217
aan vader en moeder, dat hij niets ondeugends zou doen en om te beginnen den heelen Zaterdagmiddag, als er geen school was, stil en braaf met zijn nieuwe speelgoed zich te vermaken. Zoo deed hij.
Hij noodigde Jan Brinkman uit om mee te spelen en zoo zaten de twee knaapjes broederlijk aan de tafel in de huiskamer en zetten er de soldaten op. Vader zat lustig te kloppen en te zingen: ‘ de dochter van den slager die is zoo mager, ’ en moeder was om boodschappen. De soldaten werden in slagorde opgesteld en de oorlog zou beginnen. Jan Brinkman zei, dat er in een oorlog altijd een vreeselijk lawaai was en veel kruitdamp en Pietje vond, dat zij dat alles zoo getrouw mogelijk moesten nabootsen, dat hoorde er nu eenmaal bij. Met het nieuwe geweer konden zij bovendien schieten en nat papier brandde met veel rook. Pietje haalde wat geëmailleerde borden en schotels uit de kast en de oorlog begon. Wat natgemaakte kranten werden in brand gestoken, Pietje schoot zijn geweer een paar maal af en tegelijk schreeuwden en gilden beiden en schopten de schotels en borden door elkander. De benauwde rook stelde kruitdamp voor.
‘ Voorwaarts... marsch! Hééé hóóó - sla dood-rinkelde-kink... pàng... pang!...
hééé-hééé!!!... vooruit!! hoerááá!!! ’
De schoenmaker viel van schrik haast van zijn stoel en vloog de kamer in: hij
dacht, dat het heele huis instortte!
Chr. van Abkoude, Pietje Bell, of de lotgevallen van een ondeugenden jongen