21

Þórarinn bleek ondergedoken te zijn.

Sigurður Óli ging met een aantal politiemensen naar de Sogavegur, waar Þórarinn in een klein rijtjeshuis woonde. Hij vond het niet nodig de speciale eenheid op te roepen. Hij klopte op de deur. Het liep tegen de avond; een koude motregen viel over de stad. Kort daarvoor waren de straatlantaarns in de buurt gaan branden; ze wierpen een nevelig schijnsel om zich heen. Finnur was met Sigurður Óli meegekomen; achter hen stonden nog een paar andere politiemensen te wachten tot de deur open zou gaan. Twee man waren achterom gegaan voor het geval Þórarinn de benen zou nemen en aan de achterkant van het huis over een vluchtweg beschikte. De deur ging open en een klein meisje van ongeveer zes staarde naar hen omhoog.

Sigurður Óli boog zich voorover.

‘Is jouw pappa thuis?’ vroeg hij en hij probeerde erbij te glimlachen.

‘Nee,’ zei het meisje.

Achter haar verscheen een ander meisje, van tegen de tien. Ze keek naar Sigurður Óli en Finnur en de politiemensen die achter hen stonden te wachten.

‘Is jullie mamma thuis?’ vroeg Sigurður Óli, zich nu tot het oudste meisje richtend.

‘Die slaapt,’ zei het meisje.

‘Maar jij wil haar vast wel voor ons wakker maken, hè?’ zei Sigurður Óli, in een poging als een aardige meneer over te komen. Het scheen hem niet goed af te gaan.

‘Dat mogen we niet,’ zei het meisje.

Sigurður Óli keek naar Finnur.

‘Als het voor ons is mag je haar echt wel wakker maken, kindje,’ zei Finnur beslist. ‘Wij zijn van de politie en we moeten met je vader praten. Weet jij ook waar hij is?’

‘Hij is aan het werk,’ zei het oudste meisje. ‘Ik zal mamma wakker maken,’ zei ze toen en ze liep naar binnen.

Er ging een tijdje voorbij; ze bleven op de stoep wachten. De agenten achter het huis stonden in de motregen en stapten van de ene voet op de andere. Ze hadden toestemming de woning binnen te gaan en huiszoeking te doen, maar Finnur wilde het, anders dan Sigurður Óli, niet bedreigender maken dan nodig was – tenslotte waren er kinderen bij betrokken. Ze wisten dat er drie in huis waren, het jongste was vier jaar. Ze wisten ook dat Þórarinn op dat moment niet aan het werk was. Onderzoek had uitgewezen dat hij sinds maandag niet meer gewerkt had. Er was al naar zijn vrachtwagen gezocht.

Eindelijk kwam het oudste meisje terug. Ze staarde zonder iets te zeggen naar buiten, en even daarna verscheen haar moeder. Het was duidelijk te zien dat die een dutje had gedaan en nog niet helemaal wakker was. In haar dikke gezicht zaten slaaprimpels. Ze had verward en piekerig haar.

‘We hebben toestemming om hier huiszoeking te doen,’ zei Sigurður Óli. ‘We willen graag dat je ons binnenlaat. En we moeten ook met je man praten, met Þórarinn. Weet je waar hij is?’

De vrouw zei niets. Het meisje staarde naar hen.

‘Het liefst willen we dit in alle rust afwerken,’ zei Finnur.

De vrouw had tijd nodig om wakker te worden.

‘Wat… wat willen jullie van hem?’ vroeg ze; ze klonk nog slaapdronken.

Sigurður Óli was inmiddels aanbeland bij het punt waarop hij geen zin meer had in verdere gesprekken. Hij gaf de mannen bevel hem te volgen. Hij duwde voorzichtig het meisje in de deur weg. Haar moeder liep ruggelings voor hem uit het huis in. Algauw was de huiszoeking in volle gang. Er werd gezocht naar bebloede of gescheurde kleding, naar drugs, naar geld, naar een lijst van klanten zelfs, alles wat maar verband kon houden met de aanslag op Lína en de aanleiding daartoe. Ze vonden het jongste meisje slapend in het bed van haar ouders. De moeder maakte haar wakker en nam haar mee naar de woonkamer. De vrouw scheen niet bijzonder verbaasd te zijn over de inval, deed niet moeilijk, stond zwijgend op een afstandje met haar dochtertjes de werkzaamheden te volgen: een huis vol politiemensen die alles in haar woning op zijn kop zetten. Het was er uitzonderlijk netjes, in alle laden lagen schone spullen, de keuken was helemaal opgeruimd en de tafels waren schoon. Luxe was nergens te vinden, op de tafels in de kamer stonden goedkope prulletjes, het bankstel was aan vernieuwing toe. Als Þórarinn al iets aan de drugshandel verdiende was dat aan zijn huis niet te merken. En de enige auto die hij had was zijn vrachtwagen.

‘Weet je nog wat voor kleren je man afgelopen maandag aanhad?’ vroeg Sigurður Óli.

‘Wat voor kleren?’ zei de vrouw. ‘Hij draagt altijd hetzelfde.’

‘Kun je ons dan zeggen wat voor kleren dat zijn?’

De vrouw gaf een tamelijk nauwkeurige beschrijving, die overeen bleek te komen met wat Sigurður Óli wist. Ze wilde weten wat Þórarinn gedaan had.

‘Waar was hij maandagavond?’ vroeg Sigurður Óli, zonder op haar vraag in te gaan.

‘Hij is de hele avond hier thuis geweest,’ zei de vrouw zonder aarzelen. ‘Maandagavond is hij niet weggeweest,’ voegde ze eraan toe, alsof het niet goed tot Sigurður Óli doorgedrongen was.

‘Dat klopt niet, en dat weten we,’ zei hij. ‘Hij is ergens anders gezien, dus hij kan echt niet de hele avond hier geweest zijn. En degene die hem gezien heeft was ik toevallig zelf. Dus als je door wilt gaan met liegen, prima, maar dan wel op het politiebureau. De kinderen moeten maar zolang naar een oppas. Als je er geen kunt vinden, zorgen wij er wel voor.’

De vrouw keek naar Sigurður Óli.

‘Je kunt ons ook vertellen wat we willen weten. Dan kun je weer verder slapen,’ voegde hij eraan toe.

Er bleef de vrouw niet veel te kiezen over, toen ze naar haar drie dochtertjes keek. De oudste had het op school moeilijk, niet alleen tijdens de lessen maar ook op het schoolplein, en ze weigerde de laatste tijd naar het zwembad en de gymles te gaan.

‘Mij vertelt hij nooit wat,’ zei ze. ‘Ik weet het niet.’

‘Maar was hij nou thuis, maandagavond, of niet?’

Ze schudde haar hoofd.

‘Heeft hij je gezegd wat je ons moest vertellen? Dat hij hier was?’

Ze aarzelde een ogenblik en knikte toen.

‘En waar is hij nu?’

‘Ik weet het niet. Maar wat heeft hij dan gedaan? Ik heb hem sinds maandagavond niet meer gezien. Toen kwam hij hierheen en ik begreep nauwelijks waar hij het over had. Hij zei dat hij voor een poosje de stad uit moest, maar dat hij gauw terug zou komen.’

‘Wat bedoelde hij daarmee, de stad uit? Waar wou hij dan naartoe?’

‘Ik zou het niet weten. Een vakantiehuisje of zoiets hebben we niet.’

‘Heeft hij familie buiten de stad?’

‘Nee, niet dat ik weet. Maar wat heeft hij dan toch gedaan?’

De drie meisjes hadden met open mond naar het gesprek geluisterd; hun ogen schoten heen en weer tussen hun moeder en de politieman. Sigurður Óli gaf de vrouw een teken. Het was beter dat de kinderen niet alles zouden horen wat ze zeiden. Ze reageerde ogenblikkelijk, loodste haar dochters de keuken in en gaf de oudste opdracht chocolademelk te maken.

‘We denken dat hij in Reykjavík-Oost een vrouw heeft aangevallen,’ zei Sigurður Óli toen de vrouw uit de keuken terugkwam. ‘Hij is gezien op de plaats waar het gebeurd is.’

‘Had hij een andere vrouw?”

‘Nee, dat denk ik niet,’ zei Sigurður Óli. ‘Volgens ons stond die aanslag los van dat soort kwesties. Kun je me vertellen met wie hij in de dagen voor hij verdween contact heeft gehad?’

Ze hadden bij het telecombedrijf een uitdraai opgevraagd van de telefoongesprekken vanuit Þórarinns huis en een van zijn gsm-gesprekken. Die zouden licht kunnen werpen op de gebeurtenissen die tot de aanslag op Lína hadden geleid, al had Sigurður Óli daar zo zijn twijfels over. Als hij afging op de beschrijving die Kristján van hem had gegeven, zou Þórarinn heus wel oppassen, dacht hij. Dat zag je al aan het feit dat er geen uitgaande gsm-gesprekken op de lijst stonden.

‘Ik weet maar zo weinig van wat Toggi uitspookt,’ zei zijn vrouw. ‘Hij vertelt me nooit wat. Het enige wat ik weet is dat hij vrachtwagenchauffeur is en dat hij keihard werkt, soms nog ’s avonds en ’s nachts. En nou is hij ervandoor.’

‘Heeft hij nog contact met je opgenomen sinds hij verdwenen is?’

‘Nee,’ antwoordde de vrouw beslist. ‘Maar waarom heeft hij die vrouw aangevallen?’

‘Dat weten we niet.’

‘Was dat die vrouw die op het journaal was?’ vroeg ze. ‘Die nou dood is?’

Sigurður Óli knikte.

‘En jullie denken dat Toggi dat gedaan heeft?’

‘Weet je dat je man schulden incasseert? En dat de mensen die hem niet kunnen betalen slecht af zijn?’ vroeg Sigurður Óli.

‘Wat?’ zei de vrouw. ‘Nee. Waarom denken jullie dat hij dat gedaan heeft? Waarom… nee, dat geloof ik echt niet!’

Ze wisten dat Þórarinn in de justitiële documentatie voorkwam, maar dat was nog uit de tijd voordat het oudste meisje was geboren, misschien nog wel voordat hij zijn vrouw had leren kennen. Hij was tweemaal veroordeeld voor geweldpleging. De eerste keer had hij vier maanden voorwaardelijk gekregen omdat hij bij een danstent in Reykjavík een man had aangevallen en in elkaar geslagen. Voor het tweede misdrijf had hij zes maanden gekregen, waarvan hij er drie had uitgezeten. Dat was wegens geweldpleging in een restaurant in Hafnarfjörður. In het opsporingsbericht dat ’s middags werd uitgezonden werd erop gewezen dat hij gewelddadig en gevaarlijk was.

Als je op het verhaal van Kristján mocht afgaan kon Þórarinn dat ook tegenover zijn vrouw zijn, maar daar merkte Sigurður Óli niets van. Hij overwoog nog of hij dat thema moest aansnijden, maar deed het niet.

‘We zijn bezig uit te zoeken wat hij met de zaak te maken heeft,’ zei hij. ‘Daar kun je van op aan. Hou jíj het huis zo schoon?’

‘Hij wil dat het er allemaal spic en span uitziet,’ zei de vrouw, bijna automatisch.

Finnur kwam uit de keuken en vroeg Sigurður Óli mee te komen. Ze gingen de kamer uit.

‘Er is hier niks te vinden wat hem met Lína in verband brengt,’ zei Finnur. ‘Ben je met haar nog wat verder gekomen?’

‘Ze heeft zonet gehoord dat haar man wel eens een moordenaar kan zijn. Als dat een beetje bezonken is kan ze ons misschien wat meer vertellen.’

‘En die vrienden van je, wat zeggen die?’ vroeg Finnur.

‘Vrienden? Begin je nou weer?’

‘Wil je niet weten hoe het met hun verhoor gegaan is?’

‘Interesseert me niks.’

Sigurður Óli wist dat Patrekur en Hermann waren verhoord, evenals hun echtgenotes. Finnur had de leiding gehad. Natuurlijk had Sigurður Óli het verslag wel kunnen krijgen, maar hij was te druk geweest met het opsporen van Þórarinn.

‘Hermann heeft me die foto van hem laten zien en vertelde dat dat stel, Lína en Ebeneser, hem gechanteerd had. Hij heeft natuurlijk niet bekend dat hij Lína te lijf is gegaan of dat hij een kerel gestuurd heeft om de foto’s op te halen. Hij zat er nogal zielig bij en zijn vrouw zat de hele tijd te huilen. Patrekur kon er beter tegen. Ontkende alles.’

‘En wat ga je nou met ze doen?’

‘Ik heb ze een reisverbod opgelegd. Patrekur heeft toegegeven dat hij bij jou geweest is. Dat is genoteerd. Dus ook dat jij van die zaak wist, maar dat je dat niet gemeld hebt. Ik ga dit rapporteren. Daar ga je nog van horen, dat zit er dik in.’

‘Waarom doe je dat nou, man?’ zei Sigurður Óli.

‘Wat ik niet snap is dat jij nog het lef hebt om aan deze zaak te blijven werken,’ zei Finnur. ‘Je hebt veel te nauwe banden met die mensen. En als je daar zelf niks aan doet, dan moet ik het wel doen. Ík moet dit rechercheteam leiden, het is niet jouw persoonlijke speeltje.’

‘Jij vindt dat je reden hebt om mij onder druk te zetten?’ zei Sigurður Óli.

‘Je bent hier gewoon de juiste persoon niet voor, Siggi,’ zei Finnur. ‘Je werkt op je eentje en op die manier ben je bezig de zaak te verknallen. Ík heb de leiding en je doet wat ík zeg.’

‘Dus jij denkt serieus dat ik niet te vertrouwen ben?’ zei Sigurður Óli. ‘Is dat wat je zegt? Uitgerekend jij?’

‘Ja, dat is wat ik zeg.’

Sigurður Óli keek Finnur lang aan. Hij wist dat Finnur een goede politieman was, maar zijn opmerkingen begonnen langzamerhand op een soort pesterij te lijken. Het moest nu maar eens afgelopen zijn, hij was niet van plan dit nog langer te pikken. Niet van Finnur. Van iemand anders misschien nog wel. Maar zeker niet van Finnur.

‘Als je nou niet ophoudt met dat gezeik van je,’ zei hij, zich naar hem toe buigend, ‘dan heb ik ook nog wel wat. Ik zou er nog maar eens goed over nadenken als ik jou was. Laat me met rust. Dat is wel zo goed voor je, denk ik.’

‘Waar héb je het over?’

‘Jij kent toch een knul die Pétur heet, is het niet?’

Finnur keek hem met een ernstig gezicht aan, maar gaf geen antwoord.

‘Dat is een van die sukkels die constant in de puree zitten,’ ging Sigurður Óli door. ‘Een zak, nog gewelddadig ook. Hij is kortgeleden bijna doodgeslagen, niet ver van het bureau aan de Hverfisgata. Weet jij daarvan?’

Finnur staarde nog steeds zwijgend naar Sigurður Óli.

‘Als jij soms denkt dat je de enige fatsoenlijke politieman bent hier, dan heb je het echt mis. Je moet eens ophouden de zedenpreker uit te hangen. Je moet eens ophouden met dat dreigen van je. Dan kunnen we tenminste doorgaan met datgene waarvoor we betaald worden.’

Finnur bleef hem aankijken. Het leek alsof hij probeerde te ontdekken waar Sigurður Óli op zinspeelde. Het was niet duidelijk of er een lichtje bij hem ging branden, maar ineens knalde hij er een serie krachttermen uit en liep hij het huis weer binnen.

 

Toen Sigurður Óli tegen de avond op het politiebureau kwam, bleek dat er iets voor hem was bezorgd. De bezorger had zijn naam niet willen noemen, maar de beschrijving herinnerde aan de alcoholist die hem achter het politiebureau had lastiggevallen. Zijn naam kende hij: Andrés. Wat hij bezorgd had zat in een grote, kreukelige plastic zak. Die droeg het logo van een supermarktketen. De inhoud was zo nietig dat Sigurður Óli eerst niets zag en meende dat er helemaal niets in de zak zat, dat het alleen maar om een stom grapje ging. Ten slotte hield hij de zak ondersteboven en schudde hij hem stevig uit, waarna de inhoud op de vloer viel.

Het bleek een opgerold stukje 8mm-film te zijn. Sigurður Óli legde het op zijn bureau en zocht nog eens goed of er geen briefje of andere stukjes film in de zak zaten. Maar er was verder niets te vinden.

Hij nam het stukje en strekte het. Toen hield hij het voor de bureaulamp en probeerde te ontdekken wat erop stond, maar dat lukte niet. Lang zat hij te peinzen; hij zag Andrés voor zich, daar achter het politiebureau, en probeerde te bedenken waarom die hem moest spreken.

Hij staarde naar het stukje film. Zoiets nietigs in zo’n grote plastic zak bezorgd te krijgen, hij wist niet wat hij ervan moest denken. Het kon nauwelijks iets voorstellen, zo kort was het. Hij had er geen idee van waarom hij het had ontvangen.

Later bleek dat het twaalf seconden duurde.

Doodskap
x97890214406511.xhtml
x97890214406512.xhtml
x97890214406513.xhtml
x97890214406514.xhtml
x97890214406515.xhtml
x97890214406516.xhtml
x97890214406517.xhtml
x97890214406518.xhtml
x97890214406519.xhtml
x978902144065110.xhtml
x978902144065111.xhtml
x978902144065112.xhtml
x978902144065113.xhtml
x978902144065114.xhtml
x978902144065115.xhtml
x978902144065116.xhtml
x978902144065117.xhtml
x978902144065118.xhtml
x978902144065119.xhtml
x978902144065120.xhtml
x978902144065121.xhtml
x978902144065122.xhtml
x978902144065123.xhtml
x978902144065124.xhtml
x978902144065125.xhtml
x978902144065126.xhtml
x978902144065127.xhtml
x978902144065128.xhtml
x978902144065129.xhtml
x978902144065130.xhtml
x978902144065131.xhtml
x978902144065132.xhtml
x978902144065133.xhtml
x978902144065134.xhtml
x978902144065135.xhtml
x978902144065136.xhtml
x978902144065137.xhtml
x978902144065138.xhtml
x978902144065139.xhtml
x978902144065140.xhtml
x978902144065141.xhtml
x978902144065142.xhtml
x978902144065143.xhtml
x978902144065144.xhtml
x978902144065145.xhtml
x978902144065146.xhtml
x978902144065147.xhtml
x978902144065148.xhtml
x978902144065149.xhtml
x978902144065150.xhtml
x978902144065151.xhtml
x978902144065152.xhtml
x978902144065153.xhtml
x978902144065154.xhtml
x978902144065155.xhtml
x978902144065156.xhtml
x978902144065157.xhtml
x978902144065158.xhtml
x978902144065159.xhtml
x978902144065160.xhtml
x978902144065161.xhtml
x978902144065162.xhtml
x978902144065163.xhtml
x978902144065164.xhtml
x978902144065165.xhtml
x978902144065166.xhtml
x978902144065167.xhtml