5
Toen het avond begon te worden, de schemering neerdaalde en het rustig werd in de stad belde Sigurður Óli aan bij Sigurlína Þorgrímsdóttir, Lína zoals ze genoemd werd, die zich mogelijk schuldig had gemaakt aan chantage. Hij wilde het gesprek met haar snel achter de rug hebben. Ze woonde met haar man, die Ebeneser heette en Ebbi genoemd werd, in een rijtjeshuis in het oostelijke deel van de stad, niet ver van de Laugarásbioscoop. Sigurður Óli keek in de richting van de bioscoop en dacht aan de mooie films die hij daar in zijn jonge jaren had gezien, in de tijd dat hij als hij maar even kon naar de bioscoop ging. Titels schoten hem niet meer te binnen; wat films betreft was hij altijd kort van memorie geweest. Toch zou de Laugarásbioscoop voor hem een onvergetelijke plek blijven, dat wist hij. Dat kwam door een bioscoopbezoek in zijn gymnasiumtijd dat in zijn herinneringen een speciale plaats innam. Hij was er geweest met een meisje dat zich van de avond meer voorstelde dan bioscoopbezoek alleen. Nog herinnerde hij zich een eindeloze kus, in de auto voor haar huis.
Hij had er nog geen idee van hoe hij Hermann en zijn vrouw moest helpen. Hij dacht erover Lína en Ebbi precies te vertellen wat hij van ze dacht, hevig te dreigen met een politieoptreden en af te wachten of dat effect had. Uit het verhaal van Hermann viel op te maken dat ze geen echt geroutineerde afpersers waren: de manier waarop ze te werk gingen was nogal ongewoon.
Onderweg naar Lína dacht hij aan de vorige avond. Hij had thuis ontspannen op de bank naar een Amerikaans sportprogramma liggen kijken toen de telefoon ging. Zijn opleiding had hij in de Verenigde Staten gehad en daar had hij belangstelling gekregen voor twee typisch Amerikaanse sporten, die tot dan toe een gesloten boek voor hem waren geweest. American football vond hij een bijzonder mooi spel en hij begon een van de teams van de National Football Leage te volgen, de Dallas Cowboys. Daarnaast raakte hij verslingerd aan honkbal, waarbij de Boston Red Sox zijn lievelingsteam was. Weer thuis schafte hij zich een schotelantenne aan en volgde hij fanatiek de rechtstreekse uitzendingen van deze sporten. Dat was vaak niet zo eenvoudig: wanneer de wedstrijden werden gehouden als het op IJsland nacht was kon het tijdverschil erg nadelig voor hem uitpakken. Maar Sigurður Óli had nooit veel slaap nodig gehad en het kwam maar zelden voor dat hij vanwege de nachtelijke uitzendingen ’s morgens in de sportschool verstek liet gaan. De IJslandse sporten, voetbal en handbal, konden hem niet bekoren. Hij vond dat ze in het algemeen pijnlijk afstaken tegen wat er in de wereld aan moois te zien was en dat uitzendingen van IJslandse wedstrijden nauwelijks behoorlijke televisie opleverden.
Hij had een klein appartement aan de Framnesvegur gehuurd. Toen hij bij Bergþóra wegging, na een relatie die enige jaren had geduurd, hadden ze in alle vrede hun eigendommen verdeeld, boeken en cd’s, keukengerei en huisraad. Hij wilde de flatscreen heel graag hebben, zij een schilderij van een jonge IJslandse kunstenaar, een cadeau dat ze ooit hadden gekregen. Bergþóra had nooit veel tv-gekeken en deelde zijn interesse in Amerikaanse sporten niet. Het appartement was nog halfleeg en het ontbrak hem aan tijd om het helemaal in te richten. Diep vanbinnen hoopte hij misschien nog wel dat de relatie met Bergþóra niet definitief verbroken was.
Ze hadden onophoudelijk ruzie gehad en konden eigenlijk niet meer met elkaar praten zonder dat ze kwaad werden en de beschuldigingen heen en weer vlogen. Ze beschuldigde hem er tegen het einde van dat hij haar bij haar laatste miskraam niet genoeg had gesteund. Ze hadden geen kinderen kunnen krijgen en pogingen om daar met medische hulp verandering in te brengen waren op niets uitgelopen. Zij had het woord ‘adoptie’ laten vallen. Hij had erg geaarzeld en ten slotte gezegd dat hij geen kind uit China wilde adopteren, zoals zij zich had voorgesteld.
‘Wat blijft er dan nog over,’ had Bergþóra gevraagd.
‘Wij tweeën,’ had hij geantwoord.
‘Daar ben ik nog niet zo zeker van,’ had ze gezegd.
Uiteindelijk waren ze tot een gezamenlijke conclusie gekomen. De relatie liep op haar eind, ze erkenden het allebei, en ook dat het aan hen beiden lag. Toen ze die conclusie eenmaal getrokken hadden leek het wel of er meer evenwicht in hun verhouding kwam. De spanning die tussen hen had geheerst werd aanmerkelijk minder, hun onderlinge verstandhouding was niet meer zo onvriendelijk, niet zo vervuld van haat. Voor het eerst sinds lang konden ze samen praten zonder dat het in bitterheid en zwijgen eindigde.
Hij lag voor het grote scherm op de bank, dronk sinaasappelsap en ging helemaal op in het American football, toen de telefoon ging. Hij keek op zijn horloge, het was al na middernacht. Hij tuurde op het display.
‘Hallo,’ zei hij in de telefoon.
‘Lag je nog niet op bed?’ vroeg zijn moeder.
‘Nee.’
‘Je krijgt niet genoeg slaap. Je moet eerder naar bed gaan.’
‘Dan had je me wakker gemaakt met dat bellen van je.’
‘O, is het al zo laat? Nou ja, eigenlijk had ik gedacht dat jij wel eens zou bellen. Heb je nog wat van je vader gehoord?’
‘Nee,’ antwoordde Sigurður Óli en hij probeerde niets te missen van wat er op het scherm voorviel. Hij wist dat zijn moeder de klok heel goed in de gaten hield.
‘Je weet toch dat hij binnenkort jarig is?’
‘Jawel, ik zal er echt aan denken.’
‘Ben je nog van plan morgen bij me langs te komen?’
‘Ik heb erg veel te doen deze dagen, ik zie wel. We hebben het er nog wel over.’
‘Erg vervelend dat je die dief niet hebt kunnen vinden.’
‘Nee, dat is niet gelukt.’
‘Je zou het misschien nog een keer kunnen proberen. Munda is er helemaal kapot van. En al helemaal vanwege die musicus daar op de trap.’
‘We zien wel,’ zei Sigurður Óli, die niet erg enthousiast was over het voorstel. Het zal me worst zijn hoe het met Munda gaat, dacht hij, maar hij zei niets.
Hij zei zijn moeder welterusten en probeerde zich weer op het spel te concentreren. Dat lukte hem niet helemaal. Het telefoongesprek had hem gestoord. Al had het maar kort geduurd en al leek het heel onschuldig, hij voelde de prikjes van zijn geweten over zijn hele lichaam. Zijn moeder had er een handje van met hem te praten op een manier die zijn gemoedsrust flink verstoorde. Het ging allemaal op een vaag beschuldigend toontje waar autoriteit in doorklonk. Hij sliep niet genoeg, dús hij lette niet genoeg op zijn gezondheid. Hij had een tijdlang geen contact met haar gehad: haar niet opgebeld en niet bezocht. Ze wreef hem dit in door zijn vader ter sprake te brengen, die hij ook al verwaarloosde. En nou was hij nog niet klaar met die verdomde Munda, tenminste als hij zijn moeder niet nóg meer wilde laten zitten. Ten slotte kreeg hij te horen dat het hem niet gelukt was de tijdschriftendief te grijpen. Hij was dus een kneus, en wel op diverse terreinen.
Zijn moeder was bedrijfseconoom en werkte als accountant bij een belangrijk bedrijf met een grote en indrukwekkende buitenlandse naam. Ze had een verantwoordelijke functie, was in goeden doen en had onlangs een relatie gekregen met een andere accountant die Sæmundur heette – Sigurður Óli had hem een paar keer bij haar thuis ontmoet. Sigurður Óli zat nog op de lagere school toen zijn ouders gescheiden waren; hij was tot hij volwassen werd bij zijn moeder gebleven. Veel rust had ze in die jaren niet, ze verhuisde regelmatig naar een nieuwe buurt, wat het voor een schooljongen lastig maakte in te burgeren en vriendjes te krijgen. Ze had relaties met mannen, meestal niet van lange duur; sommige van haar partners waren niet meer dan vluchtige kennissen. Zijn vader was loodgieter, een man van zeer besliste politieke overtuigingen, links in hart en nieren. Hij moest niets hebben van het conservatisme en het kapitalisme waarmee zijn zoon altijd weer kwam aanzetten. ‘Er zijn geen mensen met een sterkere en juistere politieke overtuiging dan wij die altijd al links geweest zijn,’ zei zijn vader. Sigurður Óli probeerde al lang niet meer met hem over politiek te praten. Als hij zijn zoon niet aan zijn kant kon krijgen zei de oude man steevast dat hij dat conservatieve snobisme van zijn moeder had.
Sigurður Óli bleef met zijn gedachten bij het telefoongesprek. Langzamerhand verloor hij zijn belangstelling voor het spel; ten slotte deed hij de tv uit en ging naar bed.
Hij zuchtte diep en drukte bij Lina’s huis op de bel.
De accountant en de loodgieter.
Nooit had hij kunnen ontdekken wat zijn ouders samengebracht had. Waarom ze waren gescheiden kon hij zich beter voorstellen, al had geen van beide ouders daar zelf een bevredigende verklaring voor. Er waren op aarde nauwelijks menselijke wezens te vinden die meer van elkaar verschilden dan zijn vader en moeder. En hij, enig kind, stamde van beiden af. Het kon niet anders of de opvoeding die hij van zijn moeder had gekregen had zijn kijk op het leven en het bestaan gekleurd. Sigurður Óli realiseerde zich dat. Dat speelde bijvoorbeeld een rol in de verhouding tot zijn vader. Lange tijd had hij maar één ding gewild: niet te worden zoals hij.
Zijn vader werd nooit moe te praten over een tweede eigenschap die Sigurður Óli van ‘dat mens’ had meegekregen – die hing dus ook weer met dat snobisme samen. Dat was zijn arrogantie, die rijkeluisneiging van hem om op andere mensen neer te kijken.
Speciaal lui die niet meekonden.
Er reageerde niemand op de bel, daarom bonsde hij op de deur. Nog steeds had hij er geen idee van hoe hij Lína en Ebbi zover moest krijgen die idiote chantageplannen te laten zitten. Waarschijnlijk kon hij toch beter eerst horen wat ze zelf te zeggen hadden. Misschien was het alles bij elkaar genomen maar een flauwekulverhaal van die zwager van Patrekur. En zo niet, dan kon hij ze misschien bang maken, zodat ze van hun plannen zouden afzien. Als het nodig was kon hij nogal indrukwekkend doen.
Veel tijd om daarover na te denken had hij niet. De deur gaf mee toen hij erop bonsde. Sigurður Óli aarzelde, riep toen of er iemand thuis was. Er kwam geen antwoord. Hij had kunnen omkeren en weer weggaan, maar er was iets wat hem het huis in trok, een instinctieve nieuwsgierigheid. Of was het onnadenkendheid?
‘Hallo!’ riep hij en hij liep een korte gang in, die hem vanuit de hal langs de keuken naar de woonkamer bracht. Een kleine ingelijste aquarel hing scheef aan de muur bij de keukendeur; hij hing hem recht.
In het huis was het donker; alleen de straatverlichting wierp haar schijnsel naar binnen. In dat zwakke licht zag Sigurður Óli dat de kamer één grote ravage was. Lampen en vazen lagen gebroken op de vloer, zelfs de plafondlampen; schilderijen waren van de muur gevallen.
Tussen alle brokstukken zag Sigurður Óli een vrouw in een plas bloed op de vloer liggen. Ze had een diepe wond aan het hoofd.
Dit moest Lína zijn – dat kon bijna niet anders.