3
Perez had Fran exact uitgelegd wat ze van zijn ouderlijk huis kon verwachten. Hij had de keuken met het uitzicht over de zuidelijke haven beschreven, de Rayburn met het rek erboven om in de winter kleding te kunnen drogen, het waterbestendige tafelkleed, groen met een patroon van kleine grijze blaadjes, zijn moeders aquarellen aan de muur. Hij had verteld over zijn jeugd die hij daar had doorgebracht, daarna luisterde hij naar haar verhalen over opgroeien in Londen; intieme conversaties, onderdeel van het ritueel dat hoort bij een ontluikende relatie, dodelijk saai voor iedere buitenstaander.
‘Moeder zal waarschijnlijk al haar schilderijen hebben verstopt,’ had Perez gezegd. ‘Ze vindt het gênant om ze aan een echte kunstenaar te laten zien.’
En Fran vond dat ze inmiddels een echte kunstenaar was; mensen plaatsten opdrachten voor schilderijen en haar werk werd getoond in galeries. Ze was blij dat Mary haar schilderijen aan de muren had laten hangen. Ze waren heel klein en delicaat, in een stijl waar Fran helemaal niet van hield, maar interessant omdat ze de eenvoudige details van het alledaagse leven op Fair Isle liet zien, die normaal gesproken geen aandacht trokken. Fran zag een stuk kapotte muur, waaraan op een hoek een paar plukken schapenwol waren achtergebleven, en een schets van een graf op het kerkhof. Fran bekeek deze aandachtig, maar de grafsteen was van opzij getekend, dus zelfs als dit model een inscriptie had, zou die onmogelijk te ontcijferen zijn geweest. Naast Mary’s schilderijen van het eiland hingen er kleurrijke kiekjes en afdrukken die verwezen naar de Spaanse wortels van de familie Perez. Het verhaal ging dat Jimmy’s voorouder was aangespoeld nadat het Spaanse schip waarop hij meevoer, de El Gran Grifon, was vergaan. Waarschijnlijk was het verhaal waar. Het wrak uit de zestiende eeuw lag er in elk geval, een onderwaterattractie voor duikers, en hoe vielen anders de vreemde naam en de exotische huidtint van James Perez en zijn zoon te verklaren?
Omdat de boerderij erg leek op wat ze zich ervan had voorgesteld, maar toch niet hetzelfde was – hij was kleiner, benauwder – kreeg Fran het gevoel dat ze een parallelle wereld had betreden. Ze zat aan tafel en luisterde naar Mary en James en het was alsof ze een figurant was op een filmset, afgezonderd, niet van belang voor de echte actie.
Zal het hier altijd zo zijn? Ik zal me hier nooit echt thuis voelen.
Het was recentelijk niet meer ter sprake gekomen, maar Fran rekende erop dat Perez op een dag zou terugkeren. Dat vooruitzicht leek haar geweldig, ze hield van het idee op een van de meest afgelegen plekken van Schotland te zijn en een familietraditie voort te zetten die terugging tot de zestiende eeuw. Nu wist ze niet meer zeker of dat zo goed zou uitpakken.
Mary praatte over de huwelijksvoorbereidingen. Haar zoon en zijn Engelse vrouw zouden in mei trouwen en ze ging ervan uit dat Fran hiernaar uitkeek en haar ideeën over de huwelijksdag met haar zou willen delen. Maar Fran was al eerder getrouwd geweest. Ze had een dochter, Cassie, die deze week bij haar vader verbleef, in zijn grote huis in Brae. Fran wilde trouwen met Jimmy Perez, maar ze had geen oog voor de details van de ceremonie. Ze had niet verwacht dat Mary het type zou zijn dat zeurde over bloemen, de uitnodigingen en de vraag of ze een hoed op moest. Mary was als verpleegkundige naar Fair Isle gekomen en vanaf het moment dat ze getrouwd was, hielp ze mee op de boerderij. Ze was een sterke, praktisch ingestelde vrouw. Maar Jimmy was haar enige zoon en misschien dacht ze Fran een plezier te doen door interesse te tonen voor hun grote dag. Fran meende dat de oudere vrouw vooral vriendschap wilde sluiten met haar kersverse schoondochter.
‘We dachten aan een huwelijk in Lerwick,’ zei Fran. ‘Een kleine ceremonie. Het is voor ons allebei tenslotte de tweede keer. Aansluitend een feest voor vrienden en familie.’
James had na deze woorden opgekeken. ‘Je moet hier ook iets organiseren. Voor de mensen die niet naar Mainland kunnen. En je familie zal het eiland willen zien. En jullie moeten een hame-farin hebben. Dit is Jimmy’s thuis.’
‘Uiteraard,’ zei Fran, hoewel het nog niet in haar opgekomen was om het hele circus naar het eiland te verplaatsen. Ze dacht aan haar ouders en de vlucht of boottocht die hun te wachten stond. En kon ze Cassie wel aan dat gevaar blootstellen? Als er een feest zou worden georganiseerd, moest ze ook haar goede vrienden uit Londen uitnodigen. Zij zouden dat niet willen missen. Wat zouden zij hiervan vinden? En waar moesten ze slapen?
‘Het leek ons een goed idee om deze week een feestje te geven om je verloving te vieren,’ zei Mary.
‘Dat klinkt goed. Maar doe voor mij vooral niet te veel moeite.’ Fran’s blik zocht ter ondersteuning die van Perez. Hij had gedurende deze conversatie nog geen woord gezegd. Hij haalde zijn schouders op, waaruit Fran opmaakte dat alles al geregeld was. Ze konden zeggen wat ze wilden, het zou niet meer uitmaken.
‘O, maar ik organiseer het niet hier,’ glimlachte Mary. ‘Het huis is te klein. Bij een fatsoenlijk feest op Fair Isle hoort muziek en dans. Ik dacht eraan om het onderzoekscentrum af te huren. Zij hebben een geschikte ruimte waar gedanst kan worden, en Jane kan de catering verzorgen.’
‘Jane?’ Het leek Fran het veiligst om in te gaan op de details.
‘Ze werkt in de keuken van het centrum. Ze is een heel goede kok.’
‘Prima,’ zei Fran. Wat kon ze hier nog aan toevoegen? O Jimmy, dacht ze. Ik weet echt niet of ik het daar uithoud, zelfs met jou. Ze wendde zich tot zijn moeder. ‘En wanneer wilde je het feest geven?’
‘Ik heb het centrum voor morgen afgehuurd.’ En, daar haastig achteraan: ‘Niets definitiefs natuurlijk, ik wilde eerst met jou overleggen.’
‘Prima,’ zei Fran weer, zich vanbinnen verbijtend.
Na de lunch had ze het gevoel dat ze gek zou worden als ze nog langer binnenbleef. Ze had Mary geholpen met de afwas en daarna hadden ze koffiegedronken in de woonkamer, waar een groot raam op het zuiden uitzicht bood over de lagergelegen velden en het water. Jimmy’s vader was de lekenpriester van de kerk en had zich teruggetrokken in de kleine slaapkamer die dienstdeed als kantoor, om de zondagse mis voor te bereiden. Het drietal zat zwijgend bij elkaar, gefascineerd door het schouwspel van de enorme golven die door de haven rolden en op de rotsen te pletter sloegen. Het was opgehouden met regenen, maar het was des te harder gaan waaien, meende Fran. Het geluid van de wind was hoorbaar door de dikke muren van het huis, een constant gehuil dat haar op de zenuwen werkte, dat haar nog nerveuzer maakte dan ze al was. Vlak voor de ruit worstelde een zilvermeeuw om tegen de wind in te komen; het deed Fran denken aan het vliegtuig en ze werd een beetje misselijk. Ze reikte naar haar kopje om haar koffie op te drinken, en dacht: wat is er aan de hand met Jimmy? Hij heeft nauwelijks iets gezegd sinds we hier zijn aangekomen. Heeft hij spijt van zijn beslissing om niet terug te keren, toen hij daarvoor de kans had? We hadden elkaar toen net leren kennen. Geeft hij mij de schuld? Wil hij terugkomen naar huis?
Perez stond op en stak zijn hand uit om Fran overeind te helpen. ‘Kom op, laten we gaan wandelen. Ik wil je het eiland laten zien.’
‘Ben je gek geworden?’ zei Mary. ‘Wie gaat er nu naar buiten in dit weer?’
‘We kunnen naar de noordelijke vuurtoren, met Jane de catering bespreken voor morgen.’ Zijn grijns verraadde dat dit niet noodzakelijk was, zijn moeder had hier al voor gezorgd. ‘Bovendien is de voorspelling dat het vanavond alleen maar erger wordt. Als we vandaag niet naar buiten gaan, is het maar de vraag wanneer we weer een kans krijgen.’
Bij de keukendeur deden ze hun laarzen en regenjassen aan. Ze stonden daar beschut, maar toch proefde ze het zout op haar lippen; toen ze van het huis wegliepen ontnam een windvlaag haar de adem en blies haar zowat omver. Perez lachte en sloeg zijn arm om haar heen.
Ze liepen noordwaarts en Perez wees de plekken aan die veel voor hem betekenden: ‘Daar woonden vroeger Ingrid en Jerry. Ik paste af en toe op hun drie meiden, al was ik zelf nauwelijks ouder dan zij waren. Wat had ik mijn handen vol aan hen! De windturbines leveren nu alle stroom op het eiland. In mijn tijd had elke boerderij zijn eigen generator. Je kon ze aan horen gaan als de schemer inviel. Dat huis daar op de oever is van Myers Jimmy. En daar loopt Margo, op de weg terug van het postkantoor.’
Ze stopten bij de winkel om chocolade te kopen en een stapeltje ansichtkaarten, die Fran wilde versturen naar haar familie in het zuiden – zodra het weer het toestond dat de post werd opgehaald. De storm was hét onderwerp van gesprek. De vrouw van middelbare leeftijd in een zelfgebreid vest leunde over de toonbank. ‘Nog nieuws over de boot, Jimmy?’ En toen hij zijn hoofd schudde: ‘Ik zie hem morgen ook niet vertrekken en al het brood is op. Maar goed dat ik veel gedroogde gist heb. De biervoorraad slinkt ook. Het is maar te hopen dat iedereen genoeg heeft ingekocht.’
Nog verder naar het noorden verdween elk teken van beschaving. Het land werd heuvelachtiger, en Fran zag de weg in de verte verdwijnen, de heuvels en de landingsbaan aan de ene kant, en vlakke weiden aan de andere. Rechts lag de glooiende massa die Sheep Rock werd genoemd, die afboog in zee en Fair Isle zijn kenmerkende, vanaf Shetland en de Northlink-boten direct herkenbare kustvorm gaf.
‘Wat is dat?’ Fran stond stil en draaide met haar rug naar de wind. Ze dacht dat ze een redelijk goede conditie had, maar dit was zwaar en ze was dan ook blij dat ze even een excuus had om uit te rusten. Ze wees naar een van staaldraad gevlochten kooi boven op een muur. Hij was cilindervormig, en aan een van de nauwe uiteinden zat een houten doos.
‘Een val. Hiermee vangen de wetenschappers van het onderzoekscentrum de vogels om ze te kunnen ringen. Er zijn hier al sinds de jaren vijftig natuurwetenschappers actief; ze zijn ooit begonnen in een paar houten hutjes vlak bij de noordelijke haven, aangelegd door een paar krijgsgevangenen. Kennelijk droomden ze over een terugkeer, om een studiecentrum voor planten en vogels op te richten. Toen de noordelijke vuurtoren geautomatiseerd werd, kwam er een grote inzamelingsactie op gang om het te verbouwen tot een modern onderzoekscentrum. In de lente worden er botanische cursussen georganiseerd. In deze tijd van het jaar zijn de vogelaars er de baas. Soms lijkt het wel alsof iedereen op het eiland rondloopt met een verrekijker of telescoop, op zoek naar zeldzame vogels.’ Perez zweeg even. ‘Ze zijn nogal fanatiek.’
‘Hoe gaan de mensen van het centrum en de eilanders met elkaar om? Kan iedereen met elkaar opschieten?’
‘Over het algemeen wel. We zijn allemaal opgegroeid met het centrum op het eiland, en iedereen heeft ingestemd met de verbouwing van de vuurtoren; het ligt zo ver van alle andere huizen dat je je niet kunt voorstellen dat er gewone lui zouden willen wonen. Het zorgt voor handel in de winkel, de boot en het postkantoor. In het verleden is er af en toe geklaagd over bezoekers die muurtjes beschadigden en gewassen plattrapten bij het betreden van iemands erf, maar één storm zoals deze kan minstens zoveel schade veroorzaken als een horde vogelaars. Maurice en Angela wonen er nu zo’n jaar of vijf. Iedereen vindt hen wel oké.’
‘Ik dacht dat je moeder zei dat het centrum werd gerund door ene Jane.’
‘Jane is de kok. Erg goed en angstaanjagend efficiënt. De feestjes op het eiland zijn van de grond gekomen omdat het eten zo goed is.’
Hij liep weer verder. Voor hen lag een nauwe strook land, met de zanderige kust aan de ene kant, rotsen en kiezels aan de andere.
‘Dat is de noordelijke haven, de ligplaats van de Good Shepherd,’ zei Perez. ‘Bij goed weer ligt ze daar afgemeerd, maar ze hebben haar op het droge getakeld. Kom op, doorlopen. We hebben nog een eind te gaan.’
Ineens waren ze na een bocht in de smalle weg bij de vuurtoren. Een rij witte hoeves met daarachter de toren, een aangelegde tuin die aan één zijde werd doorkruist door waslijnen, het geheel ommuurd door lage, eveneens witte stenen.
Fran was moe na de wandeling tegen de wind in. Het was nu bewolkt geworden, en achter de kleine ramen brandden de lichten uitnodigend. Haar gedachten dwaalden af naar thee, een haardvuur, ontsnappen aan het eindeloze geluid van de storm. Ze wist niet of ze de terugtocht naar de zuidkant van het eiland aan zou kunnen.
Perez opende een deur naar de veranda, voorzien van kledinghaken, en een bank waarop vreemde laarzen en schoenen lagen. Ze rook de geur van natte laarzen en oude sokken, regenjassen. Uit de verte kwamen stemmen.
‘Het spijt me, maar dat is onmogelijk.’ Een heldere vrouwenstem, de stem van iemand die verwacht serieus genomen te worden. Een Engelse met een goede opleiding. ‘U hebt deze ochtend de kans gehad om met het vliegtuig mee te gaan. We hebben u verteld dat de boot zeer waarschijnlijk niet kan uitvaren. De bemanning zet haar leven en dat van hun passagiers niet op het spel alleen maar omdat u zich verveelt.’ Dit moest Jane zijn, de kok, dacht Fran. De spreker klonk in elk geval griezelig kordaat.
‘Niemand heeft me iets over een vliegtuig verteld!’ Een andere vrouw. Jonger. In haar stem klonk de dreinende toon door van een verwende tiener.
‘Het is tijdens het ontbijt bekendgemaakt.’
‘Je weet dat ik nooit ontbijt. Je had me moeten opzoeken en het me moeten zeggen. Waarom heeft mijn vader me niets verteld?’
‘Dat had al geen zin meer. Alle beschikbare plaatsen waren al vergeven.’
‘O, god!’ In deze hoge, pathetische gil meende Fran wel degelijk paniek te bespeuren, het soort paniek dat ze zelf had gevoeld toen ze dacht dat het vliegtuig zou neerstorten. ‘Ik haat het hier. Nóg een dag hier overleef ik niet.’