37

Sigurður Óli maakte de envelop met foto’s niet open, wist eigenlijk ook niet wat hij ermee aan moest. Toen hij aan de Hverfisgata terug was legde hij hem in een la. Het was heel goed mogelijk dat Ebeneser loog toen hij zei dat hij geen kopieën van de foto’s had. Wat Ebbi betrof wist hij eigenlijk niet wat hij moest geloven. Hij dacht niet dat de foto’s van belang waren voor het onderzoek zoals dit zich had ontwikkeld. Ebbi had geprobeerd de zaak zo klein mogelijk te maken. Die chantage was eigenlijk maar een spelletje dat Lína op goed geluk gespeeld had. Als ze er geld aan overhielden was dat erg leuk. Zo niet, dan kapten ze ermee, dat bleef Ebbi volhouden.

Hij zat daarover na te denken toen de telefoon op zijn bureau ging.

‘Ja?’ zei Sigurður Óli.

‘Ik… ik was niet…’

‘Hallo?’

Aan de andere kant van de lijn klonk geritsel en gerommel.

‘Hallo,’ zei Sigurður Óli. ‘Met wie spreek ik?’

Hij kreeg geen antwoord.

‘Andrés?’

Sigurður Óli meende de stem herkend te hebben.

‘Ik zei… ik was niet…’ hoorde hij heel onduidelijk door de telefoon mompelen. De stem was dof, moeilijk te verstaan. ‘Ik had je nog niet verteld…’

Hij maakte de zin niet af. Sigurður Óli hoorde hem ademhalen.

‘Andrés? Ben jij dat? Wat wou je me vertellen?’

‘…weet… weet alles van hem… van die smeerlap…’

‘Wat bedoel je? Wat wil je vertellen?’

‘Ben jij dat? Met wie ik gepraat heb… op het kerkhof?’

‘Ja. Wat wil je? Waarom ben je weggehold? Waar ben je nu? Zal ik naar je toe komen?’

‘Waar ik ben? Wie interesseert dat? Wie maakt zich daar druk over? Niemand! Daar heeft nog nooit iemand zich druk over gemaakt. En nou is… nou heb ik hem te pakken… die duivel…’

‘Wie?’ zei Sigurður Óli. ‘Welke duivel?’

Weer viel het gesprek stil. Sigurður Óli wachtte. Een hele tijd was er niets te horen, maar plotseling ging Andrés verder, alsof hij moed verzameld had.

‘…en… hem te pakken gekregen! Dat wou ik je vertellen toen we met elkaar gepraat hebben. Ik wou je zeggen dat ik hem heb. En ervandoor gaan zal hij niet. Je hoeft je geen zorgen te maken dat hij ervandoor gaat. Ik heb… ik heb een masker gemaakt… en… en daar was hij niet blij mee… niet blij dat hij me zag. Hij was er niet blij mee dat hij me na al die jaren terugzag, dat kan ik je wél vertellen. Hij was niet blij dat hij kleine Drési zag. Nee. Nee. Dat was hij echt niet.’

‘Waar ben je nu, Andrés?’ vroeg Sigurður Óli resoluut en hij keek op de nummerweergave door welk nummer hij gebeld werd. Hij zocht het op in de telefoongids op internet; op het scherm verschenen Andrés’ naam en adres. ‘Ik kan je helpen,’ zei Sigurður Óli. ‘Laat me je helpen, Andrés. Ben je thuis?’

‘Maar ik heb hem helemaal in mijn macht,’ ging Andrés verder, alsof hij Sigurður Óli niet hoorde. ‘Ik… ik dacht eerst dat het wel moeilijk kon worden, maar het was maar een ouwe zak. Een waardeloze ouwe zak…’

‘Heb je het over Rögnvaldur? Is Rögnvaldur daar bij je? Andrés!’

De verbinding werd verbroken. Sigurður Óli stoof weg, pakte zijn gsm en vroeg het nummer op van Andrés’ buurvrouw in het flatgebouw. Hij wist het adres, maar kon zich haar naam zo gauw niet te binnen brengen. Hij dacht diep na.

Margrét Eymunds.

Margrét antwoordde bij de derde keer dat de bel overging. Toen was Sigurður Óli al met zijn auto onderweg. Hij noemde zijn naam en verzekerde zich er eerst van dat de vrouw wist wie hij was: de rechercheur die eerder bij haar was geweest, op zoek naar Andrés. Daarna vroeg hij haar naar het huis van haar buurman te gaan en te zien of hij thuis was.

‘Je bedoelt Andrés?’ zei de vrouw.

‘Ja. Als je hem ziet, wil je dan proberen hem daar te houden tot ik er ben? Zou je dat voor me willen doen? Hij belde me op en ik denk dat hij hulp nodig heeft.’

‘Hoezo, wil je dat ik hem ga bespioneren?’

‘Wat voor telefoon heb je? Draadloos?’

‘Ja.’

‘Ik probeer hem te helpen. Ik ben bang dat hij zichzelf iets aan zal doen. Wil je je telefoon aan hem geven? Wil je dat voor me doen?’

‘Wacht even.’

Hij hoorde door de telefoon hoe de deur openging. Daarna hoorde hij dat er op een deur werd geklopt en dat Margrét Andrés riep. Sigurður Óli minderde vaart en vloekte. Hij stond in een file. Ergens voor hem was een ongeluk gebeurd dat de opstopping veroorzaakte.

‘Wat zie je eruit, Andrés,’ hoorde hij Margrét zeggen.

Sigurður Óli claxonneerde uitzinnig en probeerde op de andere rijstrook te komen. Hij kon Andrés niet verstaan en hoorde ook maar heel onduidelijk wat Margrét zei. Het was iets over een politieman die hem wilde spreken, en waar hij naartoe ging. Wat ze daarna zei klonk eigenaardig moederlijk, iets als: ‘Maar joh, zo kun je toch niet over straat, met zulke kleren aan?’ Hij probeerde nu weer met Margrét zelf te spreken, maar het was duidelijk dat ze de hoorn niet aan haar oor hield.

Hij was bij de plaats van het ongeluk aangekomen en schoot met het dubbele van de maximumsnelheid tussen het verkeer door toen Margrét weer aan de telefoon kwam.

‘Hallo?’ zei ze met een onzekere stem.

‘Ja, ik ben er nog,’ zei Sigurður Óli.

‘Die stakker,’ zei Margrét. ‘Hij zag er verschrikkelijk uit.’

‘Is hij weg?’

‘Ja, ik kon hem niet vasthouden. Hij wou niks van me weten en hij vloog zo’n beetje de trap af. Hij was behoorlijk dronken, leek me.’

‘In welke richting liep hij toen hij uit het flatgebouw kwam?’

‘Dat heb ik niet gezien. Ik kon niet zien waar hij naartoe liep.’

 

Sigurður Óli reed langzaam op het flatgebouw af. Hij keek naar alle kanten of hij Andrés kon ontdekken, maar zag hem nergens. Hij reed nog door de omgeving, maar de man was hem ontglipt. Langzaam reed hij weer naar het flatgebouw en drukte beneden op Margréts bel. De deur ging open. Zeer bezorgd stond ze in het trappenhuis op hem te wachten.

‘Heb je hem niet gevonden?’ vroeg ze, zodra ze Sigurður Óli zag.

‘Nee, hij is ervandoor. Heeft hij nog wat tegen je gezegd?’

‘Niks. Die stakker. Hij had zich niet gewassen, hij rook vreselijk en hij zag er zo ellendig uit. Zo lang ik hem ken heeft hij er nog nooit zo beroerd uitgezien. Nooit!’

‘Heb je enig idee waar hij naartoe kan zijn?’

‘Nee. Ik heb het aan hem gevraagd, maar daar zei hij niks over, hij zei helemáál niks. Hij ging er als de wind vandoor en weg was hij.’

‘Had hij iets bij zich toen hij wegging?’

‘Nee, niks.’

‘Heb je hem wel eens horen praten over een man die Rögnvaldur heet?’

‘Rögnvaldur? Nee, dat geloof ik niet. Is dat een vriend van hem?’

‘Nee,’ zei Sigurður Óli. ‘Niet bepaald.’

Margrét deed de deur van Andrés’ appartement voor hem open, zoals ze al eerder had gedaan. Het was er nog net als voorheen. Sigurður Óli keek vlug rond, terwijl Margrét in de deuropening bleef staan. Voor zover hij kon zien was Andrés alleen maar thuisgekomen om hem te bellen en te vertellen dat hij Rögnvaldur te pakken had, wat dat ook mocht betekenen.

Sigurður Óli’s gsm ging over. Het was een collega die bij de afdeling verdovende middelen van het district Reykjavík werkte.

‘Ik heb gehoord dat je Hördur Vagnsson gearresteerd hebt,’ zei de collega.

‘Höddi? Ja, hoezo?’

‘Wij hebben ook achter hem aan gezeten, maar dat heeft tot nu toe nog niks opgeleverd. Een aantal dagen geleden zijn we begonnen zijn telefoon af te tappen. Ik dacht ineens dat jij daar misschien wel belangstelling voor had.’

‘Heb je een transcriptie van de gesprekken?’

‘Ja. Die leg ik wel op je bureau.’

‘Hebben jullie iets over hem ontdekt?’

‘Nee, maar dat komt nog wel. Tenzij jij het al gedaan hebt. Want één ding kan ik je wel over hem vertellen: het is een ongelooflijk rund.’

Hij hoorde gegrinnik aan de andere kant van de lijn.

‘Hebben jullie de telefoon van zijn vriend Þórarinn ook afgetapt, of hem in de gaten gehouden?’

‘Toggi?’

‘Ja.’

‘Die kennen we alleen van naam. Áls hij al dealt, is hij altijd heel erg op zijn qui-vive geweest, zeker als hij er al veel langer mee bezig is. Dan is hij in elk geval slimmer dan Höddi.’

 

Sigurður Óli was nooit eerder in het hoofdgebouw van de bank geweest. Hij raakte in vervoering van alles wat hij zag, van heel die overrompelende weelde. Het leek alsof hij midden in Reykjavík in een exotische wereld was gestapt. Bewonderend keek hij naar het glas, het staal, het donkere hout, de zuivere, klassieke tekening in al die tropische houtsoorten. Er waren geen kosten gespaard om van dit gebouw een schitterend paleis te maken. Uiteindelijk vond hij iets dat op een balie leek. Een oudere man probeerde er of hij een rekening kon betalen.

‘Ja, kijk, het is zo dat je hier niet kunt betalen,’ zei de mevrouw achter de balie, een klein eilandje midden in de oceaan van weelde.

‘Maar is dit dan geen bank?’ zei de man.

‘Jawel, maar voor zoiets moet je naar een van onze filialen. Daar kun je betalen.’

‘Maar ik wil gewoon deze rekening betalen,’ zei de man.

‘Wat kan ik voor je doen?’ vroeg de mevrouw en ze keek Sigurður Óli aan. Ze had geen zin zich langer met de man bezig te houden.

‘Sverrir, van de afdeling bedrijven, is die er?’

De mevrouw tikte de naam van de man in.

‘Nee, helaas, die is even weg. Als je na tweeën of zo eens terugkomt?’

‘En Knútur?’ vroeg Sigurður Óli. ‘Knútur Jónsson? Dat is ook iemand van de afdeling bedrijven.’

‘Verwacht hij je?’ vroeg de mevrouw met iets zangerigs in haar stem.

‘Nee. Totaal niet.’

‘En waar is het dichtstbijzijnde filiaal?’ vroeg de man, die zijn pogingen om een rekening te betalen nog niet had opgegeven.

‘Je kunt het beste naar de Laugavegur gaan,’ zei de mevrouw zonder op te kijken.

‘Knútur is in gesprek. Wil je wachten? Welke naam kan ik hem doorgeven? Gaat het om een zakelijk advies?’

Sigurður Óli besloot alleen op de laatste vraag in te gaan en antwoordde bevestigend. Hij zag de man met de rekening door de enorme glazen deur naar buiten gaan.

‘Derde verdieping,’ zei de mevrouw. ‘Daar bij de uitgang zijn de liften.’

Nadat Sigurður Óli ongeveer een kwartier op de derde verdieping had zitten wachten, kwam er een man samen met een jong echtpaar uit een spreekkamer. Hij had een opvallend kinderlijk gezicht en blond haar. Zijn rijzige gestalte was in een ogenschijnlijk peperduur pak gehuld. Met een glimlach op de lippen nam hij afscheid van het echtpaar en zei dat hij hun verdere informatie over beleggingsrekeningen zou toesturen. Hij wendde zich tot Sigurður Óli.

‘Zit je op mij te wachten?’ vroeg hij, nog steeds glimlachend.

‘Ja, dat wil zeggen, als jij Knútur bent,’ zei Sigurður Óli.

‘Dat klopt. Kan ik iets voor je doen?’

‘Nou nee, eigenlijk niet. Ik ben van de politie en ik zou graag meer willen weten over wat er is gebeurd toen je collega Þorfinnur verdwenen is. Het zal niet veel tijd kosten.’

‘Hoezo? Zijn er nieuwe ontwikkelingen?’

‘Misschien is het beter als we ergens anders praten, in plaats van hier op de gang.’

Knútur keek Sigurður Óli een hele tijd aan; daarna keek hij op zijn polshorloge. Zijn tijd was zeer beperkt, zei hij, maar hij zou hem tussendoor wel even kunnen spreken. Sigurður Óli bleef staan. Zonder iets te zeggen bleef hij wachten tot Knútur uiteindelijk vroeg hem te volgen. Ze gingen zitten in zijn kantoor.

Doodskap
x97890214406511.xhtml
x97890214406512.xhtml
x97890214406513.xhtml
x97890214406514.xhtml
x97890214406515.xhtml
x97890214406516.xhtml
x97890214406517.xhtml
x97890214406518.xhtml
x97890214406519.xhtml
x978902144065110.xhtml
x978902144065111.xhtml
x978902144065112.xhtml
x978902144065113.xhtml
x978902144065114.xhtml
x978902144065115.xhtml
x978902144065116.xhtml
x978902144065117.xhtml
x978902144065118.xhtml
x978902144065119.xhtml
x978902144065120.xhtml
x978902144065121.xhtml
x978902144065122.xhtml
x978902144065123.xhtml
x978902144065124.xhtml
x978902144065125.xhtml
x978902144065126.xhtml
x978902144065127.xhtml
x978902144065128.xhtml
x978902144065129.xhtml
x978902144065130.xhtml
x978902144065131.xhtml
x978902144065132.xhtml
x978902144065133.xhtml
x978902144065134.xhtml
x978902144065135.xhtml
x978902144065136.xhtml
x978902144065137.xhtml
x978902144065138.xhtml
x978902144065139.xhtml
x978902144065140.xhtml
x978902144065141.xhtml
x978902144065142.xhtml
x978902144065143.xhtml
x978902144065144.xhtml
x978902144065145.xhtml
x978902144065146.xhtml
x978902144065147.xhtml
x978902144065148.xhtml
x978902144065149.xhtml
x978902144065150.xhtml
x978902144065151.xhtml
x978902144065152.xhtml
x978902144065153.xhtml
x978902144065154.xhtml
x978902144065155.xhtml
x978902144065156.xhtml
x978902144065157.xhtml
x978902144065158.xhtml
x978902144065159.xhtml
x978902144065160.xhtml
x978902144065161.xhtml
x978902144065162.xhtml
x978902144065163.xhtml
x978902144065164.xhtml
x978902144065165.xhtml
x978902144065166.xhtml
x978902144065167.xhtml