13

Perez vond dit de moeilijkste zaak waaraan hij ooit gewerkt had. Hier, gevangen in de vuurtoren, leek het wel alsof hij in een vreemd land aan het werk was. Zelfs de getuigen leken een vreemde taal te spreken en hij moest zich inspannen om hun woorden tot zich te laten doordringen. Voor het eerst begreep hij hoe moeilijk het moest zijn geweest voor Roy Taylor, zijn collega uit Inverness, om hiernaartoe te komen en een onderzoek te leiden. Dit oord moest vreemd voor hem geweest zijn. Perez wist hoe Shetlanders dachten. Hij kon de wereld vanuit hun perspectief benaderen. De medewerkers van het onderzoekscentrum en de bezoekers waren Engelsen en hadden allen hun eigen activiteiten en ambities. Plots schoot het hem te binnen dat het gebouw hem deed denken aan een voorpost uit het tijdperk van de Raj-heerschappij; hij voelde zich de inheemse officier die een brug tussen de twee culturen moest slaan.

Hij verordonneerde iedereen van de eetzaal naar de zitkamer. Ze zaten daar meer op hun gemak, en zo had hij de eetzaal voor zichzelf om de gesprekken te kunnen voeren. Hij zat liever rechtop, met een tafel tussen hem en de ondervraagde, dan onderuitgezakt op een bank, met zijn knie tegen die van de verdachte. Want dat waren ze natuurlijk, stuk voor stuk. Hij kon ze momenteel onmogelijk als iets anders beschouwen. Hij wist dat de bezoekers waarschijnlijk niet zwijgend in de zitkamer zouden blijven zitten; ze zouden de gang van zaken bespreken zodra ze de eetzaal hadden verlaten. Dat zou hun schriftelijke verklaringen kunnen ondermijnen. Maar voorlopig had hij het hiermee te doen.

Fran had aangeboden om met hem mee terug te gaan naar het centrum. ‘Ik kan je helpen. Ik observeer scherp. Ik kan ze in de gaten houden en luisteren wat ze zeggen.’ Maar hij wist niet of hij informatie die hij op die manier verkregen had als bewijs kon inbrengen. En er was al een vrouw vermoord. Hij wilde niet ook Fran in gevaar brengen.

Hij vroeg als eerste aan John Fowler om naar de eetzaal te komen. Vanwaar die keuze? Het was een willekeurig besluit, deels ingegeven doordat zwijgzame mensen hem altijd interesseerden, en Fowler had tijdens het koffiedrinken zijn mond nauwelijks opengedaan. Voor de rest kwam hij vriendelijk over, en Perez wilde de avond niet beginnen met een onaangenaam gesprek.

Ze spraken met het geluid van de spoelende vaatwasser op de achtergrond. Perez plaatste een kleine cassetterecorder tussen hen in. Hij had die van Stella geleend, de lerares, toen hij naar het zuiden was gereden om Angela’s lichaam af te voeren.

Hij knikte naar het apparaatje. ‘Bezwaar? Dit is geen officiële ondervraging, maar ik heb niemand die aantekeningen kan maken.’

Toen hij later de opname terugluisterde zorgde het geluid van de keukenapparatuur, hoorbaar voordat het gesprek begon, ervoor dat hij zich onmiddellijk weer ongemakkelijk voelde en moest terugdenken aan zijn worsteling om de belangrijkste vragen te stellen.

Hij stak van wal met de feiten die hij al kende. Hij had op de computer in de vogelkamer een gastenlijst voorzien van namen en adressen gevonden en zijn collega’s in Lerwick hadden al gezocht naar strafbladen. Fowler had er geen. Het echtpaar was woonachtig in Bristol. John was 49, Sarah was 41. Deze man zat nu, ogenschijnlijk onaangedaan door de situatie, tegenover hem. Zijn haar was aan de lange kant voor een man van zijn leeftijd, hij droeg een spijkerbroek en een gebreid vest. De man had niets ongewoons of ontzagwekkends. Hij was het type dat bij een daderidentificatie altijd werd overgeslagen.

‘Wat brengt u in de herfst naar Fair Isle?’ vroeg Perez.

‘Vogels,’ glimlachte Fowler. ‘We zijn net als al die andere gekken die hiernaartoe komen. Ik heb een paar keer de herfst doorgebracht in Shetland, maar op Fair Isle was ik nog nooit geweest. Het is net een droom, moet u weten. Voor vogelaars is dit een haast mythische plek. Een plek waar van alles mogelijk is. En vandaag is dat natuurlijk bewezen door de trompetzwaan. Bovendien was Sarah toe aan vakantie.’

‘Waarom was uw vrouw toe aan vakantie?’

‘Doet dat ertoe?’ De glimlach verdween en maakte plaats voor een zuinige frons, alsof Perez tegen de etiquette had gezondigd.

‘Waarschijnlijk niet.’ Perez wist niet zeker wat hem ertoe gebracht had de vraag te stellen, maar hij was nu gefascineerd door de reactie van Fowler. ‘Maar ik wil het weten.’

Fowler haalde zijn schouders op. ‘Ze heeft een miskraam gehad. We hadden de hoop op een zwangerschap al opgegeven. Alles geprobeerd, alle tests gedaan, ivf. Toen kwam het geweldige nieuws dat ze zwanger was. Maar het werd dus een miskraam. Niemand kan ons vertellen hoe dat heeft kunnen gebeuren. Ze zou deze week zijn bevallen. Het is voor ons allebei heel zwaar geweest. Ze moest er even uit.’

‘Het spijt me om dit te horen.’ Perez’ eerste vrouw had ook Sarah geheten, en ook zij had een miskraam gehad. Hij zag dat als het begin van het einde van zijn huwelijk. Hij wist wel dat hij zich nooit meer zo ongelukkig had gevoeld als op het moment dat de baby levenloos ter wereld kwam. Hij vond zichzelf nu een botte boer omdat hij zich mengde in andermans ellende.

‘Zeg er tegen haar alsjeblieft niets over.’ Fowler keek Perez indringend aan. Hij had de uitstraling van een academicus, dacht Perez, zachtaardig, een tikje wereldvreemd.

‘Natuurlijk niet.’ De vaatwasser piepte ten teken dat het wasprogramma ten einde was. ‘Had u Angela Moore al eens ontmoet voordat u naar het centrum kwam?’

‘Eén keer, geloof ik, op een feestje van een uitgeverij. Ik schreef vroeger stukken voor vakbladen.’

‘U bent journalist?’ Perez keek direct op. ‘Deze gesprekken zijn vertrouwelijk. Ik zou datgene wat we hier bespreken niet graag in de krant teruglezen.’

‘Ik zou haar familie zoiets nooit aandoen.’ Fowler keek uit het raam. ‘Bovendien word ik tegenwoordig niet meer gevraagd voor stukken. Kennelijk ben ik uit de gratie. En ik schreef al nooit veel in de dagbladen: af en toe een groot stuk over een natuurhistorisch onderwerp.’

Perez schatte in dat hij deze man wel kon vertrouwen, maar hij bedacht tegelijk dat iedere journalist smult van een verhaal in een grote krant, met zijn naam vetgedrukt naast de kop. En Fowler kon zomaar weer terug in het zadel worden geholpen als de dagbladen eenmaal doorkregen dat hij hier was. ‘Waarom was Angela op dat uitgeversfeestje?’

‘Het was ter gelegenheid van de verschijning van haar boek. Ze hoopten op publiciteit. Een recensie.’

‘U bedoelt Angela’s boek over strandlopers?’ Perez kreeg het idee dat hij de informatie uit de man moest trekken. Misschien was het inzetten van de bandrecorder een fout geweest en zou het gesprek meer ontspannen zijn verlopen zonder het ding.

‘Ja.’

‘Hebt u er een recensie over geschreven?’

‘Jazeker. Die was helaas niet al te complimenteus.’

‘Is het geen goed boek?’

‘Om dat te weten te komen zou u het zelf moeten lezen.’ Hij keek op en glimlachte kort.

‘Herkende Angela u toen u bij de vuurtoren arriveerde?’ vroeg Perez. Hij wist nog steeds niet waar hij op uit was met zijn vragen. Wederom bedacht hij dat dit een wereld was waarover hij niets wist. Hij kon een gesprek met boeren aanknopen over hun schapen, of met vissers over stokvis, maar deze schrijvers en vogelaars vond hij maar vreemde en ondoorgrondelijke types.

‘Ze kende mijn naam, maar was waarschijnlijk vergeten dat ze me al eens ontmoet had.’

‘En jullie konden het goed met elkaar vinden, ondanks de slechte recensie?’

‘Natuurlijk, inspecteur. Ze was uitgegroeid tot een beroemdheid. Ze had geen reden om mij iets kwalijk te nemen. Ze had mijn instemming helemaal niet meer nodig.’

Naar Perez’ inschatting was Angela een vrouw geweest die lang boos kon blijven. Hij keek op het vel papier dat voor hem op tafel lag en zag dat hij niets had genoteerd.

‘Wat doet u tegenwoordig voor de kost?’

‘Nog steeds iets met boeken, inspecteur. Maar nu verzamel en verkoop ik ze in plaats van erover te schrijven. Ik heb een kleine boekwinkel, gespecialiseerd in natuurhistorische onderwerpen. Het meeste van mijn werk gaat via internet, maar er zijn nog steeds trouwe klanten die ervan houden om te komen snuffelen. Ik verkeer in de gelukkige omstandigheid dat ik van mijn passie mijn werk heb kunnen maken.’

‘U was hier gisteren, op het feest,’ zei hij. De Fowlers hadden zich aan hem voorgesteld, hem gefeliciteerd en opgemerkt hoe enig ze het vonden dat alle gasten waren uitgenodigd, maar hij kon zich hen niet dansend herinneren. Misschien waren ze uit beleefdheid net lang genoeg gebleven en daarna naar bed gegaan. ‘Hoe gedroeg Angela zich daar, volgens u?’

Fowler haalde zijn schouders op. ‘Gedreven, fanatiek, onderhoudend, zoals gewoonlijk.’

‘Waarom zou iemand haar hebben willen vermoorden?’ Het leek Perez dat aan de moord, ondanks het gedoe met de veren, een rationeel motief ten grondslag moest liggen. Angela was voor zover hij had kunnen vaststellen niet seksueel misbruikt. Ze zouden het niet kunnen afschuiven op een gek die door de storm de kolder in de kop had gekregen.

‘Ik geloof niet dat ik de persoon ben aan wie u dat moet vragen, inspecteur.’ Fowler sprak erg zacht maar bleef beleefd. Het leek erop dat het gesprek hem begon te vervelen. ‘Ik kende haar nauwelijks.’

 

Perez pauzeerde even voordat hij de volgende getuige naar de eetzaal riep. Hij schonk zijn koffiemok nog eens vol en liep er instinctief mee naar buiten, in een poging wat nieuwe energie op te doen. Hij moest zijn volle gewicht gebruiken om de deur open te krijgen, en zelfs in de luwte van het gebouw deed de storm hem naar adem happen. Het bulderende geluid van de zee weerklonk en verdreef de gedachten aan de zaak uit zijn hoofd. Even werd hij overvallen door wanhoop. Ik kan dit niet. Niet in mijn eentje. Hij had nooit het nut ingezien van formele ondervragingen, die kille vraag-en-antwoordsessies waarbij de getuigen zich steevast defensief en argwanend opstelden. Hier, dacht hij, had hij deze zaak op geen enkel vlak onder controle en had hij geen idee wat er in de hoofden van de verdachten omging. Dit was zijn eiland, maar binnen in de vuurtoren maakten de schrijver, de wetenschappers en de vogelaars de dienst uit. Zij waren in het voordeel. Hij moest deze situatie hoe dan ook zien om te keren.

Hij beende naar de zitkamer. Ze hadden zijn naderende voetstappen gehoord op de houten vloer en toen hij de ruimte binnenkwam was het er stil; iedereen leek zich te concentreren op het vel papier dat voor hem lag. Ze keken op. Wie zou de volgende zijn?

‘Er is iets tussengekomen,’ zei hij. Hij vond dat zijn stem ongewoon hard klonk. ‘Ik moet terug naar Springfield. Er is een melding binnengekomen uit Inverness. We gaan morgen verder, maar dan in de grote zaal. Daar belemmer ik de werkzaamheden in het onderzoekscentrum zo min mogelijk. Ik bel wel als ik er klaar voor ben. Ik zou nu graag jullie verklaringen willen innemen…’

Hij maakte rechtsomkeert, de papieren in een hand, en waande zich een leraar op een probleemschool die moeite had de orde in de klas te bewaren. Hij had net zijn auto bereikt, toen Jane hem riep. Hij zag haar staan in het licht dat uit de hal naar buiten kwam. Ze had een jas om haar schouders geslagen, maar droeg nog steeds haar pantoffels. Ze rende naar hem toe. ‘Jimmy, kan ik even met je praten? Er schoot me net iets te binnen. Waarschijnlijk niets belangrijks, maar ik vind dat je het moet weten.’

Ze zaten in Big James’ roestige auto, waarop de wind beukte. Hij moest Jane vragen harder te praten om haar te kunnen verstaan.

‘Het gaat om iets wat Angela tijdens de lunch zei, op de dag voordat ze stierf.’ Jane keek voor zich uit door de voorruit, hoewel het donker was. Perez had het lampje in de auto aangeknipt en tot zijn verbazing geconstateerd dat het werkte. Nu spraken ze in dat bleke flikkerlicht. ‘Ze zei dat iemand in de vogelkamer was geweest en in haar papieren had gesnuffeld. Iets waar ze aan werkte. Ze was des duivels, echt witheet. Ze barstte weleens in woede uit omdat ze zich verveelde, maar dit was serieus.’

‘Kun je je nog iets anders van het gesprek herinneren?’

‘Ik geloof dat er een document ontbrak. Ze zei dat een van ons het moest hebben gestolen.’

‘Had ze het over iemand in het bijzonder?’ vroeg Perez. Hij draaide zich om en keek naar het magere, gespannen gezicht van de vrouw. Waarom was dit zo belangrijk voor haar?

‘Volgens mij niet,’ zei ze. ‘Althans, daar leek het toen niet op.’

‘Dank je.’ Hij dacht dat ze nu wel uit zou stappen en dat het gesprek voorbij zou zijn, maar ze verroerde zich niet. Hij wachtte, in de wetenschap dat hij uitblonk in wachten. Hij kon het beter dan wie dan ook.

‘Je zou eens met Ben Catchpole moeten praten,’ zei ze eindelijk. ‘En misschien ook met Hugh. Angela hield van knappe, jonge jongens.’

‘Wil je beweren dat ze met hen naar bed is geweest?’ In zijn stem kon hij de verrassing en de afkeuring terughoren. De sneer die Fran zou hebben uitgedeeld als ze dit hoorde! Ze zei altijd dat ze hem bekrompen en betuttelend vond. En als ze het over een man had gehad, zou hij dan net zo geschokt hebben gereageerd?

Er kwam niet direct een reactie. ‘Ze was een jager,’ zei Jane. ‘Ze had bewonderaars nodig. Van Hugh en Ben weet ik het niet zeker, maar het afgelopen jaar is er wel degelijk iets voorgevallen. Ze heeft een jonge bezoeker aan de haak geslagen en hem het hoofd behoorlijk op hol gebracht.’ Haar blik bleef gericht op de duisternis voor haar.

‘Wat vond Maurice van de affaire?’

‘Ik denk,’ zei Jane, ‘dat hij deed alsof hij niets doorhad. Maurice houdt van een overzichtelijk leven. En boven alles wilde hij dat Angela gelukkig was.’

‘Dank je,’ zei hij nogmaals, en deze keer stapte Jane uit. Hij keek door de achterruit en zag haar richting de lichtjes van het onderzoekscentrum rennen.

 

In Springfield stond de tv aan. De dikke gordijnen waren dicht vanwege de storm. Er brandde een vuur van turf en wrakhout, hij rook de geur zodra hij het huis binnenging. Zijn moeder stond op toen ze hem hoorde binnenkomen en zette koffie voor hem, en gaf hem een bord met crackers en kaas. Zijn vader schonk een glas whisky voor hem in. Fran zat alleen op de bank, haar benen onder haar lichaam gekruld, en hij boog voorover en kuste haar hoofd. Hij rook door de turfgeur de shampoo die ze altijd gebruikte.

‘We hadden je niet zo snel terugverwacht,’ zei ze. ‘Is het allemaal al voorbij?’

‘Nee, maar ik kon deze avond niet verder. Ik ben geen steek wijzer geworden. Morgen is er meer dan genoeg te doen.’

‘We hebben net het weerbericht gezien,’ zei zijn vader. ‘Morgenochtend zou het weer moeten omslaan. Er komt een hogedrukgebied deze kant op.’

‘Dus je neemt de boot weer in de vaart?’

‘Nog niet. De golven zijn nog te hoog. En ik zie het vliegtuig ook nog niet vertrekken. Misschien kan de helikopter vliegen. Na morgen is het voorbij. Dan is alles weer bij het oude.’

Behalve, dacht Perez, dat we een dode vrouw in de schuur hebben liggen en ik nog steeds moet uitzoeken wie haar vermoord heeft. Niets normaals aan.

 

Blauw Licht
titlepage.xhtml
blauw_licht-ebook_split_000.xhtml
blauw_licht-ebook_split_001.xhtml
blauw_licht-ebook_split_002.xhtml
blauw_licht-ebook_split_003.xhtml
blauw_licht-ebook_split_004.xhtml
blauw_licht-ebook_split_005.xhtml
blauw_licht-ebook_split_006.xhtml
blauw_licht-ebook_split_007.xhtml
blauw_licht-ebook_split_008.xhtml
blauw_licht-ebook_split_009.xhtml
blauw_licht-ebook_split_010.xhtml
blauw_licht-ebook_split_011.xhtml
blauw_licht-ebook_split_012.xhtml
blauw_licht-ebook_split_013.xhtml
blauw_licht-ebook_split_014.xhtml
blauw_licht-ebook_split_015.xhtml
blauw_licht-ebook_split_016.xhtml
blauw_licht-ebook_split_017.xhtml
blauw_licht-ebook_split_018.xhtml
blauw_licht-ebook_split_019.xhtml
blauw_licht-ebook_split_020.xhtml
blauw_licht-ebook_split_021.xhtml
blauw_licht-ebook_split_022.xhtml
blauw_licht-ebook_split_023.xhtml
blauw_licht-ebook_split_024.xhtml
blauw_licht-ebook_split_025.xhtml
blauw_licht-ebook_split_026.xhtml
blauw_licht-ebook_split_027.xhtml
blauw_licht-ebook_split_028.xhtml
blauw_licht-ebook_split_029.xhtml
blauw_licht-ebook_split_030.xhtml
blauw_licht-ebook_split_031.xhtml
blauw_licht-ebook_split_032.xhtml
blauw_licht-ebook_split_033.xhtml
blauw_licht-ebook_split_034.xhtml
blauw_licht-ebook_split_035.xhtml
blauw_licht-ebook_split_036.xhtml
blauw_licht-ebook_split_037.xhtml
blauw_licht-ebook_split_038.xhtml
blauw_licht-ebook_split_039.xhtml
blauw_licht-ebook_split_040.xhtml
blauw_licht-ebook_split_041.xhtml
blauw_licht-ebook_split_042.xhtml
blauw_licht-ebook_split_043.xhtml