Naar elkaar
Morgen is het zover.
Zodra ik binnen ben, trek ik me terug in de woonkamer en ga daar op de bank zitten, totaal uitgeput. Nog geen vijf minuten later belt Marv en zegt het. Zonder hallo te zeggen.
‘Morgen gaan we.’
‘Uurtje of zes?’
‘Ik kom je wel ophalen.’
‘Nee,’ zeg ik. ‘Ik breng je wel met de taxi.’
‘Goed idee. Als ik helemaal in elkaar word geslagen, is het misschien wel handig om een auto te hebben die meteen start.’
De volgende dag is het zover en rijden we om zes uur bij mij weg, zodat we rond zeven uur in Auburn zijn. Het is druk op de weg.
‘Hopelijk is dat verrekte kind nog wakker,’ denk ik hardop.
Marv geeft geen antwoord.
Wanneer ik parkeer bij Cabramatta Road 17, ontgaat het me niet dat het precies hetzelfde soort rattenhol is als dat waar de Boyds eerst in woonden. We staan aan de overkant, helemaal in boodschapperstijl.
Marv kijkt op de klok.
‘Om vijf over zeven ga ik naar binnen.’
19.05 u. komt en gaat.
‘Oké. Tien over.’
‘Neem de tijd, Marv.’
Om 19.46 u. stapt Marv de auto uit en blijft daar staan.
‘Succes,’ zeg ik. God, ik kan zijn hartslag helemaal in de taxi horen. Het valt nog mee dat die arme jongen er niet door wordt neergebeukt.
Hij blijft staan. Drie minuten.
Hij steekt de weg over. Twee pogingen.
De tuin is een ander verhaal. Eerste poging al – tot mijn verrassing.
Dan, de grote stap.
Véértien pogingen om aan te kloppen. Wanneer ik eindelijk zijn knokkels tegen het hout hoor, klinkt het alsof ze gekneusd worden.
De deur gaat open en Marv staat daar in zijn spijkerbroek, nette overhemd, laarzen. Er worden wat woorden gewisseld die ik uiteraard niet kan verstaan. Ik zit met mijn hoofd nog veel te veel bij Marvs hartslag en het kloppen op de deur.
Hij gaat naar binnen, en nu is het míjn hart dat ik hoor. Dit zou wel eens het langste wachten uit mijn leven kunnen worden, denk ik. Ik heb het mis.
Ongeveer dertig seconden later komt Marv achterwaarts de deur uitgesneld. Met een noodvaart. De voordeur uit en de tuin in. Henry Boyd, Suzannes vader, geeft Marv een pak rammel dat hem nog lang zal heugen. Er loopt een straaltje bloed van Marv naar het gras. Ik kom de taxi uit.
Om je even een idee te geven: Henry Boyd is niet groot, maar wel sterk.
Hij is klein maar zwaar.
En hij heeft wilskracht. Hij is een soort Edgar Street-boodschap in zakformaat. Daarnaast is hij nuchter, en heb ik geen wapen bij me.
Terwijl ik oversteek, ligt Marv languit in de voortuin, als bevroren.
Hij wordt getrapt.
Door woorden.
Hij wordt beschoten.
Door de priemende vinger van Henry Boyd.
‘En nou oprotten, verdomme!’
De kleine, gedrongen man staat over Marv heen gebogen en begint nu in zijn handen te wrijven.
‘Meneer,’ hoor ik Marv smekend zeggen. Alleen zijn lippen bewegen. Verder niets. Hij praat tegen de lucht. ‘Ik heb bijna vijftigduizend…’
Maar Henry Boyd heeft geen interesse. Hij komt dichterbij zodat hij zich helemaal over hem heen kan buigen.
Er begint een kind te huilen. Buren verzamelen zich op straat. Ze zijn speciaal voor het spektakel naar buiten gekomen. Henry draait zich even om en roept dat ze weer naar binnen moeten met hun dikke vette Turkse reten. Zijn woorden, niet de mijne.
‘En jij!’ Hij begint Marv weer toe te takelen met zijn stem. ‘Waag het niet om je hier ooit, ooit nog te vertonen, begrepen?’
Ik loop naar Marv toe en hurk naast hem neer. Zijn bovenlip is flink opgezwollen en druipt van het bloed. Hij lijkt niet echt bij bewustzijn of zo.
‘En wie ben jij dan wel, verdomme?’
Shit, denk ik, nogal nerveus, volgens mij heeft-ie het tegen mij. Snel geef ik antwoord. Heel respectvol. ‘Ik raap alleen even mijn vriend op uit uw voortuin.’
‘Goed idee.’
Nu zie ik Suzanne. Ze houdt het handje van een klein kind vast en staat bij de deur. Een meisje. Je hebt een dochtertje! wil ik naar Marv roepen, maar ik houd wijselijk mijn mond.
Ik knik naar haar, naar Suzanne.
‘Naar binnen, Suzie!’
Ze knikt terug.
‘Nu!’
Het kind zet het weer op een huilen.
Ze is weg, en ik help Marv met opstaan. Er zit een verdwaalde druppel bloed op zijn overhemd.
Henry Boyd heeft inmiddels tranen in zijn ogen van woede. Ze prikken. ‘Die klootzak heeft mijn hele familie te schande gemaakt.’
‘Uw dochter anders ook.’ Ik kan niet geloven wat ik mijn eigen mond hoor uitkomen.
‘Maak jij nou maar dat je wegkomt, jongen, anders gaan jullie als een tweeling naar huis.’
Fijn.
Op dat moment vraag ik Marv of hij in staat is om zelf te staan. Dat lukt hem, en ik loop op Henry Boyd af. Ik denk niet dat hij dat vaak heeft meegemaakt. Hij is klein maar ziet er van dichtbij nog sterker uit. Inmiddels is hij met stomheid geslagen.
Ik kijk hem respectvol aan.
‘Dat lijkt me een prachtig kindje daar,’ zeg ik. Er zit geen enkele trilling in mijn stem. Dat verrast me, en geeft me de moed om door te gaan. ‘Is ze dat ook, meneer?’
Hij heeft het moeilijk. Ik weet wat er in hem omgaat. Hij wil me wurgen maar ruikt ook het vreemde zelfvertrouwen waardoor alles wat ik zeg aanvaardbaar klinkt. Uiteindelijk geeft hij antwoord. Hij heeft bakkebaarden. Die bewegen een beetje voordat hij iets zegt. ‘Dat kun je verdomme wel stellen, ja.’
Nu wijs ik naar Marv terwijl ik zo recht mogelijk voor meneer Boyd blijf staan. Zijn armen hangen. Ze zijn kort en gespierd. Ik zeg: ‘Misschien heeft hij u wel te schande gemaakt, en ik weet dat u om die reden de stad uit bent gegaan.’ Opnieuw kijk ik naar Marvs licht bebloede gestalte. ‘Maar wat hij zojuist heeft opgebracht door u onder ogen te komen – dat was puur respect. Fatsoenlijker of waardiger dan dat kun je als mens niet worden.’ Marv huivert en proeft wat van zijn eigen bloed. ‘Hij wist dat dit zou gebeuren, en toch is hij er.’ Nu lukt het me om mijn ogen in de zijne te laten doordringen. ‘Zou u in zijn plaats hetzelfde hebben gedaan? Zou u uzelf onder ogen hebben durven komen?’
De stem van de man klinkt zachtjes nu.
‘Alsjeblieft,’ smeekt hij. Ik realiseer me dat ik ineens een enorm medelijden voor deze man ben gaan voelen. Hij heeft veel te verduren gehad. ‘Ga, alsjeblieft.’
Dat doe ik niet.
Ik blijf nog een paar seconden langer in hem hangen met de woorden: Denk daar maar eens over na.
Eenmaal bij de auto, besef ik dat ik alleen ben.
Ik ben alleen omdat er een jongeman is met een mond onder het bloed die nog een paar stappen extra heeft gezet. Hij is naar voren gelopen, richting het huis. Het meisje met wie hij altijd naar het veld ging en het deed tot de zon opkwam staat op de veranda.
Ze staren, naar elkaar.