43
De vierde man die aan die noodlottige tocht had deelgenomen heette Arnar; hij werkte één verdieping hoger. Sigurður Óli zocht hem direct na het gesprek met Sverrir op. Na een keer vragen vond hij een deur met het opschrift ‘Arnar Jósefsson’. Hij klopte een paar keer zachtjes en deed de deur toen zelf open. Daar stond Arnar, hij hield zijn mobieltje tegen het oor en keek Sigurður Óli vragend aan.
‘Ik zou graag met je willen praten over Þorfinnur, je collega die omgekomen is,’ zei Sigurður Óli.
Arnar verontschuldigde zich tegenover zijn gesprekspartner, zei dat hij later terug zou bellen en verbrak de verbinding.
‘Ik dacht niet dat ik een afspraak met je had,’ zei hij en hij bladerde in de agenda op zijn bureau.
‘Nee, ik ook niet met jou,’ zei Sigurður Óli. Hij legde in enkele woorden uit wie hij was en wat de reden van zijn bezoek was. ‘Klopt het dat jij ook bij dat groepje van Þorfinnur hoorde, toen die verdwenen is?’
Arnar stopte met bladeren in zijn agenda, wees hem een stoel en ging zelf ook zitten.
‘Ja. Wordt die zaak soms weer onderzocht?’
‘Kun je me in grote lijnen vertellen wat er gebeurd is?’ vroeg Sigurður Óli, zonder op de vraag in te gaan.
Arnar begon te vertellen wat er bij de verdwijning van zijn collega Þorfinnur was voorgevallen. Zijn verhaal kwam overeen met dat van Sverrir en Knútur. Hij bevestigde dat Sverrir de laatste was geweest die Þorfinnur levend had gezien.
‘Waren jullie goede vrienden?’ vroeg Sigurður Óli. ‘Hoe was jullie onderlinge verhouding?’
‘Ik zou eigenlijk wel eens willen weten waarom je daar nu ineens naar vraagt.’
‘Hebben ze het er dan niet met je over gehad, de anderen?’
‘Knútur wel, maar die weet ook niet wat er aan de hand is.’
‘Nee, misschien komt dat nog. Waren jullie vieren goede vrienden?’
‘Vrienden? Dat is misschien wat te veel gezegd. Meer kennissen eigenlijk.’
‘Collega’s?’
‘Collega’s natuurlijk ook, we werkten allemaal hier bij de bank. Waar zit je nou eigenlijk naar te vissen?’
Sigurður Óli haalde een samengevouwen velletje papier uit zijn binnenzak.
‘Kun je me zeggen wie dit zijn?’ vroeg hij en hij reikte Arnar de lijst met de namen van degenen die met Lína en Ebbi op gletsjertocht waren geweest.
Arnar nam de lijst aan en keek hem snel door. Daarna gaf hij hem weer aan Sigurður Óli.
‘Ik ken alleen de mensen die ons hebben uitgenodigd, de mensen van dat accountantskantoor.’
‘De buitenlandse namen zijn je niet bekend?’
‘Nee,’ zei Arnar.
‘Kende je Lína of Sigurlína van dat accountantskantoor soms ook van andere gelegenheden? Dus afgezien van die tocht?’
‘Nee. Zij had toen toch de leiding?’
‘Ja, dat klopt. Kende een van de anderen van jullie groepje haar?’
‘Ik dacht het niet.’
‘Niemand?’
‘Nee. Als dat al zo was, zou het Þorfinnur moeten zijn,’ zei Arnar, en het leek hem beter er direct bij te zeggen: ‘Die was vrijgezel.’
‘Ik denk niet dat dat haar wat uitmaakte,’ zei Sigurður Óli. ‘Hoe kende hij Lína dan?’
‘Ik bedoel alleen maar dat ze wat met hem flirtte. Ze plaagde hem een beetje, dat soort dingen. Þorfinnur was nogal verlegen als er dames in het spel waren. Hij was een beetje onhandig met vrouwen, als je begrijpt wat ik bedoel. Maar heb je nog meer te vragen? Ik wil niet onbeleefd zijn, maar ik heb het vreselijk druk. Helaas.’
‘Maar is er iets voorgevallen tussen die twee?’
‘Nee,’ zei Arnar, ‘niet dat ik weet.’
‘En tussen haar en Sverrir of Knútur?’
‘Ik begrijp niet wat je bedoelt.’
‘Lína wist nogal van wanten,’ zei Sigurður Óli. ‘Dat bedoel ik.’
‘Tja, dat moet je ze dan zelf maar vragen.’
Toen hij de bank verliet ging Sigurður Óli nog even langs Sverrir en Knútur. Hij liet hun de lijst met namen zien en stelde dezelfde vraag als aan Arnar: of er ook namen op stonden die ze kenden. Hij wilde hen ermee overvallen, hen er totaal onverwacht mee confronteren en hen in het onzekere laten over wat hij precies wist. Sverrir wierp nauwelijks een blik op de lijst, gaf hem terug en zei dat hij op die tocht geen enkele bekende gezien had. Knútur nam er meer tijd voor om de namenlijst door te kijken. Hij was tegenover Sigurður Óli onzekerder dan de twee anderen, maar zijn reactie was dezelfde: dat hij er afgezien van zijn collega’s niemand van kende.
‘Weet je het zeker?’ vroeg Sigurður Óli.
‘Ja,’ zei Knútur. ‘Absoluut.’
Hij wilde net het bankgebouw uitlopen toen hij zijn naam hoorde roepen. Hij draaide zich om en zag Steinunn, zijn oude klasgenote. Glimlachtend liep ze op hem af. Sinds de reünie van zijn eindexamenklas had hij haar niet meer gezien. Toen had ze hem verteld over haar nieuwe baan bij de bank, en had ze zich laten ontvallen dat hij niet haar type was.
‘Wat doe jíj nou hier? Wil je geld lenen?’ zei Steinunn. Met dat blonde haar, die donkere wenkbrauwen en die strakke broek zag ze er weer een beetje ‘ordi’ uit, meer zelfs nog dan laatst.
‘Nee, ik…’
‘Wou je Guffi spreken?’ zei ze. ‘Die is met vakantie, zit in Florida.’
‘Nee, ik heb een gesprek gehad met iemand hier op de eerste verdieping,’ zei Sigurður Óli. ‘En hoe is het met jou?’
‘Prima. Het is leuk werken hier, heel wat anders dan bij de belastingdienst. En jullie, hebben jullie nog niet genoeg te doen? Twee moorden in de stad.’
‘Ja, ik doe onderzoek in verband met die vrouw die doodgeslagen is.’
‘Verschrikkelijk zeg, om zo aan je eind te komen. Waren dat van die kerels die geld komen ophalen? Die de boel verbouwen als je het niet hebt? Zoiets hoor je wel eens.’
‘Daar komen we nog wel achter,’ zei Sigurður Óli, blij dat Steinunn kennelijk niet wist dat Patrekur door de politie was verhoord.
‘Ze deinzen nergens voor terug, die lui,’ zei Steinunn. ‘Laatst had iemand het ook al over zo’n zware jongen. Wie was dat ook alweer?’
‘Heb jij iemand die je kent over dit soort kerels horen praten?’
‘Ja, iemand had er een achter zich aan, helemaal tot in een school. Ach, mijn geheugen is een vergiet. Maar in elk geval, die maakte zijn karwei toen gelukkig niet af.’
‘Wie was dat?’
‘Die kerel? Geen idee.’
‘Nee, wie heeft je dat verteld?’
‘Ja, dat is het nou juist, ik weet niet meer waar ik het gehoord heb. Als het me weer te binnen schiet laat ik het je weten. Het was iemand die we allebei kennen, dacht ik, of heb ik dat nou weer mis? Iemand bij de belastingdienst misschien?’
‘Je laat het me weten, hè?’ zei Sigurður Óli.
‘Ja, hoor. Leuk je gezien te hebben. Doe je de groeten aan Bergþóra? Of is het helemaal uit tussen jullie?’
‘Tot ziens,’ zei Sigurður Óli, en hij haastte zich naar buiten.