Verandacycloon

Image

De serveerster neemt mijn gehaktballen weer mee en brengt me de lasagne voor de Portier in een goedkoop plastic bakje. Ik denk dat hij die wel zal kunnen waarderen.

Terwijl ik naar de kassa sluip om te betalen, kijk ik nog even achterom naar ma en doe mijn best om niet gezien te worden, maar ze gaat volledig op in die man. Ze zit zo aandachtig naar hem te staren en te luisteren dat ik niet eens meer probeer om uit haar zicht te blijven. Ik betaal en ga ervandoor, maar niet naar huis. Ik loop naar ma’s huis, waar ik op de veranda ga zitten wachten.

Het ruikt naar mijn jeugd, dit huis. Ik kan het zelfs onder de deur door ruiken, terwijl ik hier op het koele cement zit.

De hemel is bezaaid met sterren en wanneer ik ga liggen en naar boven kijk, verdwaal ik er helemaal in. Het lijkt wel of ik val, maar dan naar boven, in de poel van de nacht.

Dan voel ik iemands voet tegen mijn been porren.

Ik word wakker en zoek het gezicht dat erbij hoort.

‘Wat doe jij hier?’ zegt ze.

Dat is nou typisch ma.

Altijd even hartelijk.

Ik ga op een elleboog liggen en besluit om niet om de hete brij heen te draaien. ‘Ik kwam je vragen of je het leuk hebt gehad bij Melusso’s.’

De verrassing valt van haar gezicht af, hoewel ze hem daar uit alle macht probeert vast te houden. Hij breekt af en ze lijkt hem te vangen en er zenuwachtig met haar handen aan te friemelen. ‘Het was erg leuk,’ zegt ze maar ik merk dat ze tijd probeert te rekken om te bedenken wat ze moet zeggen. ‘Een vrouw moet ook leven.’

Inmiddels zit ik rechtovereind. ‘Daar valt wat voor te zeggen.’

Ze haalt haar schouders op. ‘Is dat de enige reden dat je hier bent – voor een kruisverhoor over het feit dat ik met een man uit eten ben geweest? Ik heb ook zo mijn behoeften, hoor.’

Behoeften.

Moet je haar nou horen.

Ze loopt langs me heen naar de deur en steekt de sleutel in het slot. ‘Het spijt me, Ed, maar ik ben ontzettend moe.’

Nu.

Het moment.

Ik sta op het punt om in te binden, maar vanavond houd ik stand. Ik weet maar al te goed dat deze vrouw mij, als enige van al haar kinderen, niet binnenvraagt in een situatie als deze. Als mijn zussen hier zouden zijn, zou ze nu allang koffiezetten. Als het Tommy was, zou ze hem vragen hoe het op de universiteit ging, en hem een colaatje of een stuk taart aanbieden.

Maar mij, Ed Kennedy, evenzogoed haar kind, loopt ze voorbij en ze weigert elke vorm van vriendelijkheid, laat staan een uitnodiging om binnen te komen. Liet ze nou maar voor één keer een klein beetje welwillendheid zien.

De deur zit al bijna dicht wanneer ik hem met mijn hand tegenhoud. Het geluid van een klap in een gezicht.

Ze zet grote ogen op terwijl ik haar aankijk.

Ik praat, op harde toon.

‘Ma?’ vraag ik.

‘Wat?’

‘Waarom heb je zo’n hekel aan mij?’

En nu kijkt ze me aan, deze vrouw, terwijl ik erop let dat mijn ogen me niet verraden.

Uiteindelijk geeft ze gewoon antwoord.

‘Omdat, Ed – je me aan hem doet denken.’

Hem?

Het kwartje valt.

Hem – mijn vader.

Ze gaat naar binnen en de deur knalt dicht.

Ik heb een man naar de Kathedraal moeten brengen om te proberen hem te vermoorden. Er hebben huurmoordenaars in mijn keuken pasteitjes zitten eten en me in elkaar geslagen. Ik ben besprongen door een groep puberboefjes.

Maar op dit moment heb ik het zwaarder dan ooit.

Terwijl ik daar sta.

Gekwetst.

Op mijn moeders veranda.

De hemel breekt nu open, en valt uiteen.

Ik wil met mijn vuisten en voeten op de deur timmeren.

Ik doe het niet.

Wat ik wel doe is op mijn knieën neervallen, geveld door de woorden die zo’n klap in mijn gezicht waren. Ik probeer er nog een positieve draai aan te geven omdat ik van mijn vader hield. Los van zijn alcoholisme geloof ik niet dat het alleen maar negatief kan zijn om op hem te lijken.

Waarom voel ik me dan zo verschrikkelijk?

Ik beweeg me niet.

Ik zweer zelfs om pas weg te gaan van deze armzalige veranda wanneer ik de antwoorden heb gekregen waar ik recht op heb. Als het moet blijf ik hier slapen en wacht ik morgen de hele dag in de brandende hitte. Ik sta weer op en roep.

‘Ik ga niet weg, ma!’ Nog een keer. ‘Hoor je wat ik zeg? Ik ga niet weg.’

Na een kwartier gaat de deur weer open, maar ik kijk haar niet aan. Ik draai me om en praat tegen de straat terwijl ik zeg: ‘Je bent tegen iedereen zo ontzettend aardig – Leigh, Kath en Tommy. Het lijkt wel of…’ Maar nu moet ik niet zwak worden. Ik neem de tijd. ‘Maar tegen mij doe je totaal respectloos, en ik ben degene die er altijd voor je is.’ Nu draai ik me om en kijk haar aan. ‘Ik ben degene die er altijd voor je is wanneer je iets nodig hebt – en elke keer doe ik het ook, of niet soms?’

Ze is het met me eens. ‘Ja, Ed,’ maar dan volgt de kritiek. Ze overvalt me met haar eigen versie van de waarheid. De woorden snijden zo hard door mijn oren dat ik denk dat het bloed er elk moment uit kan komen gutsen. ‘Ja, jij bent er – en dat is precies het hele probleem!’ Ze strekt haar armen naar voren. ‘Moet je dit krot nou eens zien. Dit huis, dit stadje, alles.’ De stem klinkt donker. ‘En je vader – die beloofde me altijd dat we hier op een dag weg zouden gaan. Hij zei dat we gewoon onze biezen zouden pakken en moet je ons nou zien, Ed. Nog steeds hier. Ik ben hier. Jíj bent hier, en net als je pa heb je van alles in je mars, Ed, maar er komt niets uit. Jij’ – ze wijst venijnig naar me – ‘zou net zoveel kunnen bereiken als de rest. Net zoveel als Tommy zelfs… Maar je bent hier blijven zitten en over vijftig jaar zit je hier nog steeds.’ Ze klinkt zo kil. ‘Zonder ook maar iets bereikt te hebben.’

En stilte.

‘Ik wou gewoon maar dat je’ – verbreekt ze deze – ‘iets met je leven zou doen.’ Langzaam loopt ze naar de trap en zegt: ‘Je moet je één ding realiseren, Ed.’

‘Nou?’

Heel voorzichtig doet ze haar mededeling. ‘Geloof het of niet – er is een hoop liefde voor nodig om je zo hartgrondig te haten.’

Ik probeer het te begrijpen.

Ze staat nog steeds op de veranda wanneer ik naar de voortuin loop en me omdraai.

God, wat is het donker inmiddels.

Zo donker als Schoppen Aas.

‘Had je al wat met die man toen pa nog leefde?’ vraag ik haar.

Ze kijkt me aan, vol weerzin, en hoewel ze niks zegt, weet ik voldoende. Ik weet dat ze niet alleen mijn vader haat, maar ook zichzelf. Op dat moment besef ik dat ze het mis heeft.

Het heeft niks met de plek te maken, denk ik. Maar met de mensen.

Ergens anders zouden we allemaal precies hetzelfde zijn geweest.

Ik stel een laatste vraag.

‘Wist pa ervan?’

Lange stilte.

Een oorverdovende stilte, totdat mijn moeder zich omdraait en begint te huilen, en de avond is zo diep en donker dat ik me afvraag of de zon ooit weer zal opkomen.