46

Het was al halverwege de avond toen Sigurður Óli kwam aanrijden bij een prachtig vrijstaand huis in een nieuwe buurt bij het meertje Elliðavatn. De witte bungalow had rondom grote, in aluminium kozijnen gevatte ramen om de schitterende natuur eromheen zo goed mogelijk te vangen. Op het erf stonden twee zwarte jeeps; de dubbele garage was aan het huis vast gebouwd. De tuin om het huis was met zorg ontworpen, met zonneterrassen, een verwarmbaar bad, grote flagstones en mooi grind. Er waren drie grote bomen geplant; een ervan was een goudenregen.

Sigurður Óli belde aan. Bij de voordeur stond een kinderfietsje met kleurige franjes aan de uiteinden van het stuur en een zijwieltje aan één kant. Hier had iemand kennelijk vorderingen in het fietsen gemaakt.

Hij realiseerde zich heel goed dat hij zich op de zwakste schakel richtte. Maar hij deed wat hij moest doen, daaraan twijfelde hij niet. Hij vond het de moeite waard een poging te wagen wat druk uit te oefenen en te zien hoe ver hij daarmee kwam.

De deur ging open en een vrouw van ongeveer dertig jaar glimlachte hem tegemoet. Ze droeg een wit shirt T-shirt en fonkelnieuwe jeans. Ze keek vrolijk, maar was duidelijk ergens druk mee bezig.

‘Zou ik Knútur kunnen spreken?’ vroeg Sigurður Óli behoedzaam. Hij wilde het graag rustig houden. Het kon wel eens een bezoek worden dat de vrouw zich haar leven lang zou herinneren.

‘Kom binnen,’ zei ze, nog steeds glimlachend, nog steeds vriendelijk. ‘Hij is aan het pakken en ik ben aan het bakken, dus als je me wilt verontschuldigen?’

‘Dank je,’ zei Sigurður Óli. ‘Gaat hij ver weg?’

‘Nee, eerst naar Londen en dan naar Luxemburg.’

‘Hij is altijd aan het werk, hè?’ zei Sigurður Óli.

‘Ja, en dan al die reizen,’ zei ze alsof die wel dodelijk vermoeiend moesten zijn. ‘Je begrijpt niet hoe hij het volhoudt.’

Ze vroeg niet wie hij was of wat hij met haar man te bespreken had; ze was open, vrijmoedig, zonder enig wantrouwen. Misschien is ze ooit voor dat kinderlijke gezicht van Knútur gevallen, dacht Sigurður Óli. Dat had beslist iets vertederends.

‘Maar daarna willen we samen naar Griekenland. Heel even op vakantie,’ zei ze terwijl ze de keuken in liep. ‘Dat hebben we gisteren net afgesproken. Hij zei: “Dat hebben we wel verdiend.”’

In de keukendeur verscheen een jongetje van een jaar of vijf, helemaal onder de bloem. Het keek verlegen en wantrouwig naar Sigurður Óli en holde toen gauw weer naar zijn moeder.

De vrouw was de keuken door gelopen om haar man te halen. Knútur kwam van ergens achter uit het huis aanlopen. Toen hij Sigurður Óli bij de voordeur zag staan was hij meteen op zijn hoede.

‘Wat kom je hier doen?’ vroeg hij zacht, bijna fluisterend.

‘Ik wou graag over een paar punten je mening horen,’ zei Sigurður Óli. ‘We mogen geen tijd verspillen. Het onderzoek is in volle gang en sommige aspecten ervan moeten we nog helderder zien te krijgen.’

Hij gebruikte het meervoud ‘we’ alsof hij niet alleen op pad was. Naar zijn eigen inzichten was hij dat ook niet. En hij praatte over het onderzoek, dat geen uitstel kon dulden. Dat laatste lichtte hij niet verder toe.

‘Waar gaat het over?’ vroeg Knútur, in de richting van de keuken kijkend. De bange uitdrukking op zijn gezicht liet zich niet verbergen.

‘We kunnen er misschien beter bij gaan zitten,’ zei Sigurður Óli.

‘Is het iets belangrijks?’

‘Dat kon het wel eens worden, ja.’

‘Nou, kom maar mee, dan gaan we naar mijn kantoor.’

Sigurður Óli volgde hem door het prachtige huis met zijn etsen aan de muren, zijn glanzend witte bankstel en de parketvloer van walnotenhout.

‘En, hoe is het met dat orkestje afgelopen?’ vroeg Sigurður Óli.

‘Hè?’

‘Toen ik je een paar dagen geleden sprak was je bezig een orkestje te huren.’

‘O, goed. Ja, het was heel goed.’

‘Heeft het hier gespeeld?’

‘Ja.’

‘Moet je ergens naartoe?’

‘Nee. Of eigenlijk ja. Dat heeft Maja je zeker verteld? Ik moet een paar dagen weg. Business.’

‘En dan met vakantie?’

Knútur liet hem het kantoor in.

‘We gaan een dag of wat naar Griekenland,’ zei hij en hij sloot de deur.

‘Dat heeft toch niet met mij te maken?’ zei Sigurður Óli. Hij liet zijn blikken door het kantoor gaan. Het viel bij hem in de smaak. Geen boeken. Witgeverfde planken met kunstvoorwerpen, licht parket. Een flatscreen en een muziekinstallatie die hém royaal een maandsalaris zouden kosten. Op het witgelakte bureau twee computerschermen. Vast en zeker vloerverwarming. Zo zou hij het ook willen hebben. Als hij het geld voor het opscheppen had.

‘Nee,’ zei Knútur. Hij probeerde te glimlachen.

‘Wonen jullie hier pas?’ vroeg Sigurður Óli.

‘Een halfjaar nu,’ zei Knútur.

‘Moet je aardig wat gekost hebben. En twee auto’s. Nou ja, als je tenminste niet geleend hebt. Tegenwoordig kun je voor alles geld lenen.’

Knútur dwong zichzelf weer te glimlachen. Hij was niet van plan over zijn financiële situatie te praten.

‘Wat ben je waard,’ zei Sigurður Óli. ‘Dat is toch het belangrijkste gezelschapsspel op jullie party’s? Als het muziekensemble weer vertrokken is en de cognac rijkelijk vloeit? Wat ben je waard?’

‘Welnee. Ik weet het niet. Wat…’

‘Hoeveel denk je dat je waard bent? Weet je dat? Heel precies?’

Knútur rechtte zijn rug.

‘Ik snap niet wat jij daarmee te maken hebt.’

‘Dat kan voor ons van belang zijn. Voor de politie.’

‘Ik zou niet weten hoe dat…’

‘We weten van Alain Sörensen,’ viel Sigurður Óli hem in de rede.

Knútur reageerde niet.

‘We weten van Luxemburg.’

‘Weer toonde Knútur geen reactie. Hij staarde naar Sigurður Óli, die de lijst van deelnemers aan de gletsjertocht uit zijn jaszak haalde en hem die aanreikte.

‘Ik had algauw door dat jullie onderling contact hadden,’ zei hij.

Knútur pakte de lijst aan.

‘Waarom heb je niet gezegd dat je Sörensen kende?’

‘Die ken ik ook niet,’ zei Knútur. Hij keek niet naar de lijst.

‘Jullie hebben samen met hem aan die gletsjertocht meegedaan. Dat is me bevestigd.’

‘Dat is niet waar.’

‘Ik heb getuigen die ook met die tocht zijn mee geweest,’ zei Sigurður Óli, die met Patrekur had gebeld. Die had hem gezegd dat ‘de Zweed’, zoals hij Sörensen noemde, en die bankmensen kennelijk bij elkaar hoorden. Hij kon zich dat groepje wel herinneren. Het was informatie die Sigurður Óli heel goed kon gebruiken. Hij schraapte zijn keel en zei: ‘Ze bevestigen dat Alain Sörensen met de bankmensen was meegekomen, met jullie dus.’

Knútur was wit geworden.

‘En toch herkende je op de lijst zijn naam niet. Niemand van jullie groep. En nou beweer je dat je hem helemaal niet kent.’

Knútur zweeg.

‘Waarom moesten jullie daarover liegen? Vertel me dat eens. Waarom zou je nou liegen over zo’n onbelangrijk punt: of jullie die Sörensen kenden? Je snapt zeker wel dat ik jullie daarop kan pakken?’

Knútur gaf geen antwoord.

‘Jullie hebben iets te verbergen, zou ik denken.’

Sigurður Óli voerde de druk op.

‘We weten alles over die man,’ zei hij, hoewel hij in werkelijkheid buitengewoon weinig over hem wist, en al helemaal niets over foute praktijken. ‘Vader van twee kinderen. Zweeds-Franse ouders, opgegroeid in Zweden, heeft in Frankrijk gestudeerd. Hobby’s: wielrennen en reizen. Daarom heeft hij natuurlijk de kans waargenomen om voor die ontmoeting met jullie naar IJsland te komen. Hij hield van reizen.’

Nog steeds zei Knútur niets. Hij pakte het papier met namen en keek erop.

‘We hebben voorbereidingen getroffen om hem in Luxemburg op te zoeken,’ zei Sigurður Óli.

Het was aan Knútur te zien dat hij op het punt stond in te storten. Op wat Sigurður Óli opdiste leek hij geen weerwoord te hebben.

‘Het zal vast niet meevallen om met zo’n grote zwendelaffaire mee te doen,’ zei Sigurður Óli. ‘En dan weten we er natuurlijk de helft nog niet van, zoals…’

Het leek alsof Knútur niet van het vel papier durfde opkijken.

‘…zoals wat Lína jullie geflikt heeft.’

Knúturs vrouw kwam binnen en verstoorde het onderhoud.

‘Trek in koffie, heren?’

Knútur keek op van het papier en ze zag meteen dat er iets aan de hand was.

‘Wat is er?’ zei ze bezorgd.

Knúturs ogen vulden zich met tranen.

‘Wat is er gebeurd?’ zei ze. ‘Wat is er?’

Ze liep naar haar man toe, die zijn tranen probeerde te bedwingen en haar tegen zich aan drukte alsof ze het enige houvast was dat hij nog in zijn leven had.

‘Wat?’ zei de vrouw, en ze keek met een vragende blik naar Sigurður Óli. ‘Wat is er dan, lieverd? Is er iemand overleden?’

Knútur wierp zich in de armen van zijn vrouw. Ze keek naar Sigurður Óli, haar ogen plotseling vol verbazing en bezorgdheid.

‘Wat gebeurt hier, Knútur? Wie is deze man?’

Ze liet hem uit haar armen los en ze keken elkaar aan.

‘Wat is hier aan de hand, Knútur?’

‘O god,’ zei haar man.

‘Wat is er?’

‘Ik kan dit niet langer,’ zei Knútur.

De vrouw draaide zich naar Sigurður Óli.

‘Wie ben jij?’

Sigurður Óli keek naar Knútur. Hij had een beetje druk op hem willen uitoefenen, maar dit resultaat had hij niet verwacht. Het was duidelijk dat Knútur aan het eind van zijn Latijn was.

‘Ik ben van de politie,’ zei hij. ‘Je man zal mee moeten. Ik verwacht dat hij vannacht zal moeten blijven. Je kunt met hem meegaan naar het bureau als je dat wilt.’

Ze staarde Sigurður Óli aan alsof ze niet begreep wat hij zei. Ze verstond de woorden die hij uitsprak, maar kon ze niet koppelen aan iets wat ze kende. De betekenis ervan ging haar begrip ver te boven. Sigurður Óli merkte het aan haar en hij hoopte dat Knútur haar te hulp zou komen. Maar die vertoonde geen enkele reactie.

‘Wat bedoelt hij daarmee?’ zei de vrouw. ‘Geef antwoord. Ik wil een antwoord, Knútur. Zeg wat!’

Hun zoontje was in de deur van het kantoor verschenen en keek nog even wantrouwig naar Sigurður Óli als de eerste keer. Ze letten niet op hem.

‘Zeg wat!’ riep de vrouw tegen Knútur. ‘Sta daar niet te staan! Is het waar? Is het waar wat hij zegt?’

‘Mamma,’ zei het jongetje in de deuropening.

Maar de vrouw hoorde het kind niet.

‘Waarom? Wat heb je gedaan?’

Knútur keek zwijgend naar zijn vrouw.

‘Wat heb je gedaan?’ herhaalde ze.

‘Hij wil wat tegen jullie zeggen,’ zei Sigurður Óli. ‘Jullie zoon.’

‘Mamma,’ zei het jongetje. ‘Mamma.’

Eindelijk schonk ze hem aandacht.

‘Wat? Wat is er, m’n kerel?’ zei ze; snel probeerde ze te kalmeren.

Het jochie keek nog steeds even wantrouwig naar Sigurður Óli. Hij had hun avond volledig verwoest.

‘De taart is klaar.’

Doodskap
x97890214406511.xhtml
x97890214406512.xhtml
x97890214406513.xhtml
x97890214406514.xhtml
x97890214406515.xhtml
x97890214406516.xhtml
x97890214406517.xhtml
x97890214406518.xhtml
x97890214406519.xhtml
x978902144065110.xhtml
x978902144065111.xhtml
x978902144065112.xhtml
x978902144065113.xhtml
x978902144065114.xhtml
x978902144065115.xhtml
x978902144065116.xhtml
x978902144065117.xhtml
x978902144065118.xhtml
x978902144065119.xhtml
x978902144065120.xhtml
x978902144065121.xhtml
x978902144065122.xhtml
x978902144065123.xhtml
x978902144065124.xhtml
x978902144065125.xhtml
x978902144065126.xhtml
x978902144065127.xhtml
x978902144065128.xhtml
x978902144065129.xhtml
x978902144065130.xhtml
x978902144065131.xhtml
x978902144065132.xhtml
x978902144065133.xhtml
x978902144065134.xhtml
x978902144065135.xhtml
x978902144065136.xhtml
x978902144065137.xhtml
x978902144065138.xhtml
x978902144065139.xhtml
x978902144065140.xhtml
x978902144065141.xhtml
x978902144065142.xhtml
x978902144065143.xhtml
x978902144065144.xhtml
x978902144065145.xhtml
x978902144065146.xhtml
x978902144065147.xhtml
x978902144065148.xhtml
x978902144065149.xhtml
x978902144065150.xhtml
x978902144065151.xhtml
x978902144065152.xhtml
x978902144065153.xhtml
x978902144065154.xhtml
x978902144065155.xhtml
x978902144065156.xhtml
x978902144065157.xhtml
x978902144065158.xhtml
x978902144065159.xhtml
x978902144065160.xhtml
x978902144065161.xhtml
x978902144065162.xhtml
x978902144065163.xhtml
x978902144065164.xhtml
x978902144065165.xhtml
x978902144065166.xhtml
x978902144065167.xhtml