35
Het duurde een hele tijd voor hij wakker was. Hij had geen idee of het dag was of nacht. Hij bleef stil liggen tot hij weer bij zijn positieven was; toen begon hij zich vaag de ontmoeting op het kerkhof te herinneren. Het mos. De herfstkou. Kromgegroeide bomen. Hier en daar verzakte graven. Rust en vrede.
Hij herinnerde zich niet alles van die politieman op het kerkhof. Hij wist nog dat hij hem ontmoet had. De man was een poosje bij hem gaan zitten en had met hem gepraat, en toen was er iets gebeurd, meer wist hij niet. Hij wist niet wát er gebeurd was en hoe ze uit elkaar waren gegaan of hoeveel hij hem had verteld. Hij was van plan geweest hem alles te vertellen. Toen hij de politieman belde en hem had gevraagd elkaar op het kerkhof te ontmoeten was hij vastbesloten het allemaal te vertellen, van de Grettisgata, van Röggi en van zijn moeder en wat er was gebeurd toen hij nog een kleine jongen was en hoe het verder met hem was gegaan. Hij wilde met de politieman naar de Grettisgata gaan. Dan zou hij hem die smeerlap aanwijzen en hem alles vertellen, zonder er verder doekjes om te winden. En toch had hij dat niet gedaan. Om wat voor reden dan ook. Was hij weggerend? Het volgende wat hij zich herinnerde was dat hij wakker werd op de vloer van de kelderwoning in de Grettisgata.
Met veel moeite kwam hij overeind en reikte naar de zak. Er was al één fles leeg en de andere net over de helft. Hij nam er een stevige slok uit en bedacht dat hij direct weer naar de Rijksslijterij zou moeten. Ineens wist hij weer dat hij over de kerkhofmuur was geklauterd, toen de straat op was gelopen, en daar bijna door een auto was overreden. Hij herinnerde zich de politieman te hebben gebeld.
Hij stond in dubio: zou hij die man nog een keer bellen en proberen hem opnieuw te ontmoeten? Hij was er zeker van dat hij hem een klein stukje film had gegeven, van een van de films die hij in het onderkomen van die smeerlap had gevonden. Het waren er twee, voor zover hij nog wist. Meer had hij niet kunnen vinden en toch had hij het appartement helemaal overhoopgehaald, muren opengebroken en vloerplanken losgemaakt.
Lang nadat hij de films had gevonden – hij wist niet hoeveel tijd eroverheen was gegaan – had hij een poging gedaan ze te bekijken, maar hij had het niet aangekund. Hij zette een van de twee films in de projector, startte het toestel, en plotseling was er een beeld op de witte muur. Hij zag een jongetje verschijnen – dat was hij zelf – en hij wist weer precies wat er was gebeurd toen die film was opgenomen. Hij mocht dan nog nauwelijks iets van de afgelopen vierentwintig uur weten, het kostte hem niet de minste moeite weer helder voor zich te zien wat er tientallen jaren geleden was gebeurd. Haastig had hij het toestel afgezet en de film eruit gehaald. Te midden van alle rommel had hij een schaar gevonden, een stukje van de film afgeknipt en het in een plastic zak gedaan die hij op de vloer vond.
Hij wilde niet dat iemand die films te zien kreeg. Ze waren zíjn geheim. Hij zette ze in de gootsteen in de keuken en stak ze aan. Hij keek toe hoe ze verbrandden; er stegen dikke, stinkende rookwolken op – dat kon je verwachten als je zulke vuiligheid in brand stak. Hij lette erop dat werkelijk alles helemaal verbrandde, en toen dat gebeurd was spoelde hij de as door de gootsteen.
Toen was het achter de rug. Toen was het klaar.
Hij dronk weer uit de fles, die nu bijna leeg was. Hij moest weer naar de Rijksslijterij.
En hij wilde weer met die politieman praten, hem alles open en eerlijk vertellen.
Er niet vandoor gaan.
Deze keer proberen er niet vandoor te gaan.