1
Hij haalde het leren masker uit de plastic zak. Een meesterwerk was het niet bepaald, het was hem niet gelukt het echt goed te krijgen, maar het kon ermee door.
Zijn grootste angst was dat hij de politie tegen het lijf zou lopen, maar niemand schonk aandacht aan hem. In de plastic zak zat nog meer. In de Rijksslijterij had hij twee flessen brandewijn gekocht en in een bouwmarkt een tamelijk zware hamer en een pin.
Het materiaal voor het masker had hij de dag daarvoor bij een groothandel in leer en huiden te pakken gekregen. Hij had zich zo goed mogelijk geschoren en zijn beste kleren aangetrokken, al was dat niet veel bijzonders. Hij wist precies wat hij moest hebben en had geen problemen gehad, niet toen hij het leer kocht en ook niet bij het kopen van het garen en een goede leernaald.
Er was trouwens geen enkel gevaar dat iemand aandacht aan hem zou schenken. Het was heel vroeg in de morgen en er waren nog weinig mensen op straat. Hij keek niemand aan, maar stapte recht voor zich uit kijkend naar het houten huis aan de Grettisgata. Snel liep hij de keldertrap af, deed de deur open, glipte naar binnen en sloot de deur zorgvuldig achter zich.
Even wachtte hij in het donker. Met de kelderwoning was hij zo goed bekend geraakt dat hij er in het pikdonker de weg kon vinden. Zo groot was het huis ook niet. Het toilet bevond zich links in de gang, het had geen raampje. De keuken lag aan dezelfde kant en had een groot raam dat op de achtertuin uitkeek. Hij had er een dikke deken voor gehangen. Recht tegenover de keuken was de woonkamer en opzij daarvan de slaapkamer. De woonkamer had een raam dat op de Grettisgata uitkeek. Er hingen dikke gordijnen voor, die dichtgetrokken waren. In de slaapkamer was hij maar één keer geweest, even maar. Die had ook een raam, hoog in de muur. Er hing een zwarte plastic zak voor.
Hij deed geen licht aan, maar vond een stompje kaars, dat hij op een plank in de gang had liggen, stak het met een lucifer aan en liep in dit spookachtige schijnsel de kamer binnen. Hij hoorde het onderdrukte schreeuwen van de man die daar op de stoel zat vastgebonden, met zijn handen op de rug en een prop in zijn mond. Hij keek zo min mogelijk naar hem; hem in de ogen zien wilde hij al helemaal niet. Hij legde de zak op tafel en haalde de hamer, het masker, de pin en de flessen tevoorschijn. Hij verbrak het zegel van een brandewijnfles en dronk gulzig van de lauwe inhoud. Branden in zijn keel deed het niet meer; dat gevoel was al heel wat jaren geleden verdwenen.
Hij zette de fles neer en pakte het masker. Hij had er eersteklas materiaal voor gebruikt. Het was uit varkensleer gesneden en met gewast zeilgaren van een dubbele zoom voorzien. In het voorhoofd had hij een rond gat gemaakt waar de losse pin doorheen kon. Daar had hij een dikke rand omheen genaaid, zodat de pin rechtop zou blijven staan. Die was van gegalvaniseerd ijzer. Aan de zijkanten van het masker had hij sleuven gemaakt waar brede leren banden doorheen konden, zodat het zonder moeite stevig achter de nek kon worden vastgebonden. Ook had het masker openingen voor ogen en mond. Het bovenste gedeelte kwam tot de kruin en er zat een leren riem aan, die was vastgemaakt aan de banden in de nek. Op die manier zat het stevig, daar kon je gerust van uitgaan. De maten had hij niet echt nauwkeurig opgenomen, hij was voornamelijk afgegaan op de afmetingen van zijn eigen hoofd.
Hij dronk weer van de brandewijn. Probeerde de geluiden van de man niet tot zich te laten doordringen.
Een soortgelijk masker hadden ze bij de boer in het binnenland gehad, vroeger, toen hij nog een jongen was. Het was van ijzer en het lag in de oude schaapskooi; hij mocht er nooit aankomen. Eén keer had hij dat toch gedaan, stiekem. Op het ijzer zaten roestvlekken; het voelde koud aan. Hij had oude bloedvlekken bij het gat voor de pin zien zitten. Eens had hij gezien dat het masker gebruikt werd. Tegen de zomer had de boer een ziek kalf afgemaakt. Hij was straatarm en een geweer had hij niet. Toen moest het masker dienstdoen. Wel bleek het nogal klein voor de kop van het kalf, want eigenlijk was het voor schapen bestemd. Dat had de boer hem verteld. Die had zijn grote hamer gepakt en één welgemikte slag op de pin gegeven, die helemaal de kalfskop binnendrong. Het dier viel neer en bewoog zich niet meer.
Hij had het fijn gevonden op de boerderij. Daar zei niemand dat hij een zielenpoot was, een sukkel.
Nooit was hij vergeten hoe de boer het genoemd had, dit stuk gereedschap, waarvan de omhoog stekende pin vooruit leek te wijzen naar een plotselinge, pijnloze dood.
De boer noemde het een doodskap.
Een griezelig woord had hij dat gevonden.
Lang keek hij naar de pin die uit het primitieve geval omhoogstak. Hij ging ervan uit dat die de schedel wel vijf centimeter diep zou binnendringen en wist dat dit voldoende was.