Vaarwel
concord, massachusetts, 30 en 31 oktober 1902
Bailey klimt in de eik om zijn verborgen kistje nog vóór zonsondergang tevoorschijn te halen. Hij kijkt naar het circus dat in donkeroranje licht baadt en lange, puntige schaduwen over het veld werpt. Als hij het kistje opent ziet hij eigenlijk niets wat hij wil meenemen.
Hij haalt alleen Poppets witte handschoen eruit, steekt hem in zijn jaszak en stopt het kistje terug in de boom.
Thuis telt hij zijn spaargeld, dat meer is dan hij had verwacht, en pakt een stel schone kleren en een extra trui. Hij overweegt nog een paar schoenen mee te nemen, maar besluit dan dat hij desnoods wel een paar van Widget kan lenen.
Hij steekt alles in een versleten leren tas en wacht tot zijn ouders en Caroline naar bed gaan. Terwijl hij wacht, pakt hij zijn tas uit en dan weer in, en hij weet niet wat hij moet meenemen en wat hij kan achterlaten.
Als hij zeker weet dat iedereen slaapt, wacht hij nog een uur, en dan voor de zekerheid nog één. Hoewel hij er heel behendig in is geworden om op ongewone tijdstippen binnen te glippen, is het iets heel anders om er stiekem vandoor te gaan.
Als hij eindelijk door de gang sluipt, verbaast het hem hoe laat het is. Hij legt zijn hand tegen de deur en is klaar om weg te gaan, maar dan draait hij zich om, zet zijn tas neer en zonder geluid te maken zoekt hij een vel papier.
Als hij dat gevonden heeft, gaat hij aan de keukentafel zitten om zijn ouders een briefje te schrijven. Hij legt zijn beweegredenen zo goed mogelijk uit en hoopt maar dat ze het zullen begrijpen. Met geen woord rept hij over Harvard of de toekomst van de boerderij.
Hij herinnert zich nog dat zijn moeder toen hij klein was gezegd had dat ze wilde dat hij gelukkig was en avonturen zou beleven. Als dit geen avontuur is, weet hij niet wat wel.
‘Wat doe je?’ vraagt een stem achter hem.
Bailey draait zich om en ziet Caroline in haar nachtjapon in de deuropening staan, met haar haar in een pluizig rommeltje van krulspelden, en om haar schouders een wollen deken.
‘Dat gaat je niets aan,’ zegt hij, en hij draait zich weer om. Hij ondertekent het vel papier, vouwt het dubbel en laat het rechtop midden op de tafel achter, naast een houten schaal met appels. ‘Zorg ervoor dat ze dat lezen.’
‘Loop je van huis weg?’ vraagt Caroline, en ze werpt een blik op zijn tas.
‘Zoiets.’
‘Dat meen je niet,’ zegt ze met een geeuw.
‘Ik weet niet zeker wanneer ik terugkom. Ik schrijf jullie zo snel mogelijk. Zeg tegen ze dat ze zich geen zorgen moeten maken.’
‘Ga terug naar bed, Bailey.’
‘Waarom ga jij niet terug naar bed? Je ziet eruit alsof je nog wel een schoonheidsslaapje kunt gebruiken.’
Caroline plooit haar mond slechts in een grijns.
‘En trouwens, sinds wanneer kan het jou iets schelen wat ik doe?’
‘Je gedraagt je de hele week al als een klein kind,’ zegt Caroline iets luider, maar nog steeds op fluistertoon. ‘Dat gedoe in dat duffe circus, de hele nacht wegblijven. Doe toch niet zo kinderachtig, Bailey.’
‘Dat is precies wat ik niet meer doe,’ zegt Bailey. ‘Het kan me niet schelen als je dat niet begrijpt. Hier blijven maakt me niet gelukkig. Jou wel, omdat jij suf en saai bent, en een suf en saai leven is voor jou genoeg. Voor mij niet, voor mij zal het nooit genoeg zijn. En dus ga ik weg. Doe me een plezier en trouw met iemand die goed voor de schapen zorgt.’
Hij pakt een appel uit de schaal, gooit hem in de lucht, vangt hem weer op en steekt hem in zijn tas, waarna hij vrolijk naar Caroline zwaait, maar verder niets zegt.
Hij laat haar achter bij de tafel, waar haar mond in stille razernij open- en dichtgaat als hij de deur zachtjes achter zich sluit.
Bruisend van energie loopt Bailey weg van het huis. Hij verwacht bijna dat Caroline achter hem aan komt, of onmiddellijk hun ouders wekt om ze te waarschuwen over zijn vertrek. Maar met elke stap die hij verder van huis zet, wordt duidelijk dat hij echt weggaat en dat niets hem in de weg staat.
In de stilte van de nacht voelt de wandeling langer. In tegenstelling tot eerdere avonden zijn er geen groepjes mensen op weg naar het circus. Hij moest dan rennen om aan te komen voordat de hekken opengingen.
De sterren zijn nog steeds zichtbaar als Bailey zijn eik bereikt, met zijn tas over zijn schouder gezwaaid. Het is later dan hij zou willen, hoewel de zonsopgang nog wel even op zich laat wachten.
Onder de sterrenhemel is het veld dat zich voor zijn boom uitstrekt echter leeg, alsof er nooit iets anders is geweest dan gras, bladeren en mist.