48

In het belang van het onderzoek vond men het beter met de arrestatie van Sverrir en Arnar niet tot de volgende morgen te wachten. Tegen middernacht ging de politie, voorzien van arrestatiebevelen, hen ophalen; ze werden naar het politiebureau aan de Hverfisgata gebracht, onder verdenking van omvangrijke witwaspraktijken. Volgens Sigurður Óli zou het niet lang duren of ook de moorden op Sigurlína en Þorfinnur zouden hun ten laste worden gelegd.

Bij de arrestaties was hij niet aanwezig. Hij koesterde geen speciale sympathie voor de verdachten en vond het wel genoeg dat hij er getuige van had moeten zijn hoe Knúturs leven ineenstortte toen hij hem thuis had opgezocht. Wel besloot hij te wachten tot ze binnengebracht werden; intussen begon hij de transcripties te lezen die de afdeling verdovende middelen had gemaakt van Höddi’s telefoongesprekken van de afgelopen weken. Het was allemaal hoogst onbelangrijk wat daar stond en het lukte hem dan ook niet er met zijn gedachten bij te blijven.

Hij had een jeugdige delinquent op de gang zien zitten, een van die gewelddadige types waar hij nu en dan graag mee praatte, en die hij dan voor sukkels uitmaakte. Hij moest ineens aan Pétur denken, die hij ook zo genoemd had en die hij later bij het ziekenhuis had aangetroffen. Die had een koekje van eigen deeg gekregen toen hij vlak bij de Hverfisgata in elkaar was geslagen. Sigurður Óli wist niet of de politie zijn aanvaller – of aanvallers – te pakken had gekregen. Hij kende die zaak niet zo goed. Finnur was ermee bezig, wist hij.

Hij vroeg zich af of Finnur zich ook bezighield met de zaak van de jongen op de gang. Weer probeerde hij zich te concentreren op de transcripties van Höddi’s telefonische geleuter. Toen gaf hij het op en liep naar de gang.

‘Wat is er nou weer, Kristófer?’ vroeg hij. Hij ging bij de jonge vent zitten.

‘Bemoei je d’r niet mee,’ zei Kristófer, die doorgaans Krissi genoemd werd. Hij was tweeëntwintig jaar oud, en met zijn voorhoofd vol schrammen deed hij erg aan Pétur denken. Hij was alleen steviger gebouwd en had tatoeages over zijn hele lichaam. Een ervan kwam tot aan zijn keel en slingerde zich verder om zijn nek. Hij stond erom bekend dat hij mensen uitdaagde om te vechten, alleen of met zijn vrienden; het maakte geen verschil of hij pillen had geslikt of clean was. Meestal gebeurde dat in het centrum, en dan vaak tegen de morgen, wanneer er mensen alleen op pad waren. Echt moedig was hij niet – kerels die zomaar mensen aftuigden die ze makkelijk aankonden waren dat nu eenmaal nooit.

‘Iemand afgerost?’ vroeg Sigurður Óli.

‘Fuck you!’

‘Je bent verhoord en nou zit je te wachten tot je weg mag. Waar of niet?’

‘Fuck you.’

‘Joh, je zou dankbaar moeten zijn. Het systeem hier is toch ideaal voor sukkels zoals jij?’

‘Nou, geweldig.’

‘Wat is er gebeurd?’

Krissi gaf geen antwoord.

‘Wie heb je nou weer in elkaar gemept?’

‘Hij is begonnen.’

‘Ja ja, het ouwe liedje,’ zei Sigurður Óli.

Kristófer zweeg.

‘Ze moeten jou ook altijd hebben, hè? Vind je dat niet raar?’

‘Kan ík er wat aan doen?’

‘Nee, dat weten we. Jij kunt er niks aan doen dat je zo bent.’

Krissi zweeg.

‘Moet je bij Finnur zijn?’

Krissi zweeg.

‘Ik kan me er maar beter buiten houden,’ zei Sigurður Óli en hij stond op.

‘Nou, doe dat dan,’ zei Krissi.

Sigurður Óli ging weg en keek een kopie door van het rapport over Kristófers arrestatie, eerder die avond. Voor een discotheek waar een schoolfeest werd gehouden was hij aan het matten geweest met een negentienjarige gymnasiast. Kristófer had hem een stel harde trappen gegeven en hem ernstig verwond. De jongen was bewusteloos geraakt; per ambulance was hij naar de eerste hulp gebracht. De getuigen waren het niet eens over wat er precies gebeurd was. Een van hen zei dat Kristófer zonder enige aanleiding naar de jongen was toe gelopen en hem in zijn gezicht had geslagen.

‘Waarom maak ik me eigenlijk druk om zulke idioten?’ verzuchtte Sigurður Óli en hij legde het rapport neer.

Hij probeerde Finnur te vinden, maar kreeg hem niet te pakken. Die zou wel bij de arrestatie van de twee mannen aanwezig zijn, vermoedde hij. Weer begon hij de transcripties te lezen. Er waren heel veel zeer korte telefoongesprekken geweest. Zijn vrouw had hem voor van alles en nog wat naar de winkel gestuurd, ze had hem gevraagd haar moeder op te zoeken of hun kind na een schoolfeest op te halen. Höddi’s vrouw scheen niet erg van koken te houden. Steeds weer moest hij na zijn werk naar een cafetaria om kip te halen, of hamburgers, of pizza’s. Dan waren er gesprekken met vrienden. Die gingen over de sportschool, hoeveel kilo hij met gewichtheffen gestoten had, wie er nog meer waren geweest. Ze gingen over voetballen, over tochten met de sneeuwscooter, over reparaties of reserveonderdelen die niet meer te krijgen waren. Soms belden er anderen, die zakelijk met de garage te maken hadden. Sigurður Óli bladerde het allemaal door, maar zag nergens gesprekken met Þórarinn. Over Lína werd hij dus niets wijzer. Hij nam aan dat ze serieuzere zaken niet telefonisch afhandelden, maar elkaar daarvoor opzochten.

Hij hoorde mensen over de gang lopen en stond op. De politiemensen waren met Arnar op het bureau gearriveerd. Sigurður Óli keek toe toen hij als arrestant werd ingeschreven. De officiële verhoren van Sverrir en Arnar zouden de volgende dag beginnen. Beiden wilden een advocaat. Ze waren heel rustig en bedachtzaam, en het had er alle schijn van dat ze al op de politie hadden zitten wachten. Sigurður Óli stelde zich voor dat Knúturs vrouw het nieuws had doorgebeld en dat ze wisten wat hun te wachten stond. Ze zouden die eerste nacht aan de Hverfisgata blijven en de dag daarna in voorarrest naar Litla-Hraun gaan.

‘Was Finnur bij jullie?’ vroeg hij een van de agenten die aan de arrestatie had deelgenomen.

‘Nee, die heb ik niet gezien,’ zei de man. ‘Is die niet gewoon naar huis gegaan?’

‘Ja, dat zal het zijn, hij neemt zijn telefoon niet op.’

Arnar keek hem aan. Het leek of hij iets wilde zeggen, maar toen van gedachten veranderde. Hij staarde naar de vloer. Toen verzamelde hij moed.

‘Hebben jullie Sverrir ook opgehaald?’ vroeg hij.

Sigurður Óli knikte.

‘Heeft Knútur jullie geholpen?’

‘Morgen praten we verder,’ zei Sigurður Óli. ‘Welterusten.’

 

Sigurður Óli zag Kristófer niet meer op de gang zitten. Wel zag hij Finnur zijn kantoor binnengaan, maar die reageerde niet toen hij hem riep en sloot de deur achter zich. Sigurður Óli duwde hem weer open en stapte naar binnen.

‘Waar is Kristófer?’ vroeg hij. ‘Is hij ervandoor?’

‘Hoezo? Heb jij daar last van?’ zei Finnur.

‘Waar is hij?’

‘Dat weet ik niet, ik denk dat hij mocht gaan. Het is mijn zaak niet. Waarom vraag je dat eigenlijk aan mij?’

‘Waar is hij naartoe?’

‘Waar naartoe? Denk je soms dat ik weet waar die stommelingen naartoe gaan als ze hier weg mogen?’

Sigurður Óli vloog de gang weer op en liep op een draf naar de hoofdingang van het politiebureau. Daar zag hij dat Sverrir uit de politieauto gehaald werd. Hij holde naar buiten, ondertussen Kristófers naam roepend. Op de Snorrabraut keek hij om zich heen en besloot toen de zeekant op te gaan. Even verderop ging hij de Borgartún in. Hij riep Kristófers naam een paar keer, minderde vaart en liep verder de straat in. Hij was van plan tot aan de Steintún te lopen, een straatje aan de noordkant, toen hij een man op de grond zag liggen. Drie mannen renden bij hem vandaan.

Sigurður Óli haastte zich ernaartoe. Hij zag de mannen in een auto springen, die vervolgens plankgas wegreed en om de hoek van de Steintún verdween. De man die op de straat lag steunde zwaar van pijn, zijn gezicht was een en al bloed. Het was Kristófer. Hij lag op zijn rug, zijn voortanden waren gebroken en zijn ogen gezwollen. Sigurður Óli draaide hem voorzichtig op zijn zij en belde een ambulance.

‘Wie waren dat?’

‘Ik… weet het niet,’ fluisterde Kristófer.

‘Wat is er gebeurd?’

‘Ze… ze hebben me… achter het bureau opgewacht.’

 

Enige ogenblikken later kwam Sigurður Óli door de hoofdingang het politiebureau binnenvallen en banjerde naar Finnurs kantoor. Finnur stond op het punt te vertrekken toen Sigurður Óli plotseling voor zijn neus stond, hem weer naar binnen duwde en de deur achter hen dichtgooide.

‘Wat doe je nou, man!’ schreeuwde Finnur en hij liep naar hem toe alsof hij hem te lijf wilde.

‘Zonet heb ik voor Kristófer een ambulance laten komen,’ zei Sigurður Óli.

‘Voor Kristófer? En wat heb ik daarmee te maken?’

‘Zou je niet liever vragen wat er gebeurd is?’

‘Waar héb je het over?’

‘Ik dacht dat ik je gewaarschuwd had! En ik ga er werk van maken als je hier niet mee ophoudt.’

‘Weet je waar ik allang mee ben opgehouden? Met snappen waar jij het over hebt. En nou wegwezen!’

‘Waar ik het over heb is dat jij het aan anderen doorgeeft als zulk gajes hier het bureau uit komt! Vind je soms dat jij het recht moet handhaven? Is dat het?’

Finnur stapte achteruit.

‘Ik weet niet wat je daar staat te zwetsen,’ zei hij, maar hij klonk niet meer zo overtuigend als daarvoor.

‘Ik weet best dat ze nauwelijks een serieuze rechtzaak krijgen, die criminelen, en dat ze meestal het bureau uitwandelen zonder dat ze verhoord zijn. Maar denk je nou echt dat dit de oplossing is?’

Finnur zweeg.

‘Ik weet dat je dit drie jaar geleden ook al eens gedaan hebt. Vanwege dat meisje in de Pósthússtræti. En ik ben niet de enige die het weet. Maar nou ben je opnieuw begonnen. En er zijn hier mensen die dat niet laten passeren.’

‘De mensen willen gerechtigheid,’ zei Finnur.

‘Jíj wilt gerechtigheid,’ zei Sigurður Óli.

‘Er is een jongen bewusteloos naar het ziekenhuis gebracht, na wat die Kristófer van je vanavond met hem gedaan heeft,’ zei Finnur. ‘Zomaar, zonder reden, gewoon voor de lol. We weten niet hoe die jongen eraan toe is als hij bijkomt. Het enige wat we weten is dat jouw vriend Kristófer en zijn maten zo nodig hun lolletje moesten hebben. Ik heb tegen de vader van die jongen gezegd dat we Kristófer later op de avond via de hoofdingang zouden laten gaan, voor het geval hij iets tegen hem zou willen zeggen.’

‘En die organiseert een knokploeg die die knul in elkaar slaat.’

‘De mensen zijn het zat. Ze willen recht. Die Kristófer had vanavond ook geen consideratie met zijn slachtoffer.’

‘Je weet dat de mensen vlak na zo’n aanslag boordevol agressie zitten,’ zei Sigurður Óli. ‘Ze willen wraak. Ze willen bloed zien. Vind jij dat je dat vuurtje nog eens extra moet opstoken? Het is jouw taak toch niet om het recht zo’n beetje te handhaven en dan maar gebruik te maken van hun woede?’

‘Dat meisje in de Pósthússtræti had ook niks gedaan,’ zei Finnur.

‘Ik weet dat het een nichtje van je was. Dat maakt het alleen maar erger.’

‘Ze hebben haar tegen haar hoofd geschopt. Twee idioten die op zaterdagavond de beest uithingen. Ze wordt nooit meer de oude. En die lui kregen een maand of wat, voor het grootste deel nog voorwaardelijk ook. Ze hadden nog niet zo veel uitgehaald, ze waren nog jong, en de rest werd ook in hun voordeel uitgelegd.’

‘En daarom liet jij ze maar afrossen,’ zei Sigurður Óli. ‘Jij zorgde ervoor dat ze hiervandaan werden gevolgd, en aangevallen en in elkaar geslagen.’

‘Volgens mij heeft dat meer effect dan een paar maanden en de rest voorwaardelijk. Ik snap overigens niet goed wat je nou eigenlijk wil.’

‘Je moet hiermee ophouden,’ zei Sigurður Óli.

‘Dan heb je het niet goed begrepen, Siggi, ik dóé namelijk helemaal niks.’

‘Het is maar wat je niks noemt.’

‘Heb je mijn nichtje wel eens gezien? Zoals ze uit het ziekenhuis gekomen is?’

‘Nee. Maar jij houdt hiermee op. Anders moet ik er werk van maken en ik weet dat je dat niet wil.’

‘Ze krijgen helemaal geen straf, die jongens. Je ziet ze altijd weer terug, altijd weer in dezelfde ellende. Nou, wat moet je dan nog?’

‘Je moet hiermee stoppen.’

‘Persoonlijk,’ zei Finnur, en hij opende de deur voor Sigurður Óli, ‘vind ik dat je zulk tuig moet afschieten zodra je ze in de gaten krijgt.’

Doodskap
x97890214406511.xhtml
x97890214406512.xhtml
x97890214406513.xhtml
x97890214406514.xhtml
x97890214406515.xhtml
x97890214406516.xhtml
x97890214406517.xhtml
x97890214406518.xhtml
x97890214406519.xhtml
x978902144065110.xhtml
x978902144065111.xhtml
x978902144065112.xhtml
x978902144065113.xhtml
x978902144065114.xhtml
x978902144065115.xhtml
x978902144065116.xhtml
x978902144065117.xhtml
x978902144065118.xhtml
x978902144065119.xhtml
x978902144065120.xhtml
x978902144065121.xhtml
x978902144065122.xhtml
x978902144065123.xhtml
x978902144065124.xhtml
x978902144065125.xhtml
x978902144065126.xhtml
x978902144065127.xhtml
x978902144065128.xhtml
x978902144065129.xhtml
x978902144065130.xhtml
x978902144065131.xhtml
x978902144065132.xhtml
x978902144065133.xhtml
x978902144065134.xhtml
x978902144065135.xhtml
x978902144065136.xhtml
x978902144065137.xhtml
x978902144065138.xhtml
x978902144065139.xhtml
x978902144065140.xhtml
x978902144065141.xhtml
x978902144065142.xhtml
x978902144065143.xhtml
x978902144065144.xhtml
x978902144065145.xhtml
x978902144065146.xhtml
x978902144065147.xhtml
x978902144065148.xhtml
x978902144065149.xhtml
x978902144065150.xhtml
x978902144065151.xhtml
x978902144065152.xhtml
x978902144065153.xhtml
x978902144065154.xhtml
x978902144065155.xhtml
x978902144065156.xhtml
x978902144065157.xhtml
x978902144065158.xhtml
x978902144065159.xhtml
x978902144065160.xhtml
x978902144065161.xhtml
x978902144065162.xhtml
x978902144065163.xhtml
x978902144065164.xhtml
x978902144065165.xhtml
x978902144065166.xhtml
x978902144065167.xhtml