20

Het duurde een tijd voor hij de man die met zijn moeder samenwoonde beter leerde kennen. De man, door zijn moeder nooit anders dan Röggi genoemd, was niet veel thuis. Soms zat hij op zee, soms werkte hij buiten de stad. Veel contact met moeder en zoon had hij dus niet.

Vanaf het moment dat hij bij de boer was weggegaan moest hij zichzelf doorgaans maar zien te redden. Hij leerde in de buurt leeftijdgenootjes kennen, ging met hen naar goedkope bioscoopvoorstellingen, en toen de school in de herfst begon kwam hij bij een paar van hen in dezelfde klas te zitten. In het algemeen zorgde hij er zelf voor op school te komen: hij werd op tijd wakker, zocht kleren bij elkaar en smeerde brood voor tussen de middag – als er tenminste wat in huis was. Zijn moeder kwam zo vroeg niet uit bed. Die was tot ver in de nacht op en had soms bezoekers die hij niet kende en niet wílde kennen ook. Dan kon hij niet in de kamer slapen en verhuisde naar de slaapkamer van zijn moeder en de man. Soms hoorde hij dronkemansherrie. Eén keer was het op vechten uitgedraaid en had iemand de politie gebeld. Door het slaapkamerraam had hij gezien hoe een stomdronken man in de politieauto werd gezet; hij hoorde de vloeken die hij tegen de politieagenten uitbraakte. Die pakten hem dan ook niet met fluwelen handschoenen aan, ze sloegen hem de auto in en schopten toen zijn voeten onder hem uit. Hij zag zijn moeder scheldend bij de buitendeur staan. Toen knalde ze de deur dicht. De herrie van het feest ging tot de ochtend door.

Hij had zich zo geschaamd dat hij het biljet van duizend kronen verloren was, het biljet dat de boer hem bij het afscheid had gegeven. In de bus op weg naar de stad had hij het nog bij zich gehad en het heel secuur in een van zijn broekzakken weggeborgen. Af en toe had hij er eventjes met zijn vingers overheen gestreken, de hele rit lang. Toen hij moest wachten totdat hij zou worden opgehaald was hij het briefje van duizend helemaal vergeten, bang als hij was dat er niemand zou komen. Thuis was hij aan de keukentafel als een blok in slaap gevallen en op de bank weer wakker geworden. Hij had totaal niet meer aan het bankbiljet gedacht. Hij was ook helemaal niet gewend zelf iets te bezitten, laat staan zo’n kostbare schat. Pas laat in de avond herinnerde hij zich het cadeau. Hij had nog steeds dezelfde broek aan en stak zijn hand in de ene zak, daarna in de andere en in de achterzakken, haalde het jack dat hij had aangehad en doorzocht het helemaal, zocht in zijn koffer, in de keuken, op de bank, in de kamer, en zelfs achter de tv. Hij vertelde zijn moeder wat er aan de hand was, dat hij het briefje van duizend kwijt was, en hij vroeg haar of ze niet naar het parkeerterrein konden om er daar naar te vragen.

‘Duizend kronen!’ zei zijn moeder. ‘Wie zou er jou nou duizend kronen geven?’

Het kostte tijd om haar ervan te overtuigen dat het echt waar was wat hij zei.

‘Het is uit je zak gevallen,’ zei Sigurveig. ‘Dat kun je verder wel schudden. Er is heus niemand die een briefje van duizend kronen gaat teruggeven. Dat doet geen mens. Dan zou je ook wel een ontzettende oen zijn – zoveel geld. Je zal het wel gedroomd hebben,’ zei ze en ze stak een sigaret op.

Nadat hij er ontzettend om gezeurd had kreeg hij haar zover dat ze naar het parkeerterrein belde. Hij luisterde naar het gesprek, dat maar heel kort was.

‘Nee, dat denk ik ook, natuurlijk,’ zei ze, terwijl ze deed alsof ze een duidelijk antwoord had gekregen op haar vraag of er daar niet iemand een briefje van duizend had gevonden.

En dat was dat. Zijn moeder maakte er verder geen woorden aan vuil, en toen het de eerstvolgende keer dat Röggi thuis was ter sprake kwam, zei die dat hij van niets wist: hij had nooit zo’n briefje gezien.

Met zijn moeder kreeg hij geen echte band en hij begreep niet waarom ze hem van de boerderij had laten terugkomen. Hij wist niet wat hij van haar moest denken, voor hem was ze een onbekende vrouw, die zich weinig of niet met hem bemoeide. Ze scheen helemaal in haar eigen wereld te leven en daar was maar weinig plaats voor hem. Contact met de andere kinderen of familieleden had hij niet. Ze had geen werk en dus leek het alsof de enige mensen met wie ze omging nachtvlinders waren zoals zijzelf. Ze vroeg maar heel zelden hoe het met hem ging, of hij vriendjes in de buurt had, of hij het leuk vond op school, of hij gepest werd.

Had ze maar eens belangstelling getoond, dan had hij haar kunnen vertellen dat hij het best fijn vond op school en dat het in de klas heel goed ging. Alleen met rekenen zou hij wel een beetje hulp kunnen gebruiken. Maar ja, hoe kwam je daar aan? Spelling was trouwens ook moeilijk, hoor. Van die regeltjes over de y en de dubbele n snapte hij niks. Maar de meester begreep wel dat hij dat moeilijk vond. Die bleef heel geduldig, al had hij dan voor zijn dictees niet zulke beste cijfers. Hij kon ook niet zo vlug schrijven, en dat was een handicap voor hem, want het dictee werd veel te snel van een cassettebandje afgespeeld. Hij vond het maar moeilijk om het allemaal op papier te krijgen. Hij had haar ook kunnen vertellen dat ze soms merkten ze dat hij geen brood bij zich had of al heel lang in dezelfde, onfris ruikende kleren liep. Dat vond hij vervelend.

Hij zat elke dag thuis heel serieus te leren en keek ’s avonds tv. Dat was net of je de bioscoop thuis had. Hij keek met dezelfde belangstelling naar alle uitzendingen, of het nu om het journaal of om discussieprogramma’s ging, om spannende films of om IJslandse muzikale shows. In het weekend waren er zo nu en dan films op tv, en daar miste hij er nooit een van. Misschien zag hij die wel het liefst. En tekenfilms.

Röggi praatte niet veel als hij thuis was en vertelde maar weinig over zichzelf. Hij scheen weinig vrienden te hebben en weinig met andere mensen om te gaan. Hij kreeg nooit bezoek, nooit telefoon. Als hij niet hoefde te werken lag hij vaak te slapen, maar ’s nachts was hij op de been. Toen hij op een keer midden in de nacht wakker werd zag hij Röggi in de keuken zitten. Hij rookte een sigaret en er stond een fles voor hem. Een andere keer werd hij wakker en daar stond Röggi bij hem. Die bekeek hem met een uitdrukkingsloos gezicht en ging toen zonder iets te zeggen weer naar de slaapkamer. Hij vond dat Röggi als het erop aankwam meer aandacht aan hem besteedde dan zijn moeder. Röggi vroeg hem naar de school en de onderwijzers en keek tv met hem. Gaf hem ook wel eens iets, snoepgoed soms, of frisdrank of kauwgom.

Het gebeurde op een herfstavond, toen zijn moeder niet thuis was. Röggi was bij hem en ze zaten tv te kijken. Hij vroeg hem of hij geen zin had om echte films te zien, tekenfilms. Dat wilde hij wel. Röggi ging naar de slaapkamer en kwam terug met de gekke kist die hij op de avond van zijn thuiskomst van de boerderij voor het eerst had gezien. Toen stond die op de tafel in de huiskamer. Röggi ging nog een keer de slaapkamer binnen om een kartonnen doos te halen, die vol zat met films. En ten slotte haalde hij een klein projectiescherm op een drievoet voor de dag. Dat trok hij uit een lang foedraal.

‘Ik zal je die tekenfilms eens laten zien,’ zei Röggi. Hij haalde een aantal spoelen uit de doos en zette er een van op het toestel.

Hij deed de stekker in het stopcontact en het toestel begon te draaien. Een helderwit schijnsel viel op het scherm. Het toestel maakte een vriendelijk brommend geluid toen de film door de projector begon te lopen en in het schijnsel vormden zich strepen en punten en cijfers. Toen ineens begon de film.

Ze keken hem uit; toen spoelde Röggi de film terug en borg hem op. Hij pakte een andere, even fleurig, even grappig als de vorige. Het was een Donald Duck-film, net als de eerste.

Toen ook die afgelopen was zette Röggi een derde film in de projector. Hij zei er niets over. Het was een kleurenfilm. Hij kwam uit het buitenland en aan het begin zag je dat een volwassen man een meisje van hooguit zeven jaar over de haren streek. Daarna deed hij haar kleren uit.

 

‘Ik wou dat nooit!’ schreeuwde hij. Hij stond over de man gebogen. Die was weer achterover op de vloer gevallen, nog steeds vastgebonden aan zijn stoel. ‘Ik heb nooit naar die gore troep willen kijken. Maar ik moest van jou, je hebt me gedwongen, en je dwong me… je dwong me…’

Hij schopte naar de man, schopte naar hem alsof hij een hond was, schopte en huilde en schreeuwde naar hem, en schopte en huilde.

‘Ik wou dat nooit!’

Doodskap
x97890214406511.xhtml
x97890214406512.xhtml
x97890214406513.xhtml
x97890214406514.xhtml
x97890214406515.xhtml
x97890214406516.xhtml
x97890214406517.xhtml
x97890214406518.xhtml
x97890214406519.xhtml
x978902144065110.xhtml
x978902144065111.xhtml
x978902144065112.xhtml
x978902144065113.xhtml
x978902144065114.xhtml
x978902144065115.xhtml
x978902144065116.xhtml
x978902144065117.xhtml
x978902144065118.xhtml
x978902144065119.xhtml
x978902144065120.xhtml
x978902144065121.xhtml
x978902144065122.xhtml
x978902144065123.xhtml
x978902144065124.xhtml
x978902144065125.xhtml
x978902144065126.xhtml
x978902144065127.xhtml
x978902144065128.xhtml
x978902144065129.xhtml
x978902144065130.xhtml
x978902144065131.xhtml
x978902144065132.xhtml
x978902144065133.xhtml
x978902144065134.xhtml
x978902144065135.xhtml
x978902144065136.xhtml
x978902144065137.xhtml
x978902144065138.xhtml
x978902144065139.xhtml
x978902144065140.xhtml
x978902144065141.xhtml
x978902144065142.xhtml
x978902144065143.xhtml
x978902144065144.xhtml
x978902144065145.xhtml
x978902144065146.xhtml
x978902144065147.xhtml
x978902144065148.xhtml
x978902144065149.xhtml
x978902144065150.xhtml
x978902144065151.xhtml
x978902144065152.xhtml
x978902144065153.xhtml
x978902144065154.xhtml
x978902144065155.xhtml
x978902144065156.xhtml
x978902144065157.xhtml
x978902144065158.xhtml
x978902144065159.xhtml
x978902144065160.xhtml
x978902144065161.xhtml
x978902144065162.xhtml
x978902144065163.xhtml
x978902144065164.xhtml
x978902144065165.xhtml
x978902144065166.xhtml
x978902144065167.xhtml