45
De verhoren van het duo Toggi en Höddi – Þórarinn en Hörður – werden ’s middags voortgezet. Þórarinn werd ondervraagd door Sigurður Óli en Finnur. Het verhoor vond plaats in het huis van bewaring van Litla-Hraun, waar de verdachten in voorarrest zaten. Sigurður Óli had Finnur in grote lijnen op de hoogte gebracht van zijn onderzoek naar de contacten tussen Lína en de drie bankmensen. Hij had verteld dat hij met hen was gaan praten, maar weinig medewerking had gekregen. De beide rechercheurs hadden afgesproken welke tactiek ze voor de ondervraging van Þórarinn zouden gebruiken. Die was tot nu toe niet bereid geweest tot enige samenwerking. Het werd tijd dat hij zich eens goed realiseerde in wat voor positie hij verkeerde.
‘Vermoeiende kerel,’ zei Finnur.
‘Doodziek word ik van die vent,’ zei Sigurður Óli.
De verdachte was bepaald niet onder de indruk toen hij met zijn raadsman de verhoorkamer werd binnengeleid. Hij glimlachte vriendelijk tegen de rechercheurs, ging wijdbeens op zijn stoel zitten en tikte met een voet op de vloer.
‘Wat is dit hier voor een tent?’ zei hij. ‘Elke dag havermout.’
‘Ik zou er maar vast aan wennen,’ zei Finnur.
Sigurður Óli zette de opnameapparatuur aan en het verhoor begon met dezelfde vragen als tevoren: over Lína, waarom hij haar, gewapend met een knuppel, thuis had opgezocht, en waarom hij haar had neergeslagen. Þórarinn hield zich aan zijn eerdere verklaring: dat het om drugsschulden ging en dat hij niet zover had willen gaan. Nog steeds beweerde hij dat hij uit zelfverdediging had moeten handelen.
‘Oké,’ zei Sigurður Óli. ‘Iets anders. Ken je ene Sverrir? Hij werkt bij een bank.’
‘Wie is dat?’
‘Als jíj me dat eens vertelde.’
‘Ik ken geen Sverrir. Wat beweert die man? Verkoopt hij leugens over me? Ik ken hem in ieder geval niet.’
‘En een man die Arnar heet? Ook een bankman. Werkt bij dezelfde bank.’
‘Ken ik niet.’
‘En nog een derde man van die bank. Die heet Knútur. Ken je die?’
‘Nee.’
‘Ken je ene Þorfinnur?’
‘Nee. Wat zijn dat voor gasten?’
‘Heb je wel eens contact gehad met die mensen?’
‘Nee.’
‘Heeft een van hen het wel eens met je over Lína gehad?’
‘Ik zeg toch dat ik die lui niet ken?’
‘Ontken je dat je contact met ze gehad hebt?’
‘Ja. Ik ken ze helemaal niet.’
‘Heb je de naam Alain Sörensen wel eens gehoord?’
‘Wie is dat nou weer, verdomme?’
‘Oké,’ zei Sigurður Óli. ‘Dat was het. Bedankt.’
Hij strekte zijn hand uit naar de recorder en schakelde hem uit.
‘Je krijgt levenslang, omdat je in je eentje verantwoordelijk bent voor Lína’s dood. ‘Dat heb je prima gedaan. Mag je trots op zijn. Gefeliciteerd.’
‘Wat? Is het nou al afgelopen?’ zei Þórarinn stomverbaasd. ‘Wat waren dat voor lui waar je zonet naar vroeg?’
‘Het is wel duidelijk, denk ik,’ zei Finnur tegen Þórarinns advocaat. Noch hij, noch Sigurður Óli bekommerde zich erom dat de verdachte erbij zat. Ze legden de raadsman uit dat de zaak wat hen betrof opgelost was en dat de politie verder geen bemoeienis meer met Þórarinn zou hebben. De zaak ging nu regelrecht naar de openbare aanklager. Toggi luisterde aandachtig en langzamerhand begon het tot hem door te dringen dat hij de zaken niet meer naar zijn hand kon zetten.
‘We verwachten dat hij tot de uitspraak hier in Litla-Hraun in voorarrest gehouden wordt. Na het vonnis blijft hij dan hier, zoals gebruikelijk,’ zei Sigurður Óli tot de advocaat.
‘Laat dat van die verantwoordelijkheid nog eens horen,’ zei Þórarinn en hij keek Sigurður Óli en Finnur aan.
‘Wat voor verantwoordelijkheid?’ zei Sigurður Óli. ‘Waar heb je het over?’
‘Als iemand… hoe zeg je dat… waar je het de laatste keer over had. Als je alleen maar… als je alleen maar een werktuig bent, of weet ik wat je zat te lullen.’
‘Bedoelde je wat ik zei over medeplichtigheid?’
‘Ja, wat was dat ook al weer?’
‘Wil je zeggen dat je je verklaring wilt wijzigen?’
Þórarinn zweeg.
‘Wil je je verklaring wijzigen?’ vroeg Finnur.
‘Het is nog helemaal niet zeker dat ik de enige ben die er schuldig aan is,’ zei Þórarinn. ‘Dat wou ik alleen maar zeggen. Jij zei dat ik niet de enige schuldige hoefde te zijn. Dat heb je de laatste keer gezegd.’
‘Wat wil je nou eigenlijk,’ zei Sigurður Óli. ‘Wees nou eens een keer duidelijk.’
‘Ik wil alleen maar zeggen dat ik misschien niet de enige schuldige ben.’
‘O nee?’
‘Nee.’
‘Je moet nog veel duidelijker zijn,’ zei Finnur. ‘Waar heb je het over?’
Þórarinns raadsman boog zich naar hem toe en fluisterde hem iets in het oor. Þórarinn knikte. Nog een keer fluisterde de raadsman hem iets in en Þórarinn schudde nee.
‘Mijn cliënt geeft aan dat hij niet ongenegen is om met de politie mee te werken,’ zei de advocaat toen ze klaar waren met hun onderonsje. ‘Hij wil weten of hij tot een regeling kan komen voor clementie in ruil voor inlichtingen.’
‘Wat ons betreft zit die clementie er niet in,’ zei Finnur. ‘Wat het OM doet is een ander verhaal.’
‘Die cliënt van jou heeft ons al te lang aan het lijntje gehouden,’ zei Sigurður Óli.
‘Rustig, man, rustig,’ zei Þórarinn. ‘Doe niet zo opgefokt.’
‘Hij biedt nu aan met de politie mee te werken,’ zei de advocaat.
‘Nou, oké dan,’ zei Sigurður Óli, en hij ging weer achter de recorder zitten, ‘voor de draad ermee.’
Een uur later werd Höddi, vergezeld van zijn advocaat, de verhoorruimte binnengebracht. Sigurður Óli en Finnur wachtten hen op. Algauw begon de recorder te zoemen, heel zacht, nauwelijks hoorbaar. Sigurður Óli noemde heel precies de plaats, de tijd en de namen van degenen die bij het verhoor aanwezig waren. Het was alsof Höddi gemerkt had dat er iets was veranderd, dat de rollen misschien wel waren omgedraaid, en niet in zijn voordeel. Hij keek de twee rechercheurs aan, en vervolgens zijn raadsman. Die haalde zijn schouders op.
Finnur schraapte zijn keel.
‘Je vriend Þórarinn heeft tijdens zijn verhoren verteld dat hij om jou te helpen het huis van Sigurlína Þorgrímsdóttir is binnengevallen.’
‘Dat liegt hij dan,’ zei Höddi.
Finnur ging verder.
‘Hij zegt dat jij hem hebt gevraagd om Sigurlína – Lína, zoals ze genoemd wordt – op te zoeken om haar bang te maken en haar een pak slaag te geven dat haar lang zou heugen. En haar te vertellen dat ze vermoord zou worden als ze “er niet mee ophield”. Hij moest in haar huis ook nog foto’s zoeken.’
‘Dat is stomweg gelogen!’
‘Hij zei nog meer. Je zou hem verteld hebben dat de opdrachtgever jou kende, en dat je het heel lollig had gevonden dat die contact met je had opgenomen voor die klus.’
‘Bullshit.’
‘Hij zei dat je hem er niet voor hebt betaald. Je had nog wat van hem te goed, dus daarom heb je het aan hém gevraagd. Jij hebt indertijd die jeep voor hem in brand gestoken, op het terrein van een garage in Selfoss. Dat was voor een kennis van hem, een zaakje van verduistering en verzekeringsfraude.’
‘Zei hij dat? Die man is gestoord!’
‘Hij heeft in zijn verhoren ook gezegd dat hij helemaal niet van plan was Sigurlína dood te slaan, maar dat de klappen, twee waren het er, ongelukkig terecht waren gekomen. Het was niet de bedoeling, niet van hem, niet van jou en ook niet van je opdrachtgever, om die vrouw te doden. Het was gewoon een ongelukkige actie, waarvoor híj verantwoordelijk is.’
Finnur onderbrak zijn betoog even. Sigurður Óli en hij wisten niet of Þórarinn hun de waarheid had gezegd. Weliswaar had hij bereidheid getoond hen te helpen de zaak op te lossen en maakte zijn verhaal een geloofwaardige indruk, maar op veel punten was het onvolledig. En het was mogelijk dat Höddi gelijk had. Het zou kunnen dat Þórarinn had gelogen over wat hij had gedaan, al leek hun dat tamelijk onwaarschijnlijk.
Höddi staarde naar Finnur en Sigurður Óli. Ze gaven hem de tijd zich op zijn nieuwe positie te beraden. Ten slotte boog hij zich naar zijn advocaat toe en staken ze de koppen bij elkaar. Daarna verzocht de advocaat om een onderbreking van het verhoor, zodat hij beter met zijn cliënt kon overleggen. Dat werd toegestaan, en hij ging met Höddi de gang op.
‘Hij lult maar wat,’ hoorden ze hem zeggen, juist voor de deur dichtviel. Sigurður Óli en Finnur wachtten rustig. Er verstreek een tijdje voor ze weer verschenen.
‘Ik wil naar mijn cel terug,’ zei Höddi toen hij met zijn advocaat de verhoorruimte binnenkwam.
‘Wie heeft je op Lína afgestuurd?’ vroeg Sigurður Óli.
‘Niemand,’ antwoordde Höddi.
‘Wat was de bedoeling?’ vroeg Finnur.
‘Helemaal niks.’
‘Waar moest Lína mee ophouden?’ vroeg Sigurður Óli.
Höddi gaf geen antwoord.
‘Ik noem je nu een paar bankmensen. Sverrir, Arnar en Knútur. Ken je die?’ vroeg Finnur.
Höddi gaf nog steeds geen antwoord.
‘Heeft een van die mensen je op Lína afgestuurd om haar het zwijgen op te leggen?’
Geen antwoord.
‘En twee mannen die Patrekur en Hermann heten?’ vroeg Finnur en hij keek Sigurður Óli aan om hem duidelijk te maken dat hij die vraag niet had mogen overslaan.
‘Ik wil naar mijn cel terug,’ zei Höddi. ‘Mij krijgen jullie niet zover dat ik meedoe met Toggi z’n leugens. Die wil alles op mijn bordje schuiven. Dat zíé je toch? Begrijpen jullie dat dan niet? Híj heeft die meid doodgeslagen. Hij alleen. Niemand anders. Maar evengoed schuift hij het mij in de schoenen. Helemaal geen punt voor hem!’
‘Ken je de mensen die we hebben genoemd?’
‘Nee! Die ken ik niet.’
‘Waar moest Lína mee ophouden?’ vroeg Sigurður Óli.
Op dat punt waren Þórarinns antwoorden heel vaag geweest. Hij beweerde dat Höddi dat zo had gezegd. Wat hij letterlijk had gezegd en waar Lína precies mee moest ophouden was hij vergeten, en daarom had hij alleen maar tegen haar gezegd dat ze moest ophouden met wat ze deed. Þórarinn had verteld dat hij naar het huis was gereden, Lína had zien thuiskomen en gemeend had dat ze alleen was. Hij had de auto op een geschikte plaats neergezet en vervolgens zijn opdracht uitgevoerd. Hij had haar geen kans gegeven zich te verdedigen of vragen te stellen en had niet goed gelet op wat ze zei. Hij had haar een klap op haar schouder gegeven en tegen haar gezegd wat hem was opgedragen, maar dat scheen ze niet goed te horen of te begrijpen. Toen had hij haar nog een keer op haar schouder willen slaan, harder, maar de knuppel had keihard haar hoofd geraakt en ze was op de vloer gevallen. En toen had hij voetstappen gehoord en zich verscholen.
‘Ophouden waarmee?’ vroeg Finnur. ‘Waar moest je Lína dan mee laten stoppen?’
‘Nergens mee.’
‘Ben je zo’n sufkop dat je dat niet eens meer weet?’ zei Sigurður Óli.
‘Krijg de ziekte, kerel,’ zei Höddi.
‘Wie was jouw opdrachtgever?’
‘Niemand.’
Sigurður Óli zette de recorder af.
‘Morgen gaan we verder,’ zei hij. ‘Hopelijk denk je er vannacht nog eens goed over na.’
‘Vergeet het maar,’ zei Höddi.