Terugkeer naar Edgar Street

Images

Het voelt alsof de ochtenden in hun handen klappen.

Om me wakker te laten worden.

Iedere ochtend zie ik drie dingen op mijn netvlies.

Milla.

Sophie.

Edgar Street 45.

De eerste twee houden me bezig terwijl de zon opkomt. De derde kleedt me helemaal uit en laat de rillingen over mijn huid, vlees en botten lopen.

Ik breng elke avond laat door met het kijken naar herhalingen van Dukes of Hazzard. De grote dikke kerel zit altijd achter zijn bureau marshmallows te eten.

Hoe heette die gast ook alweer? vroeg ik me bij de eerste aflevering af. Toen verscheen Daisy in beeld en zei: ‘Alles kits, Boss Hogg?’

Boss Hogg.

Natuurlijk.

God, wat ziet Daisy er fantastisch uit in haar strakke spijkerbroek. Elke avond dat ik haar zie gaat mijn hart als een bezetene tekeer, maar ze verdwijnt altijd weer sneller dan ze in beeld kwam.

De Portier kijkt me telkens aan met een vuile blik.

‘Ik weet het,’ zeg ik.

Maar dan is ze er weer en ik kan het niet ontkennen: knappe vrouwen zijn de kwelling van mijn bestaan.

De avonden en de Dukes glijden voorbij.

Ik rijd in mijn taxi met een koppijn die me achterin zit op te wachten. Elke keer als ik me omdraai, zit-ie daar.

‘Bedankt, man,’ zeg ik. ‘Dat is dan zestien vijftig.’

‘Zéstien vijftig?’ zanikt de oude kerel in pak. Zijn woorden voelen als schuim in mijn hoofd, ze koken, borrelen omhoog en vallen weer.

‘Betaal nou maar gewoon.’ Ik heb hier vandaag echt even het geduld niet voor. ‘De volgende keer moet je maar lopen als je het te duur vindt.’ Ik weet trouwens zeker dat-ie het op de rekening van zijn zaak zet.

Hij geeft me het geld en ik bedank hem. Was dat nou zo moeilijk? denk ik. Hij slaat de deur keihard achter zich dicht. Mijn hoofd had er net zo goed tussen kunnen zitten.

In zekere zin zit ik te wachten op een telefoontje met het bericht dat ik weer naar Edgar Street moet, en wel meteen. Ik wacht een paar avonden af, maar er gebeurt niks.

Op donderdagavond ga ik vroeg weg van het kaarten bij Audrey. Ik heb een verstikkend gevoel. Dat dwingt me op te staan en te vertrekken, haast zonder een woord te zeggen. Het is zover, en ik weet dat ik bij het huis aan het eind van Edgar Street moet zijn – een huis dat overeind wordt gehouden door het geweld dat zich daar bijna iedere avond voordoet.

Terwijl ik die kant oploop, realiseer ik me dat ik de pas erin heb gezet. Ik heb het succes gehad waarvan ik wist dat ik het nodig had.

Milla en Sophie.

Nu moet ik dit onder ogen zien.

Ik sla af bij Edgar Street en bal mijn handen in mijn jaszakken tot vuisten. Ik check even of er niemand naar me kijkt. Bij Milla en Sophie voelde ik me altijd op mijn gemak. Zij waren de leuken. Er kwam zo goed als geen risico bij kijken, heel anders dan hier, waar alle antwoorden even pijnlijk lijken te zijn. Voor de vrouw en het meisje en de man. En voor mezelf.

Ik wacht en haal een stukje kauwgom uit mijn zak en stop het in mijn mond. Het smaakt naar ziekte, naar angst.

Het gevoel wordt erger wanneer de man de weg oversteekt en de trap van de veranda oploopt. Op dat moment komt de stilte dichterbij. Die grijpt me vast en duwt me opzij.

Het gebeurt.

Het geweld doet zijn intrede. Het steekt zijn vingers overal in en scheurt alles open. Alles valt uit elkaar, en ik veracht mezelf omdat ik zo lang heb gewacht om er een einde aan te maken. Ik walg van mezelf omdat ik avond na avond voor de makkelijke dingen heb gekozen. Er wordt een haat in me aangewakkerd die in me tekeergaat. Die inhakt op mijn ziel en deze op zijn knieën laat neervallen, naast mijzelf. Mijn ziel zit te proesten en te stikken terwijl ik overweldigd word door mijn eigen zelfhaat.

De deur, zeg ik tegen mezelf. Ga naar de deur – die staat open.

Maar ik verroer me niet.

Ik verroer me niet, omdat mijn lafheid me onder de voet loopt, ook al probeer ik mijn ziel weer van zijn knieën overeind te helpen. Maar hij blijft alleen maar in elkaar zakken. Hij wankelt, valt zijwaarts en raakt de aarde met een stille, verslagen plof. Hij kijkt omhoog naar de sterren. Sterren die de hele hemel bespikkelen.

Ga nou, zeg ik nog een keer tegen mezelf, en dit keer loop ik wel verder.

Alles trilt wanneer ik naar de veranda loop en bij de deur ga staan. Wolken beloeren me vanuit de verte, maar trekken zich terug. De wereld wil hier niets mee te maken hebben. Ik kan het haar niet kwalijk nemen.

Ik kan ze binnen horen.

Hij kan haar nu elk moment wakker maken.

Haar lastigvallen.

Dwars door haar heen gaan en tegelijkertijd negeren.

Hij gooit haar neer en neemt haar en rukt haar open. De spiraal van het bed onthult van alles – een jammerend, wanhopig geluid van inzakken en opveren, ook al willen de veren het niet. Weigeren is zinloos. Er kruipt wat gehuil door de deurpost waar ik sta. Het strompelt naar buiten door het gat in de deur en komt voor mijn voeten terecht.

Hoe kun je nou niet naar binnen gaan? vraag ik me af, maar toch blijf ik wachten.

De deur gaat een klein stukje verder open, en nu staat er iemand tegenover mij. Het meisje.

Het meisje staat voor me, ze steekt haar vuist in haar oog om de slaap eruit te wrijven. Ze draagt een gele pyjama met rode bootjes erop, en haar tenen krullen omhoog en wrijven tegen elkaar aan.

Ze kijkt me aan, maar zonder angst. Alles is beter dan waar ze vandaan komt.

Fluisterend vraagt ze: ‘Wie ben jij?’

‘Ik ben Ed,’ fluister ik terug.

‘Ik ben Angelina,’ zegt ze. ‘Kom jij ons redden?’ Ik zie een piepklein sprankje hoop in haar ogen verschijnen.

Ik ga op mijn hurken zitten zodat ik haar goed kan aankijken. Ik wil tegen haar zeggen dat dat klopt, maar er komt niks uit. Ik zie dat de stilte uit mijn mond de hoop die ze had verzameld, bijna vernietigd heeft. Hij is bijna verdwenen als ik eindelijk mijn mond opendoe. Ik kijk haar recht in de ogen en zeg: ‘Dat klopt, Angelina. Ik kom jullie redden.’

Ze komt dichterbij terwijl haar hoop opnieuw opflikkert. ‘Kun jij dat?’ vraagt ze verbaasd. ‘Echt waar?’ Zelfs een meisje van een jaar of acht heeft in de gaten dat het bijna onmogelijk is om haar te redden. Ze moet even dubbelchecken of ze me kan geloven.

‘Ik zal het proberen,’ zeg ik, en het meisje glimlacht. Ze glimlacht en omhelst me en zegt: ‘Bedankt, Ed.’ Ze draait zich om en wijst. Haar stem fluistert nog zachter: ‘Het is de eerste kamer rechts.’

Was het maar zo makkelijk.

‘Toe dan, Ed,’ zegt ze. ‘Daar zitten ze…’

Maar ik maak nog steeds geen aanstalten.

De angst heeft zich om mijn voeten geklemd en ik weet dat er niets is wat ik kan doen. Niet vanavond. Geen enkele avond, zo lijkt het wel. Als ik probeer in beweging te komen, zal ik erover struikelen.

Ik verwacht dat het meisje tegen me tekeer zal gaan. Iets zal zeggen als: ‘Maar je had het beloofd, Ed! Je had het belóófd!’ Maar ze zegt niks. Ik denk dat ze wel begrijpt hoe sterk haar vader fysiek is en hoe iel ik ben. Het enige wat ze doet, is weer naar me toe strompelen en me opnieuw omhelzen.

Het meisje probeert mijn jas in te kruipen wanneer het geluid uit de slaapkamer ons bereikt. Ze omhelst me zo stevig dat ik me afvraag hoe haar botten het houden. Wanneer ze me loslaat en wegloopt, zegt ze: ‘Bedankt dat je het ten minste hebt geprobeerd, Ed.’

Ik zeg niks terug omdat ik op dit moment alleen maar schaamte voel. Ik kijk naar haar voeten die zich omkeren en onder de gele pyjama weglopen. Ze draait zich nog een keer om en zegt: ‘Tot ziens, Ed.’

‘Tot ziens,’ zeg ik door een waas van schaamte heen.

Ze doet de deur helemaal dicht, en ik hurk neer. Ik laat mezelf voorover vallen en laat mijn hoofd tegen de deurpost rusten. Mijn adem bloedt. Mijn hartslag klinkt oorverdovend.

Ik lig in bed nu, opgeslokt door de nacht. Hoe kan een mens slapen als hij alleen nog maar de armpjes van een klein kind in een gele pyjama kan voelen, die zich in het donker aan hem vastklampen? Dat is onmogelijk.

Ik voel dat de krankzinnigheid op de loer ligt. Als ik een van de komende nachten niet terugga naar Edgar Street, zou ik wel eens gek kunnen worden. Was dat meisje maar niet naar buiten gekomen – maar ik wist dat ze dat wel zou doen. Of in ieder geval had ik het moeten weten. Zij kwam altijd als eerste naar buiten om op de veranda te huilen, later gevolgd door haar moeder. Ik weet zeker, terwijl ik hier zo op mijn rug lig, dat het de bedoeling was om haar te ontmoeten. Ik wilde dat zij me de moed zou geven. Me zou dwingen naar binnen te gaan. Maar dat was jammerlijk mislukt. Het had zelfs niet rampzaliger kunnen uitpakken. Nu wordt er een nog erger gevoel in me losgelaten.

Om 02.27 uur gaat de telefoon.

Het geluid trilt door de lucht en ik spring op, ren ernaartoe, kijk ernaar. Dit kan niet veel goeds te betekenen hebben.

‘Hallo?’

De stem aan de andere kant van de lijn blijft wachten.

‘Hallo?’ zeg ik opnieuw.

Eindelijk zegt hij wat, en ik kan hem nu voor me zien, hoe hij de woorden uitspreekt. De stem is droog, onherstelbaar schor. Hij klinkt best vriendelijk, maar is wel bloedserieus. Hij zegt:

‘Check je brievenbus, Ed.’

Er hangt een stilte, en de stem laat me nu helemaal alleen achter. Er klinkt geen ademhaling meer aan de andere kant.

Ik hang op en loop langzaam mijn voordeur uit, naar de brievenbus. De sterren zijn nu compleet verdwenen en er valt een mist van regen terwijl mijn voetstappen me dichterbij brengen. Mijn hand trilt wanneer ik vooroverbuig en het deurtje opendoe. Ik steek mijn hand naar binnen.

Ik voel iets kouds en zwaars.

Mijn vinger raakt de trekker aan.

Ik huiver.