Einde
Tegen zessen bracht Charlotte mijnheer Plantaganet terug van kantoor, zette hem in zijn stoel in de zitkamer en gaf hem zijn krant, Emily bracht Tottie, die boodschappen had gedaan. Ze had een raffia boodschappenmandje voor Tottie gevonden, dat zo groot als een noot was, en ze liet ’t Tottie in de hal bij haar jas aan de kapstok hangen. Toen ging ze bij mijnheer Plantaganet zitten.
Appel was boven. Tottie had hem vroeg naar bed gebracht. Zijn lappendeken was zo stevig ingestopt dat je alleen zijn ronde hoofdje kon zien.
Stopper lag rustig en tevreden in zijn hok.
‘Zullen we wat muziek voor ze maken?’ vroeg Emily en ze wond het speeldoosje op. ’t Ging van tingelingeling-tingelingeling en Stopper bewoog even in zijn slaap.
Mijnheer Plantaganet kon het ene wijsje niet van het andere onderscheiden.
‘Er moeten woorden bij zijn,’ zei mijnheer Plantaganet. ‘Anders weet ik niet welk liedje het is. Zoals bij die kerstliederen, Tottie. Weet je nog wel?’ En hij begon te neuriën. ‘Weet je nog wel, Tottie?’
‘Ik weet het allemaal nog,’ zei Tottie, terwijl ze naar de muziek luisterde.
‘Jij weet alles zeker nog wel, en zo lang al,’ zei mijnheer Plantaganet. ‘Zo ontzettend lang al, Tottie.’
‘Ja,’ zei Tottie.
‘Dingen komen en dingen gaan,’ zei mijnheer Plantaganet.
‘Alle dingen van bomen af tot poppen toe,’ zei Tottie.
‘Zelfs al het kleine zoals wij. Zelfs poppen. Er gebeuren goede dingen en kwade, maar het goede is nu toch teruggekomen, hè Tottie?’ vroeg mijnheer Plantaganet bezorgd.
‘Natuurlijk,’ zei Tottie, met haar vriendelijke houten stem.
‘Goede dingen en kwade. Het waren wel erg kwade dingen...’ zei mijnheer Plantaganet.
‘Maar ze zijn gekomen en gegaan, dus laten we nu weer gelukkig zijn,’ zei Tottie.
Uit: Rumer Godden, Het poppenhuis