40
De meester vroeg hem waarom hij zo somber keek. Het was onder de les biologie. Hij had zijn huiswerk niet gedaan en nu was hij bang dat hij het antwoord niet zou weten als hij de beurt kreeg. De meester had het hem drie dagen eerder ook al gevraagd en toen had hij evenmin geweten wat hij moest zeggen. Biologie vond hij leuk, maar het lukte hem niet om thuis ook maar iets te leren, ook niet voor rekenen en de andere vakken. Hij wist dat hij achteruitging, maar hij slaagde er niet in zichzelf tot de orde te roepen. Hij had er de kracht niet voor. Hij kwam maar niet op gang en wat hij had geleerd toen hij op school begon lag alweer zo ver achter hem. Hij was depressief, maar wist dat niet en kon geen antwoord geven toen de onderwijzer ernaar vroeg. Hij keek hem alleen maar aan en zei niets.
‘Is er iets met je, Andrés?’ vroeg de onderwijzer.
De hele klas keek naar hen. Waarom moest de meester daar nou naar vragen? Waarom liet hij hem niet met rust?
‘Nee, hoor,’ antwoordde hij.
Maar dat klopte niet.
Hij leefde voortdurend in angst. Rögnvaldur had gezegd dat hij hem zou doodmaken als hij zou praten over wat er gebeurde. Maar die bedreiging was overbodig, hij zou er voor geen geld met iemand over praten. Wat moest hij er ook over zeggen? Hij kon het niet eens uitleggen; hij ging zelfs elke gedachte eraan uit de weg.
Hij borg zijn afschuw weg, op een plaats waar niemand erbij kon komen. Een plaats waar bloed en tranen langs de muren stroomden en waar niemand hem hoorde roepen.
De onderwijzer zag dat de jongen zich slecht op zijn gemak voelde nu alle aandacht zich op hem richtte. Hij veranderde direct van onderwerp en vroeg Andrés twee meerjarige planten te noemen. Dat deed hij, een beetje aarzelend. De onderwijzer ging verder met de volgende leerling. Niet meer in het middelpunt van de belangstelling herademde hij.
Sinds hij weer bij zijn moeder was teruggekomen had hij zich nooit meer blij gevoeld. Zijn leven was een onafgebroken nachtmerrie geworden. Hij zag er ’s morgens tegenop wakker te worden en ’s avonds om te gaan slapen. Hij zag ertegenop naar school te gaan, waar ze hem vroegen waarom hij zo somber keek en of hij soms geen schone kleren had om aan te trekken en waarom hij geen brood bij zich had. Hij was bang de aandacht te trekken. Hij was bang wakker te worden, want zodra hij wakker werd kwam alles terug. Hij was bang te gaan slapen, want hij wist nooit of Rögnvaldur ’s nachts bij hem zou komen en hem met zich mee zou nemen. Hij was bang voor de dag, want dan was hij helemaal alleen op de wereld.
Zijn moeder was nooit thuis als het gebeurde, maar ze wist wat er gaande was. Hij wist dat zij het wist, want één keer had hij gehoord dat ze Rögnvaldur vroeg van de jongen af te blijven. Ze was als gewoonlijk dronken.
‘Bemoei je d’r niet mee,’ had Rögnvaldur gezegd.
‘Het is nou wel genoeg geweest,’ zei zijn moeder. ‘En waarom film je dat eigenlijk allemaal?’
‘Hou je bek,’ was het antwoord geweest.
Ook haar bedreigde hij en soms sloeg hij haar.
Op een dag was Rögnvaldur weggegaan. Zijn filmprojector, de films, de camera, zijn kleren, schoenen en laarzen, zijn scheerspullen in de badkamer, zijn mutsen en jassen – toen Andrés op een dag wakker werd was alles verdwenen. Soms was hij wel eens een korte tijd weggeweest, maar dan liet hij zijn eigendommen altijd thuis. Nu leek het erop dat hij niet meer terug zou komen. Hij was verdwenen met alles wat hij had.
De dag ging voorbij. Twee dagen. Drie. Geen Rögnvaldur. Vijf dagen. Tien. Twee weken. Geen enkel levensteken van Rögnvaldur. Hij werd op een nacht wakker en dacht dat Rögnvaldur hem aanstootte. Maar hij was het niet, hij stond er niet. Drie weken. Herhaaldelijk vroeg hij er zijn moeder naar.
‘Komt hij terug?’
Hij kreeg altijd hetzelfde antwoord.
‘Net of ik dat weet!’
Een maand.
Een jaar.
Toen was hij begonnen de pijn te verdoven. Ongelooflijk hoe lekker je je ging voelen als je lijm snoof.
Met al zijn kracht vermeed hij de ruimte te openen waar het bloed langs de muren stroomde.
Rögnvaldur kwam nooit terug.
Hij keek naar de grijze, sombere hemel.
Hij voelde zich wonderlijk goed op het kerkhof. Hij zat met zijn rug tegen een oude, met mos begroeide grafsteen, en hoewel die kil aanvoelde liet hij die kou niet tot zich doordringen. Hij dacht dat hij had geslapen. De avondschemering lag over de stad; het lawaai van het verkeer drong tot hem door vanachter de kerkhofmuur en de hoge bomen die boven lang vergeten graven oprezen. Hij was aan alle kanten omringd door een vredige dood.
Hier stond de tijd stil.
Hier hoefde hij niets te doen.