2
Sigurður Óli zuchtte diep. Drie uur lang had hij voor het flatgebouw in de auto gezeten, zonder dat er iets was gebeurd. Het tijdschrift stak nog uit de brievenbus, net als eerst. Er waren enkele mensen langs het portaal gekomen, maar die hadden geen aandacht besteed aan het blad, dat hij zo in de brievenbus had geschoven dat het er nog half uitstak. Je kon het zo meepakken als je dat van plan mocht zijn. Als je het wilde pikken, of gewoon een oude vrouw die op de tweede verdieping woonde wilde pesten.
Het stelde allemaal weinig voor. Eigenlijk was het wel het kleinste en onnozelste zaakje dat Sigurður Óli ooit als politieman had onderzocht. Zijn moeder had gebeld en hem gevraagd of hij een van haar vriendinnen een dienst wilde bewijzen. Die vriendin woonde in een flatgebouw aan de Kleppsvegur en was op een tijdschrift geabonneerd, maar dat bleek heel vaak verdwenen te zijn wanneer ze het op zondagmorgen beneden in het portaal uit de bus wilde halen. Het was de vriendin niet gelukt te ontdekken wie de schuldige was. Ze had haar buren gevraagd of die haar tijdschrift soms meenamen, maar allemaal bezwoeren ze haar bij hoog en bij laag dat ze het nooit met een vinger hadden aangeraakt. Sommigen haalden er zelfs hun neus voor op en noemden het een waardeloos, conservatief flutblad, dat ze van z’n levensdagen niet zouden willen lezen. Ze was het nog met hen eens ook, ze bleef het tijdschrift eigenlijk alleen maar trouw vanwege de in memoriams, die soms wel een kwart van de inhoud vormden.
De vriendin kon wel een paar mensen in haar trappenhuis noemen die ze verdacht. Op de verdieping boven haar woonde bijvoorbeeld een vrouw van wie ze dacht dat het ‘een mannengek’ was. Er kwam een stroom kerels op haar af, vooral ’s avonds en in de weekends. Een van hen zou wel eens de dief kunnen zijn, of anders zijzelf. Een andere bewoner van het gebouw, twee verdiepingen hoger, had geen werk, hing de godganse dag thuis rond zonder ook maar een klap uit te voeren; hij zei dat hij componist was.
Sigurður Óli volgde met zijn blikken een tienermeisje dat het flatgebouw binnenging. Het had er alle schijn van dat ze na een nacht stappen eindelijk thuiskwam, een beetje teut. Ze kon in het portemonneetje dat ze uit haar zak haalde niet direct haar sleutels vinden; ze viel bijna om, maar greep nog net de deurknop om zich overeind te houden. Naar het tijdschrift keek ze niet. Haar foto zou nooit in Mensen in het nieuws staan, dacht Sigurður Óli, en hij keek haar na toen ze moeizaam de trappen op krabbelde.
Hij had nog wat last van een nare griep, die maar heel langzaam uit zijn lijf weg wilde. Waarschijnlijk was hij niet goed uitgeziekt, maar hij had er eerlijk gezegd geen zin in nog langer in bed te liggen en op zijn gloednieuwe tweeënveertig inch flatscreen naar films te kijken. Hij kon maar beter iets te doen hebben, ook al was hij slap als een vaatdoek.
Hij dacht aan de afgelopen zaterdagavond. Zijn oude eindexamenklas had zijn jaarlijkse reünie gehad. Voor die gelegenheid hadden de klasgenoten elkaar ontmoet bij Guffi, zoals hij genoemd werd. Guffi was een nieuwe rijke uit het juristenwereldje, die Sigurður Óli op de zenuwen werkte, bijna vanaf het moment dat ze elkaar voor het eerst ontmoet hadden. Hij behoorde tot het slag mensen dat al jong een stropdas was gaan dragen en het was kenmerkend voor hem dat hij had aangeboden de reünie bij hem thuis te houden. Nu kon hij in de openingstoespraak zijn vroegere klasgenoten trots als een pauw vertellen dat hij onlangs directeur was geworden van de een of andere afdeling op de bank. En bij alle andere redenen was óók dit een heel goeie om op te drinken. Sigurður Óli had niet meegeklapt.
Hij liet zijn ogen over de groep gaan en vroeg zich af of hij degene was die na het verlaten van de school het minst van zijn leven had gemaakt. Zulke gedachten konden hem plagen, terwijl hij toch wel zin had gehad in die reünie. Er waren juristen als Guffi, er waren ingenieurs, twee dominees en drie artsen die een lange specialisatie begonnen waren. Ook was er een schrijver, van wie Sigurður Óli nooit iets had gelezen maar die in bepaalde kringen geweldig werd opgehemeld om zijn unieke stijl. Die tastte de grenzen van het onvatbare af, als je tenminste een recent gedebiteerde diepzinnige uitspraak mocht geloven. Toen Sigurður Óli zichzelf met zijn medescholieren vergeleek en aan zijn recherchewerk bij de politie dacht, aan zijn collega’s Erlendur en Elínborg en aan alle arme donders met wie hij dagelijks te maken had, zag hij niet veel om blij mee te zijn. Zijn moeder had altijd gezegd dat er meer in hem zat dan ‘dat’ en dan bedoelde ze de politie. Zijn vader was minder ontevreden en zei dat hij heel wat meer voor de samenleving deed dan de meeste andere mensen.
‘En, hoe is het bij de politie?’ vroeg Patrekur, een van de ingenieurs, die naast hem had gestaan toen Guffi zijn toespraak hield. Sigurður Óli en hij waren vrienden vanaf hun middelbareschooltijd.
‘Gaat wel,’ zei Sigurður Óli. ‘Jullie hebben zeker krankzinnig veel werk, nu het met de economie zo goed gaat? Krachtcentrales en dat soort dingen?’
‘We verdrinken er letterlijk in,’ zei Patrekur. Hij keek ernstiger dan hij doorgaans deed. ‘Zeg, even iets anders. Ik zou je binnenkort eens willen spreken. Er is iets waar ik met je over moet praten.’
‘Prima. Moet ik je arresteren?’
Patrekur glimlachte niet.
‘Als het goed is neem ik maandag contact met je op,’ zei hij en hij liep al naar een andere ex-klasgenoot.
‘Doe dat,’ zei Sigurður Óli en hij knikte naar Patrekurs vrouw, die Súsanna heette; ze was met hem meegekomen naar het feest, al was het geen regel dat echtgenoten er ook bij waren. Ze glimlachte naar hem terug. Hij had het altijd goed met haar kunnen vinden en vond zijn vriend een ontzettende geluksvogel dat hij haar had leren kennen.
‘Jij nog altijd bij de politie?’ vroeg Ingólfur, die met een bierglas in de hand naar hem toe kwam. Hij was een van de dominees uit de groep, stamde van beide kanten ook af van dominees en had nooit iets anders gewild dan in dienst van God te staan. Toch straalde hij geen opgelegde vroomheid uit, hij dronk graag een glas en was nogal gesteld op vrouwen; hij was voor de tweede keer getrouwd. Soms kiftte hij met de andere dominee uit de klas, Elmar, een volkomen ander mens. Elmar was zeer religieus, had iets ascetisch, geloofde kritiekloos het meeste dat in de Bijbel stond en stoorde zich aan alle veranderingen, vooral wanneer het ging om homoseksuelen die de gevestigde kerkelijke wetgeving in het land wilden veranderen. Ingólfur maakte het volstrekt niets uit wat voor combinaties van het mensenras zich tot hem wendden. Hij ging te werk volgens de enige regel die zijn vader hem had geleerd, namelijk dat alle mensen voor God gelijk waren. Maar hij had er plezier in met Elmar te bekvechten. Vroeg hem regelmatig of hij geen bijzondere gemeente wilde stichten, die van de zogenaamde Elmarieten.
‘En jij bent nog altijd dominee?’ vroeg Sigurður Óli.
‘We kunnen natuurlijk geen van beiden gemist worden,’ zei Ingólfur glimlachend.
Guffi kwam naar hen toe en sloeg Sigurður Óli kameraadschappelijk op de schouder.
‘En hoe staat het bij de politie?’ vroeg hij zeer luid, helemaal de nieuw aangetreden afdelingschef.
‘Alles oké,’ zei Sigurður Óli.
‘Geen spijt dat je nooit je rechtenstudie afgemaakt hebt?’ vroeg Guffi, zelfvoldaan als altijd. Hij was in de loop van de jaren behoorlijk aangekomen. De das die hem vroeger zo mooi stond verdween langzamerhand onder zijn enorme onderkin.
‘Nee, beslist niet,’ zei Sigurður Óli, die er in werkelijkheid wel eens over dacht bij de politie weg te gaan. Dan zou hij opnieuw beginnen met zijn rechtenstudie, die ook afmaken, iets van betekenis gaan doen. Maar dat zou hij nooit aan Guffi toegeven. En ook niet dat Guffi daarbij in zekere zin een lichtend voorbeeld voor hem was. Als een nitwit als Guffi snapte wat er in de wet stond, moesten de meeste andere mensen dat ook kunnen, dacht Sigurður Óli vaak.
‘Dus jij gaat homohuwelijken inzegenen,’ zei Elmar, die zich bij de groep aansloot, en hij keek bedroefd naar Ingólfur.
‘Begint-ie weer,’ zei Sigurður Óli. Het lukte hem weg te komen voor de geloofstwisten zouden oplaaien.
Hij draaide zich snel naar Steinunn, die met een glas in de hand langs hem liep. Ze had tot voor kort bij de belastingdienst gewerkt en Sigurður Óli had haar wel eens gebeld als hij problemen had bij het invullen van zijn aangifteformulier. Ze had zich steeds heel behulpzaam betoond. Hij wist dat ze een paar jaar geleden was gescheiden, dat ze sindsdien op zichzelf woonde en dat haar dat goed beviel. Dat hij ertoe gekomen was naar die avond bij Guffi te gaan was onder andere om haar.
‘Steina,’ riep hij, ‘werk je niet meer bij de belastingdienst?’
‘Nee, ik ben nu bij de bank van Guffi,’ zei Steinunn en ze glimlachte. ‘Nou vertel ik de rijken hoe ze onder het betalen van belastingen uit kunnen komen. Je reinste goudmijn, zegt Guffi.’
‘En de bank betaalt ook nog eens beter,’ zei Sigurður Óli.
‘Nogal ja, ik heb een waanzinnig hoog salaris,’ zei Steinunn.
Haar mooie witte tanden glinsterden toen ze glimlachte en een lok die voor haar ogen gevallen was in orde bracht. Ze was blond, het haar viel tot op haar schouders. Ze had een wat breed gezicht met mooie donkere ogen; haar wenkbrauwen had ze zwart geverfd. Eigenlijk leek ze een beetje ordi, zoals dat in jongerentaal heette. Sigurður Óli vroeg zich af of ze die term kende. Hij dacht eigenlijk van wel, Steinunn kon je op dat punt niet zoveel nieuws vertellen.
‘Ja, ik begrijp dat je niet van de honger omkomt,’ zei Sigurður Óli.
‘En hoe staat het met jou, hou jij de aandelenmarkt ook een beetje in de gaten?’
‘De aandelenmarkt?’
‘Je hebt toch wel wat aandelen?’ zei Steinunn. ‘Daar zie ik je tenminste wel voor aan.’
‘O ja, is dat te zien?’ vroeg Sigurður Óli glimlachend.
‘Ja, jij houdt toch zeker wel van een gokje?’
‘Ik kan het me niet permitteren risico te lopen,’ zei Sigurður Óli en hij glimlachte. ‘Ik heb alleen maar heel veilige beleggingen.’
‘En wat is veilig?’
‘Ik koop alleen maar bij de banken,’ zei Sigurður Óli.
Steinunn hief haar glas.
‘Dat wordt er ook al niet veiliger op.’
‘Woon je nog altijd alleen?’
‘Ja hoor, en het bevalt me uitstekend.’
‘Het kán grote voordelen hebben, ja,’ zei Sigurður Óli.
‘Hoe is het met jou en Bergþóra?’ vroeg Steinunn plompverloren. ‘Het gaat niet echt goed, hoor ik.’
‘Ja… nee, het gaat niet zoals het zou moeten,’ zei Sigurður Óli. ‘Helaas.’
‘Prima meid, Bergþóra,’ zei Steinunn, die Sigurður Óli’s voormalige vriendin een paar keer bij een soortgelijke gelegenheid had getroffen.
‘Ja, dat was… dat is ze ook. Ik vroeg me eigenlijk af of we niet eens zouden kunnen afspreken. Ergens koffiedrinken of zo.’
‘Of ik met jou uit wil?’
Sigurður Óli knikte.
‘Een date?’
‘Nee, geen date, of nou ja, misschien wel. Eigenlijk wel. Zo zou je het kunnen noemen, ja.’
‘Nee, Siggi,’ zei Steinunn, en ze tikte hem op zijn wang. ‘Je bent doodgewoon mijn type niet.’
Sigurður Óli keek haar aan.
‘Siggi, dat weet je best. Waar of niet? Nooit geweest. En je zult het nooit worden ook.’
‘Type?’
Sigurður Óli spuwde het woord uit, zittend in zijn auto voor het flatgebouw, waar hij wachtte op de tijdschriftendief. Type? Wat nou type? Was hij een slechter type dan wie ook? Wat had die Steinunn altijd te emmeren over types?
Een jongeman met een muziekinstrument in een koffer ging het flatgebouw in, greep zonder aarzelen het blad uit de brievenbus en opende met een sleutel de deur naar het trappenhuis. Sigurður Óli schoot het portaal in. Het lukte hem een voet tussen deur en deurpost te zetten en de gang binnen te gaan. De jongeman was zich nog van geen kwaad bewust toen Sigurður Óli hem op de trap vastgreep en naar beneden trok. Hij pakte hem het tijdschrift af en sloeg hem ermee op zijn hoofd. De man moest de koffer met zijn instrument loslaten. Die sloeg tegen de muur; zelf gleed de man uit en viel op de grond.
‘Ga staan, zakkenwasser!’ siste Sigurður Óli en hij probeerde de man op de been te krijgen. Hij bedacht dat dit de nietsnut moest zijn die twee verdiepingen boven de vriendin van zijn moeder woonde, de figuur die zichzelf componist noemde.
‘Niet slaan!’ riep de componist.
‘Ik sla jou helemaal niet. Jij moet eens ophouden dat tijdschrift van Guðmunda op de eerste verdieping weg te snaaien. Weet je wie dat is? Welke hersenloze idioot steelt er nou het zondagsblad van een oude vrouw? Vind je dat soms leuk? Zulke rottigheid uit te halen met iemand die er niks tegen kan doen?’
De jongeman was opgestaan. Hij keek beledigd en kwaad naar Sigurður Óli. Toen griste hij hem het tijdschrift uit zijn handen.
‘Dat blad is van mij,’ zei hij. ‘Ik weet niet waar je het over hebt!’
‘Jóúw blad?’ zei Sigurður Óli. ‘Nee vriend, dat blad is van Munda!’
Hij ging in het portaal kijken, waar de brievenbussen hingen: vijf op een rij, drie rijen onder elkaar. Hij zag het blad duidelijk zichtbaar uit Munda’s bus steken. Zo had hij het er zelf in gedaan.
‘Wel verdomme!’ siste hij, ging weer in zijn auto zitten en reed weg. Hij schaamde zich behoorlijk.