Taxi’s, de hoer en Alice
Het is inmiddels avond en ik rijd de stad in. De gebouwen in de verte werpen een schaduw over de zonsondergang.
De avond is rustig, om na te denken.
De interessantste persoon die ik oppik is een vrouw die eruitziet als een prostituee en voorin gaat zitten. Haar lichaam is hard. Fysiek. Haar haar golft naar me toe en haar mond is mooi, ook al heeft ze lelijke tanden. Haar woorden klinken blond en lief. Ze sluit elke zin af met een koosnaampje.
‘Waarom zo’n lang gezicht, schatje?’
‘Zo ben ik nog nooit gereden, lieffie.’
In tegenstelling tot het stereotype is haar make-up heel smaakvol en licht. Ze kauwt geen kauwgum. Ze draagt zwarte kniehoge laarzen, een wit truitje waarin haar vormen mooi uitkomen en een donker jasje.
Houd je ogen op de weg, Ed.
‘Schat?’
Ik draai me naar haar toe.
‘Weet je nog waar we heen gaan, lieffie?’
Ik schraap mijn keel. ‘De Quay Grand?’
‘Inderdaad – ik moet er om tien uur zijn, goed, moppie?’
‘Tuurlijk.’ Ik kijk haar vriendelijk aan. Dit soort klanten vind ik altijd leuk.
Wanneer we er aankomen, staat er 11,65 op de meter maar ze geeft me vijftien en zegt dat het goed is zo. Ze leunt door het raam naar binnen. ‘Jij ziet er lief uit.’
Ik glimlach. ‘Dank je.’
‘Voor het geld of voor het compliment?’
‘Allebei.’
Nu steekt ze zelfs een hand naar binnen en zegt: ‘Ik heet Alice.’
Ik schud hem en houd hem vast. ‘Ze noemen me Sheeba, maar jij mag Alice zeggen, goed, schatje?’
‘Goed.’
‘En jij bent?’
‘O.’ Onwillig laat ik haar hand los en geef antwoord. Ze heeft vast mijn legitimatie op het dashboard niet gezien. ‘Ed. Ed Kennedy.’
Tot slot zegt ze nog een paar lieve woorden. ‘Goed, bedankt voor de lift, Ed. En maak je niet zoveel zorgen. Heb een beetje lol, goed, lieffie?’
‘Zal ik doen.’
Terwijl ze wegloopt stel ik me voor dat ze zich omdraait en zegt: ‘Zou je me morgenochtend weer kunnen oppikken, Ed?’
Maar dat doet ze niet.
Ze is weg.
Alice doesn’t live here anymore.
Terwijl ik blijf toekijken hoe ze naar de ingang van het hotel loopt, zit ik in de taxi, alleen.
Achter me toetert een auto geïrriteerd, en er brult een man uit het raam. ‘Gaan we nog wat doen, meneertje de taxichauffeur?’
Hij heeft gelijk. Ik ben waardeloos.
Ik rijd door de nacht en stel me voor hoe Alice in Sheeba verandert. Ik hoor haar stem en kan hem zelfs ruiken in de flauw verlichte hotelkamer die uitkijkt over de haven van Sydney.
‘Is dat lekker, schatje?’
‘O, lieffie…’
‘Ja, lekker ding, o ja, precies daar, schatje, ga zo door.’
Ik zie mezelf onder haar.
Hoe ze me een beurt geeft.
Ik voel haar.
Ken haar.
Proef haar mond van champagne.
Let niet op de lelijke tanden.
Doe gewoon mijn ogen dicht en proef haar.
Raak haar naakte huid aan.
Het truitje op de vloer.
Het jasje naast ons.
De laarzen vergeten – naast de deur neergesmeten.
Voel mezelf in haar.
‘Oh,’ zegt ze buiten adem, ‘Ed, oh, Ed.’ Ik verlies mezelf erin. ‘Oh, Ed…’
‘Rood!’ roept de kerel op de achterbank.
Ik ga hard op de rem staan.
‘Jezus, man!’
‘Sorry.’
Ik haal diep adem.
Het was lekker om de Klaveren Aas en Audrey even te vergeten, maar nu word ik weer met mijn neus op de feiten gedrukt. De stem van de man bracht de herinnering aan beide weer terug.
‘Nu is het groen, makker.’
‘Bedankt.’
Rijden.