166
je mouw en die dan ineens op de hand van een ander te drukken, wèg ermee, nummer vier: een glazen knikker met slingerslangetjes, die was te mooi om weg te doen; nummer vijf een stuk schoenmakerspek, waar je de halve wereld mee aan elkaar kon laten kleven, voort ermee, geen grapjes meer; nummer zes... o, er kwam geen eind aan zijn broekzak-inventaris. Hij haalde er achtereenvolgens nog uit te voorschijn een hoopje touw, een leege patroonhuls, een fl uitje, een stukje drop, een ganzepoot, waar je zoo leuk aan trekken kon, een lucifersdoosje met een
Chr. van Abkoude, Pietje Bell, of de lotgevallen van een ondeugenden jongen