1
Eerste Hoofdstuk.
De vroolijke Schoenmaker.
I n de Breestraat, een drukke volksbuurt in een groote stad, woonde een schoenmaker, die Pieter Bell heette. Hij was een man van bijna veertig jaar, met een allervroolijkst humeur en een gezicht, dat steeds tot lachen bereid was. Onder het werk zat hij altijd te zingen, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, en als hij geen nieuwe liedjes meer wist, begon hij maar weer van voren aan. Zoodoende hadden de buren heel den dag gratis concert, en omdat de schoenmaker altijd zoo vroolijk zong hadden zij hem den bijnaam gegeven van Jan Plezier. De liederen, die Jan Plezier ten beste gaf, waren niet altijd even verheven van aard, bijvoorbeeld: ‘ Sara je rok zakt af, ’ ‘ Japie is getrouwd, ’ ‘ Hou jij van soep met
Chr. van Abkoude, Pietje Bell, of de lotgevallen van een ondeugenden jongen