191
pijp in den mond en een stok onder den arm. Pietje bekeek zijn werk met welgevallen en bedacht, hoe meester vanmiddag lachen zou en heelemaal niet meer boos op hem zou zijn. Alle jongens zouden vreeselijk jaloersch op hem wezen, dat zij niet op dat aardige denkbeeld gekomen waren.
Hij ging nu naar huis. Ofschoon het mooi vriezend weer was, bleek er van de
blanke sneeuw op straat
Chr. van Abkoude, Pietje Bell, of de lotgevallen van een ondeugenden jongen