graf van mijn vader, waar ik lang blijf zitten. Vanaf het kerkhof kan ik een flauwe gloed van het vuur zien, en ik zit daar te kijken naar de grafsteen met de naam van mijn vader erop.
Ik heb gehuild op zijn begrafenis.
Ik liet de tranen in complete stilte over mijn gezicht stromen, en voelde me schuldig omdat ik niet eens de moed kon opbrengen om iets over hem te zeggen. Ik wist dat iedereen die daar aanwezig was alleen maar dacht aan wat voor zuiplap hij was, terwijl ik me de andere dingen ook herinnerde.
‘Hij was een gentleman,’ fluister ik nu.
Had ik dat maar kunnen zeggen die dag, denk ik, want mijn vader sprak nooit kwaad over wie dan ook en was nooit gemeen tegen mensen. Inderdaad, hij heeft nooit veel bereikt, en hij heeft mijn moeder teleurgesteld door zijn beloften niet na te komen, maar ik vind niet datie het verdiend had om die dag door iedereen in zijn familie doodgezwegen te worden.
‘Het spijt me,’ zeg ik nu tegen hem terwijl ik opsta om weg te gaan. ‘Het spijt me zo, pa.’
Ik loop weg, bang.
Bang, omdat ik niet wil dat mijn eigen begrafenis zo troosteloos en leeg zal zijn.
Ik wil woorden op mijn begrafenis.
Maar waarschijnlijk moet je dan wel leven hebben in je leven.
Ben aan het lopen nu.
Gewoon aan het lopen.
Wanneer ik thuiskom zie ik Marv, die ligt te slapen op de achterbank van zijn auto en Ritchie, die op mijn veranda zit. Hij heeft zijn benen uitgestrekt, en hij leunt tegen het beton aan. Wanneer ik iets beter kijk, zie ik dat Ritchie ook slaapt. Ik trek aan zijn mouw.
‘Ritchie,’ fluister ik. ‘Wakker worden.’
Zijn ogen schieten open.
‘Wat?’ vraagt hij, bijna in paniek. ‘Wat?’
‘Je ligt op mijn veranda te slapen,’ zeg ik tegen hem. ‘Je kunt denk ik beter naar huis gaan.’
Nu schudt hij zichzelf wakker, kijkt naar de halvemaan en zegt: ‘Ik heb mijn sleutels op je keukentafel laten liggen.’
‘Kom.’ Ik laat mijn hand zakken, hij pakt hem en ik help hem overeind.
Eenmaal binnen zie ik dat het iets na drieën is.
Ritchie’s vingers krullen zich om de sleutels.
‘Wil je nog wat hebben?’ vraag ik. ‘Iets drinken, eten, koffie?’
‘Nee, bedankt.’
Maar hij gaat ook niet weg.
Heel even staan we daar wat ongemakkelijk, tot Ritchie uiteindelijk vlak langs me heen kijkt en zegt: ‘Ik wil vanavond eigenlijk liever niet naar huis, Ed.’
Heel even vang ik een glimp van droefheid in zijn ogen op, die Ritchie echter meteen weer laat verdwijnen. Hij kijkt nu alleen nog naar zijn sleutels, en ik vraag me af wat er zich achter die koele, kalme buitenkant van mijn vriend allemaal afspeelt. Vermoeid vraag ik me af wat een relaxed iemand als Ritchie nou zou kunnen dwarszitten.
Zijn ogen draaien zich weer langzaam naar de mijne.
‘Tuurlijk,’ zeg ik. ‘Blijf vannacht gerust hier.’
Ritchie gaat aan tafel zitten.
‘Bedankt, Ed,’ zegt hij. ‘Ha, Portier.’
De Portier komt de keuken binnenlopen terwijl ik naar buiten ga om Marv te halen.
Heel even overweeg ik om hem in zijn auto te laten liggen, maar het kerstgevoel weet zelfs iemand als ik eronder te krijgen.
Ik wil op het raampje kloppen, maar mijn hand gaat er dwars doorheen.
O ja.
Er was geen raam.
Marv heeft het nog steeds niet laten maken sinds die knullige bankoverval. Ik geloof dat hij wel een prijsopgave heeft gevraagd, maar toen werd hem verteld dat het raam meer zou gaan kosten dan de hele auto bij elkaar.
Hij ligt met zijn hoofd op zijn handen te slapen, terwijl de muggen vechten om zijn bloed.
De voordeur zit niet op slot, dus doe ik hem open en druk kort op de claxon.
‘Jezus!’ roept Marv uit.
‘Kom naar binnen,’ zeg ik tegen hem. Niet lang daarna hoor ik achter me de autodeur opengaan en weer dichtslaan, gevolgd door het geschuifel van zijn voeten.
Ritchie krijgt de bank, Marv neemt mijn bed en ik besluit om in de keuken te blijven. Ik zeg tegen Marv dat ik sowieso niet kan slapen, en hij accepteert het bed hoffelijk.
‘Bedankt, Ed.’
Voor hij naar binnen gaat zie ik mijn kans schoon, loop de kamer in en haal alle kaarten uit de la naast mijn bed. De Tatupu-steen ligt er ook.
In de keuken neem ik ze door, lees ze allemaal nog eens, ook al draaien en dansen de woorden voor mijn ogen van de vermoeidheid. Ik voel me afgemat.
In de wakkere momenten denk ik aan de Ruiten, beleef de Klaveren helemaal opnieuw en glimlach zelfs over de Schoppen.
Ik lig te piekeren over de Harten.
Ik wil niet in slaap vallen omdat ik er dan misschien wel over droom.