2
Jane voegde de margarine bij de bloem en liet het mengsel door haar vingers glijden. Ze gaf de voorkeur aan boter om scones mee te maken, maar het budget van het onderzoekscentrum was krap en de vogelaars hadden altijd zoveel honger als ze terugkwamen om te lunchen, dat ze zich niet kon voorstellen dat zij het verschil zouden proeven. Ze stopte even toen ze het vliegtuig hoorde overvliegen en glimlachte. Het had dus weten op te stijgen. Dat was goed. Er waren zes vogelaars aan boord die in het centrum verbleven. Minder bezoekers betekende minder werk voor de kok, de mensen die hier vanwege het weer vast kwamen te zitten raakten bovendien toch maar gefrustreerd. Ze had er lol in om een of andere machtige zakenman te vertellen dat hij zelfs met al het geld van de wereld niet van het eiland af kon komen – tijdens een zware storm vertrok vliegtuig noch boot, ongeacht de hoeveelheid contanten die de piloot danwel schipper in het vooruitzicht werd gesteld – maar ze hield niet van de sfeer die er heerste onder mensen die tegen hun wil moeten achterblijven. Ze leken wel gijzelaars, iedereen reageerde anders op zo’n situatie. Sommigen werden zwijgzaam en legden zich erbij neer, anderen raakten uitzinnig van woede.
Ze voegde room aan het mengsel toe. Hoewel ze elke dag een partij scones bakte en het inmiddels met haar ogen dicht kon, woog ze de bloem en mat ze de hoeveelheid melk af. Zo werkte ze nu eenmaal: behoedzaam en precies. Ze had een stuk kaas over dat op moest, dus raspte ze dat en roerde het erdoor. Het schoot haar te binnen dat ze brood moest maken als de boot morgen niet kon varen. De vriezer was bijna leeg. Ze rolde het sconedeeg uit, sneed er cirkels van en legde die op de bakplaat, dicht tegen elkaar aan zodat ze goed zouden rijzen. De oven was al op temperatuur, dus schoof ze de plaat erin. Toen ze weer overeind kwam zag ze iemand in een groene regenjas langs het raam lopen. De muren van het oude huisje bij de vuurtoren waren een meter dik, en dankzij het zeewater was het glas bedekt met een laagje zout; het zicht was dus beperkt, maar het moest haast Angela wel zijn, terug van haar rondgang langs de Helgoland-vallen.
Dit was het tweede seizoen dat Jane meemaakte in het Fair Isle-centrum. Ze werkte er sinds de lente van het vorige jaar. Ze had een advertentie gezien in een tijdschrift over landelijk wonen en had ter plekke besloten om erop te reageren. Een impuls, misschien wel de eerste impulsieve daad uit haar leven. Wat volgde was een soort sollicitatiegesprek per telefoon.
‘Waarom wil je je zomer doorbrengen op Fair Isle?’
Jane had die vraag natuurlijk verwacht; ze was zelf HR-manager geweest en had in die functie talloze sollicitatiegesprekken afgenomen. Ze had iets onschuldigs geantwoord over een nieuwe uitdaging, de kans om uit te zoeken waar haar toekomst lag. Het ging tenslotte maar om een tijdelijke aanstelling, en ze kon horen dat de persoon aan de andere kant van de lijn de wanhoop nabij was. Het seizoen zou al over een paar weken beginnen en de kok die was aangekomen, had ineens met haar vriend de benen genomen naar Marokko. In werkelijkheid lag de zaak natuurlijk een stuk gecompliceerder: mijn partner heeft besloten dat zij kinderen wil. Ik ben bang. Waarom heeft ze niet genoeg aan mij? Ik dacht dat we allebei gelukkig en tevreden waren, maar zij zegt dat ik haar verveel.
Het besluit om naar Fair Isle af te reizen was te vergelijken met het wegduiken onder de dekens zoals een kind dat doet. Ze probeerde te ontsnappen aan de vernedering, aan het dagende besef dat Dee daadwerkelijk iemand had gevonden die net zo graag een kind wilde als zij, dat Jane alleen was en bijna niemand had. Toen ze hoorde dat ze de baan in het centrum kreeg, gaf ze haar ambtenarenbestaan op en vertrok nog diezelfde week, met dank aan de vakantiedagen die ze nog te goed had. Op kantoor werd een klein afscheidsfeestje georganiseerd, met taart en bubbelwijn, een cadeau in de vorm van een boekenbon. Bij de aanwezigen overheerste een gevoel van verbazing. Jane stond bekend als rationeel, betrouwbaar en intelligent. Dat zij zomaar haar carrière, inclusief de aantrekkelijke inkomensafhankelijke pensioenregeling, overboord gooide om te verhuizen naar een eiland dat slechts bekendheid genoot vanwege de lokale breiwerkjes, leek totaal niet bij haar te passen.
‘Kún je wel koken?’ had een van haar collega’s gevraagd, die zich niet kon voorstellen dat de gerespecteerde HR-manager in zoiets banaals geïnteresseerd zou zijn. En tijdens het dramatisch verlopen telefoongesprek was haar die vraag ook gesteld.
‘Zeker,’ kon ze in beide gevallen geheel naar waarheid antwoorden. Haar partner Dee had wel van een feestje gehouden. Ze was directeur van een onafhankelijk productiebedrijf en in de weekeinden was het huis steevast afgeladen – acteurs, producers en schrijvers. Jane zorgde tijdens deze bijeenkomsten voor het eten, van de toastjes met kaviaar op hun beroemde zomerfeesten tot stijlvolle diners voor twaalf personen. Toen ze het huis in Richmond verliet, de grote koffer op wieltjes achter haar aan slepend, was ze niet geheel zonder zorgen over de vraag wie nu de catering moest verzorgen tijdens deze feesten. Ze kon zich Dee’s nieuwe vrouw, slank, glanzende haren, niet voorstellen met een schort voor.
Jane was zonder verwachtingen naar Fair Isle afgereisd. Dat ze van tevoren geen informatie over het oord had ingewonnen, was tekenend voor haar verwarde toestand; normaal gesproken zou ze dat gedaan hebben. Ze zou websites hebben bezocht, naar de bibliotheek zijn gegaan, een dossier hebben samengesteld met relevante informatie. Maar haar voorbereiding bestond slechts uit het aanschaffen van een aantal kookboeken. Ze zou met een beperkt budget voedzame maaltijden moeten zien klaar te maken, en ze was nog niet dermate losgeslagen dat het in haar opkwam haar nieuwe baan te verwaarlozen.
Ze was aangekomen met de postboot, de Good Shepherd. Het was een zonnige dag geweest, de wind blies mild uit het zuidoosten en ze had op het dek gezeten en het eiland groter zien worden. Ze voelde de opwinding die hoort bij een ontdekking. Ze merkte – nu weer – dat het voelde alsof ze de liefde van haar leven tegenkwam. Een eerste flirtende blik, gevolgd door een groeiende verstandhouding. Als de lente mooi weer brengt is het makkelijk om verliefd te worden op Fair Isle. Rond de rotsen zijn volop zeevogels te vinden; Gilsetter, het vlakke grasland ten zuiden van de havens, is bedekt met bloemen. Ze viel ervoor als een blok. Voor zowel het centrum als het eiland. Het centrum was ingericht in de noordelijke vuurtoren, inmiddels geautomatiseerd, die majesteitelijk uittorende boven de hoge, grijze rotsmassa. Ze was in een buitenwijk opgegroeid en had nooit kunnen bedenken ooit op zo’n ruige, schilderachtige plek te wonen. Ze meende hier een ander mens te kunnen worden dan de timide vrouw die nooit tegen Dee op had gekund. De keuken werd direct haar terrein. Hij was groot en langgerekt. Ooit was het de zitkamer van de vuurtorenwachter; in de ruimte bevond zich een schoorsteenmantel en twee ramen met uitzicht over de zee. Direct nadat ze was aangekomen had ze alles naar haar wensen laten inrichten, nog voordat ze haar eigen koffers had uitgepakt. Het was nog te vroeg in het seizoen voor gasten, maar het personeel diende ook gevoed te worden.
‘Wat staat er op het menu vanavond?’ had ze gevraagd terwijl ze de mouwen van haar katoenen blouse oprolde en haar favoriete blauwe schort over haar hoofd trok. Toen er geen antwoord kwam keek ze in de koelkast, en daarna in de vriezer. In de koelkast stond een roestvrijstalen kom met rijst, afgedekt met folie, in de vriezer lag wat gerookte schelvis. Ze maakte een grote pan kedgeree klaar, met echte boter – de kosten nam ze voor lief – en grote stukken hardgekookt ei. Ze hadden het opgegeten, gezeten aan de ronde tafel in de keuken. De gesprekken gingen over nesten en aantallen zeevogels. Niemand had haar gevraagd waarom ze naar Fair Isle was gekomen om kok te worden.
Later zei Maurice dat het leek alsof Mary Poppins was aangekomen om de touwtjes in handen te nemen. Ze waren er allemaal van overtuigd dat het goed zat. Jane had die opmerking altijd gekoesterd.
De geur leerde haar dat haar gebak bijna klaar was. Ze tilde de bakplaat uit de oven en zette deze op tafel, legde de scones wat uit elkaar zodat ze vanbinnen goed zouden garen, en deed alles weer terug in de oven. Ze zette haar kookwekker op drie minuten, hoewel ze wist dat ze die niet nodig had. In deze keuken brandde niets aan. Niet zolang Jane het voor het zeggen had.
De deur zwaaide open en Maurice kwam binnen. Hij droeg een flanellen overhemd met een grijs vest, een wijde ribbroek en leren slippers. Hij leek op de morsige academicus die hij was voordat hij met zijn nieuwe, jonge vrouw naar het eiland verhuisde. Jane reageerde – haast automatisch – door het vuur onder de ketel aan te steken. Maurice en Angela hadden binnen het centrum hun eigen vertrekken, maar hij dronk ’s ochtends zijn koffie meestal in de grote keuken. Jane had een cafetière en bestelde echte koffie in Lerwick. Hij was de enige met wie ze die deelde.
‘Het vliegtuig is wel degelijk vertrokken,’ zei hij.
‘Ja, ik heb het gehoord.’ Ze zweeg, vulde de cafetière en haalde toen de scones uit de oven, precies op het moment dat de kookwekker afliep. ‘Hoeveel gasten zijn er nog?’
Maurice had de vertrekkende gasten en hun bagage met zijn Land Rover naar het vliegtuig gebracht. ‘Nog maar vier,’ zei hij. ‘Ron en Sue Johns zijn ook mee. Ze hebben het weerbericht gehoord en wilden hier niet vastzitten.’
Jane hevelde de scones van de plaat over naar een rooster, om ze te laten afkoelen. Maurice, in gedachten verzonken, pakte er een, brak hem in tweeën en besmeerde hem met boter.
‘Jimmy Perez is vandaag aangekomen, met zijn nieuwe vrouw,’ vervolgde hij met zijn mond vol. ‘James en Mary stonden hen op te wachten. Het arme kind! Toen ze uit het vliegtuig stapte was ze zo bleek als een vaatdoek. Je kunt het haar niet kwalijk nemen. Ik zou zo’n vlucht ook niet aangenaam hebben gevonden.’
Maurice was verantwoordelijk voor de administratie van het centrum. Het was niet alleen opgezet voor wetenschappelijk werk, maar was ook een plek waar natuurliefhebbers konden neerstrijken, of mensen die wilden ervaren hoe het is om te verblijven op het meest afgelegen, onbewoonde eiland van het Verenigd Koninkrijk. In september was het druk geweest met vogelaars. September was dé vogeltrekmaand, en een week van aanhoudende oostenwind had twee nieuwe soorten richting Engeland gedreven, samen met een aantal minder zeldzame exemplaren. Nu, midden oktober, met zware westenwind in het vooruitzicht, was het centrum bijna verlaten. Maurice was met vervroegd pensioen gegaan, had de universiteit verlaten en speelde nu de succesvolle hoteluitbater. Jane kon slechts raden naar zijn motieven, en het zou niet in haar opkomen om hem ernaar te vragen.
Maar wat ze wel wist, was dat hij gek was op roddelen. Wellicht omdat het leek op de licht stekelige conversaties die werden gevoerd in de lerarenkamer van een kleine school. Schijnbaar zonder enige inspanning was hij van alles op de hoogte. Jane gedroeg zich tegenover de meeste eilandbewoners afstandelijk. Ze kende en mocht Mary Perez, ze werd af en toe uitgenodigd om in Springfield te komen lunchen op haar vrije dagen, maar de twee konden amper beschouwd worden als goede vrienden.
‘Hij zit bij de politie, toch?’ Jane was niet bijster geïnteresseerd. Ze keek op haar horloge. Nog een halfuur tot de lunch. Ze stak het gas aan onder een grote pan met soep, roerde erin en deed toen het deksel erop.
‘Dat klopt. Mary hoopte dat hij terug zou komen toen er een paar jaar geleden een kleine boerderij beschikbaar kwam, maar hij is in Lerwick gebleven. Als hij geen zoon krijgt, zal hij de laatste Perez in Schotland zijn. Er heeft sinds die eerste die op het strand is aangespoeld, afkomstig van een schip uit de Spaanse Armada, altijd een Perez gewoond op Fair Isle.’
‘Een dochter kan de naam aanhouden en doorgeven,’ zei Jane afgemeten. Ze vond dat Maurice zich meer dan wie ook bewust diende te zijn van het gevaar van generalisaties op basis van geslacht. Alle bezoekers gingen ervan uit dat hij de baas was van het centrum, en dat Angela de reserveringen en het huishouden regelde. In werkelijkheid was Angela de wetenschapper. Zij was degene die de rotsen beklom om een noordse stormvogel of een alk te ringen, zij was het die er met de rubberboot op uittrok om vogels te tellen, terwijl Maurice de telefoon beantwoordde, het personeel aanstuurde en de toiletrollen bestelde. En Angela had, om professionele redenen, na haar huwelijk haar meisjesnaam aangehouden.
Maurice glimlachte. ‘Natuurlijk, maar voor James en Mary zou het toch niet hetzelfde zijn. En zeker niet voor James. Het is voor hem al erg genoeg dat Jimmy er niet is om de Good Shepherd over te nemen. James wil een kleinzoon.’
Jane liep naar de eetzaal en begon de tafels te dekken.
Angela verscheen nadat iedereen aan tafel had plaatsgenomen. Soms dacht Jane dat ze alleen maar zo laat kwam om een entree te kunnen maken. Vandaag was de publieke belangstelling echter minimaal: behalve het personeel, dat inmiddels wel aan haar theater gewend was, bestond die uit slechts vier bezoekers en Poppy, de dochter van Maurice. En Maurice, die haar aanbad, die totaal geen bezwaar maakte tegen zijn nieuwe rol in het leven, zolang zij maar gelukkig was. Angela had wat soep opgeschept uit de pan die nog altijd op een laag vuurtje stond te pruttelen, bleef staan en keek op hen neer. Ze was twintig jaar jonger dan Maurice, lang en sterk. Ze had bijna zwart haar, vol krullen en lang genoeg om op te gaan zitten. Nu droeg ze het hoog opgestoken met behulp van een kam. Haar haar was haar handelsmerk. Ze was een vaste commentator van natuurseries op de BBC, en het was aan haar kapsel te danken dat kijkers haar herkenden. Jane nam aan dat Maurice aangenaam verrast was geweest door haar aandacht voor hem, haar faam en haar leeftijd. Vandaar dat hij de vrouw verliet die zijn kleding waste, zijn maaltijden kookte en zijn kinderen verzorgde en naar volwassenheid leidde – mits Poppy als volwassene gezien kon worden. Jane had de verlaten echtgenote nooit ontmoet, maar ze had medelijden met de vrouw.
Jane verwachtte dat Angela zich bij hen zou voegen en het gesprek snel en behendig zou ombuigen richting haar eigen preoccupaties. Dat was het gangbare verloop. Maar Angela bleef staan en Jane kreeg in de gaten dat de vrouw des duivels was, ze was zo boos dat haar handen die de soepkom omklemden, trilden. Ze zette de kom heel voorzichtig op tafel. De gesprekken in de ruimte vielen stil. Buiten ging het inmiddels steeds heftiger tekeer en ook daar waren ze zich van bewust. Ondanks het dubbelglas in de ramen hoorden ze de golven op de rotsen beuken, en zagen ze het water opspatten alsof een reus op de rotsen spuugde.
‘Wie is er in de vogelkamer geweest?’ De vraag werd ingehouden gesteld, nauwelijks harder dan op fluistertoon, maar de woede achter de woorden was duidelijk hoorbaar. Alleen Maurice leek niets in de gaten te hebben. Hij veegde een broodkruimel weg van zijn kom en keek op.
‘Is er iets?’
‘Volgens mij heeft iemand zich met mijn werk bemoeid.’
‘Ik ben er geweest om op de computer de reserveringen na te kijken. Roger belde met de vraag of we aankomende juni plaats hebben voor een gezelschap, en om de een of andere reden deed de computer thuis het niet.’
‘Het heeft niets te maken met de computer. Het gaat om een concept voor een artikel. Handgeschreven.’ Angela richtte zich bij dit antwoord tot Maurice, maar ze sprak dermate hard dat de anderen het moeiteloos konden volgen. Terwijl ze luisterde werd Jane overvallen door het beeld van een met de hand schrijvende Angela. Dat deed ze nooit, behalve misschien als ze onderweg iets moest vastleggen en er niets anders voorhanden was. De baas was gecharmeerd van technologie. Ze voltooide zelfs de aantekeningen op de laptop over de vogels die ’s avonds waren gezien.
‘Het is weg,’ vervolgde Angela. ‘Iemand moet het meegenomen hebben.’ Ze keek de ruimte rond, nam de vier bezoekers die aan hun eigen tafel zaten in zich op en zei, nog wat harder: ‘Iemand moet het meegenomen hebben.’