Sleutelkastje
‘Fraulein Kappetein.’
‘Meneer Pabriks. U laat me schrikken.’ Betrapt schoot ik de badkamer uit en deed gewoontegetrouw de deur achter me dicht.
‘U mij ook.’
‘Ik dacht dat ik iets hoorde toen ik thuiskwam.’
‘Wat hoorde u dan?’ Met samengeknepen ogen keek hij spiedend rond in de schemerige kamer.
‘Loos alarm.’
‘U moet voorzichtig zijn. U kunt dat beter aan mij overlaten, een belletje is genoeg, alstublieft. Ik ben ervoor. Ik zal er vaker zijn de komende tijd, zeker nu u alleen over bent.’
‘Dank u wel. Dat is een hele geruststelling. Er was niemand. Mijn verbeelding waarschijnlijk. Ik ga maar weer eens.’
‘Ik wilde u niet wegjagen.’
Ik aarzelde. ‘Ik hoorde vanmorgen dat er een contra-expertise komt omdat er twijfels zijn over de oorzaak van de brand. Ze denken aan brandstichting. Wist u dat?’
Meneer Pabriks knikte.
‘De deur stond open.’ Mijn adem maakte wolkjes, viel me op. ‘Ik weet zelf eigenlijk ook niet waarom ik hier ben. Ik kan gewoon niet geloven... Ziet u, ik heb steeds gedacht dat het een stom ongeluk was. Daar probeerde ik me mee te verzoenen. Die dingen gebeuren. Maar het idee dat iemand willens en wetens... het wil er bij mij gewoon niet in.’
Meneer Pabriks pakte mijn hand en gaf er een klopje op. ‘U had gewoon de behoefte zelf even rond te kijken.’
‘Ja.’
‘Ook al weet u helemaal niet wat u zoekt.’
‘Ja.’
‘Volgens mij is hier niets. En zij gaan ook niks vinden, want laat me u één ding vertellen: verzekeringsmaatschappijen, die moet u niet geloven, Fraulein Kappetein. Allemaal één pot nat. Kapitalisten, maar als het op betalen aankomt, ho maar. Ik snap nu waarom ze al die spullen naar een speciale opslag wilden hebben.’
‘Is dat zo?’
Hij knikte. ‘Onderzoek. Zolang ze zogenaamd aan het onderzoeken zijn hoeven ze niets te betalen. Gelukkig dat mevrouw Rubene dit niet meemaakt, waar had ze naartoe gemoeten? Hoe lang had ze moeten wachten tot ze haar mooie meubeltjes had kunnen vervangen?’ Meneer Pabriks’ schouders begonnen weer sneller te schokken op zijn ademhaling. ‘De macht van de ambtenaar, Fraulein Kappetein, de macht van de ambtenaar. Ik weet waarover ik spreek na al die jaren Russische bezetting.’ Hij maakte een gebaar alsof hij wilde zeggen: breek me de bek niet open.
Al pratend waren we naar het halletje gelopen. Ik bleef om me heen kijken, op zoek naar iets, ja naar wat eigenlijk. Een teken, duiding, een detail waardoor alles op z’n plek zou vallen en waaruit zou blijken dat het gewoon een ongeluk was geweest.
‘Dat zullen ze ook wel leeggehaald hebben, denkt u niet?’ Naast de voordeur was een kastje in de muur gebouwd, een soort nis, ik had er precies zo een. De elektriciteitsmeter zat erin. Zelf bewaarde ik er een zaklantaarn en reservestoppen.
Het kastje was zoals te verwachten viel leeg. Maar aan de binnenkant van het deurtje zat op de plek waar ik alleen een paar haakjes voor mijn reservesleutels had zitten, een plat doosje gemonteerd. Het zag eruit als een sleutelkastje. En het zat op slot. In mijn tas zocht ik naar iets plats en scherps, maar het enige wat ik opdiepte was mijn creditcard die ik als wig probeerde te gebruiken.
‘Als u even geduld hebt.’ Meneer Pabriks haalde zijn sleutelbos tevoorschijn. ‘Dit is mijn wondersleutel. Past altijd.’ Hij glimlachte en stak een van de sleutels in het slot, wrikte een beetje heen en weer en het deurtje zwaaide open. Trots keek hij mij aan.
‘Dat hebt u vaker gedaan,’ zei ik.
‘Als je lang huismeester bent, dan ken je de foefjes. Zoals ik al dacht: sleutels. Dat lag voor de hand.’
Het waren er vier op een rij. Ze hingen naast elkaar en waren, op de autosleutel na, netjes gelabeld. Meneer Pabriks las de labels.
‘Deze is van het appartement, die kan weg, die deur is onbruikbaar geworden. Deze is van de deur beneden. Komt nog wel van pas. Dit is zo te zien een autosleutel. Vreemd. Ze nam altijd taxi’s. Of ze werd opgehaald. En deze is van u. Zullen we die ook maar weggooien? U hebt toch een nieuw slot.’
‘Dat moet een vergissing zijn.’
‘Uw naam staat erop.’
‘Mevrouw Rubene had een reservesleutel van mijn appartement. Die heb ik haar zelf gegeven.’
‘Nou dan...’
‘Maar die heb ik de avond toen ik terugkwam uit Amsterdam opgehaald, omdat ik mijn sleutels van hier per ongeluk bij mijn broer had laten liggen.’
‘Dan had ze er twee.’
Precies. Meneer Pabriks had gelijk. Ze had er twee. De implicatie hiervan, namelijk dat Dina er zonder mijn medeweten nog eentje had laten bijmaken, beviel me niet. Beviel me helemaal niet. Weer een feit waarvoor ik een verklaring moest vinden.
We verlieten het onbewoonbare appartement. Meneer Pabriks liet de sleutel van de benedendeur in zijn jaszak glijden en pakte een van de vuilniszakken die op de overloop stonden. Ze leken me nogal zwaar. Hij hijgde met open mond. Voor het eerst zolang ik hem kende, vroeg ik me af hoe oud hij eigenlijk was. Eind zestig? Begin zeventig? Dit werk leek me veel te zwaar voor iemand van die leeftijd.
‘Waar moet-ie naartoe?’
‘Naar het souterrain.’
‘Geeft u mij maar.’
‘Nee. Dat is geen werk voor u.’
‘Jawel.’
In het souterrain lag een enorme berg afval van plastic vuilniszakken en lege dozen. We zetten deze zak erbij. Het stonk er naar verrotting en bederf.
Meneer Pabriks haastte zich om zich te verontschuldigen. ‘Ik kon er niet bij om het op straat te zetten toen het gebouw verzegeld was. Morgen gaat het weg. Eindelijk.’
‘Komt dit allemaal uit de woning van mevrouw Rubene?’
‘Nee, dat is allemaal afgevoerd met een busje. Dit is het gewone afval. Nog van voor de brand. O jee, er zijn katten binnen geweest. Die hebben de zakken kapot gemaakt.’
‘Meneer Pabriks, het is misschien een rare vraag. Maar zou ik... zou ik hier even mogen kijken?’
Ten antwoord hief hij zijn vinger op en zei: ‘Luister.’
Mijn oren spitsten zich, zochten in het geluidsdecor van gedempte automotoren, geruis van de verwarming en onze eigen ademhaling een afwijking: voetstappen, een deur die openpiepte, gefluister in het trappenhuis.
‘Hoort u het niet? Dat zijn mijn waterslagers.’
‘Uw kanaries?’
Hij fluisterde. ‘Wat u nu hoort is een rollende waterslag. Ssst. En nog een. Ik zal me toch niet vergissen? Ik moet naar boven. De vogels moeten beloond. Dit is fantastisch. U redt zich wel?’
Even stond ik in de stinkende walm te luisteren naar wat meneer Pabriks hoorde. Inderdaad. Heel in de verte klonk het gekwetter van de vogeltjes. En vreemde kreetjes van hun baasje ertussendoor. Ik hing mijn tas aan de deurkruk en boog me over de zakken.
Van iemands vuilnis kwam je veel te weten. Het overgrote deel van de vuilniszakken bleek van Tom Kennedy te zijn. Hij las behalve de New York Times en People’s Magazine ook porno. Hij was naar een film geweest, had meerdere keren pizza gegeten, de Poupou Club (toe maar) bezocht, spareribs afgekloven, nieuwe sokken bij Stockmann gekocht en een grootverpakking condooms. En hij had zijn klerenkast uitgemest. Lubberende t-shirts, boxershorts.
Meneer Basho had alle kartonnen verpakkingen keurig opgevouwen en in stapeltjes gebonden voor hij ze had weggegooid. Net als de kranten. Ook hij was een geregelde klant van Stockmann, met een voorliefde voor reepjes gedroogde stokvis en zuurtjes.
Aan Dina had slechts één vuilniszak toebehoord. Hij lag onderop en was maar halfvol. Ik deed hem open en bijna meteen weer dicht, omdat ik dacht dat ie van mijzelf was. Vanwege het klm-vliegticket dat bovenop lag. Ik vond er nog drie. Stuk voor stuk vluchten van Riga naar Amsterdam en terug.
Misschien had ik het niet zo vreemd gevonden als ik tickets had gevonden naar Sint-Petersburg of Helsinki. Of desnoods naar Hongkong om te shoppen, maar dat ze regelmatig naar Amsterdam was gevlogen, in Nederland was geweest en daar nooit iets van gezegd had tegen haar Nederlandse buurvrouw, dat was vreemd. En tamelijk schokkend. Eigenlijk was het ook kwetsend, beledigend en getuigde het van een gebrek aan vertrouwen.
Met een stijgend gevoel van woede zocht ik verder in de hoop afval die ik uit de zak had geschud. Bonnetjes van boodschappen, reclamefolders, een doos met een paar sushirolletjes, plastic tasjes, prijskaartjes van kleding, oude make-up, stompjes kaars, lege schoenendozen, alles kleverig en glibberig van de resten yoghurt, tomatensaus en olijfolie.
Bijna anderhalf jaar praatjes in de lift, gesprekjes aan de deur over Arno, vakanties en weekendjes in Amsterdam, mijn opleiding in Den Haag, en dan niet zeggen dat ze vorige week ook nog op Schiphol was geweest. En ook niet dat ze blijkbaar een auto had gehad. Met het stapeltje besmeurde papiertjes in een van de plastic tasjes rende ik naar boven, onder het lint door. Ik greep de autosleutel van het haakje, gooide hem bij de bonnetjes en de tickets en rende de trap af naar mijn eigen voordeur.
Pas toen ik binnen stond voelde ik hoe snel mijn hart sloeg. En dat had niets te maken met mijn conditie.