4
Ballinakelly was een schilderachtig stadje met witte huizen die zich aan de heuvel vastklampten als mosselen aan een rots, tot helemaal beneden, waar de zee het land omspoelde. Het had een kleine haven, drie kerken – behalve de St. Patrick van de Church of Ireland, ook de methodistenkerk en de katholieke All Saints – en een hoofdstraat met winkeltjes en vier cafés, die altijd vol zaten. De kinderen van Ballinakelly gingen naar een katholieke school en verzamelden zich ’s avonds vaak bij de kapel van de Heilige Maagd om te zien of het beeld bewoog, iets wat regelmatig gebeurde, ogenschijnlijk zonder menselijke bemoeienis. Het kapelletje was gebouwd in 1828, toen de Heilige Maagd daar aan een jong meisje was verschenen. Tegenwoordig vormde het in de zomermaanden een soort toeristische attractie, waar pelgrims van heinde en verre naartoe kwamen, om er in de modder te knielen en devoot een kruis te slaan wanneer het beeld gedienstig zwaaide op zijn sokkel. Voor de kinderen betekende het schouwspel dolle pret. De sjofele boefjes dromden rond het beeld en zetten het gillend op een lopen als het bewoog, gierend van de lach om hun angst te overschreeuwen. Soms gebeurde het zelfs dat paarden niet verder wilden wanneer ze te dicht bij het beeld kwamen. Iets wat door de dorpelingen werd gezien als een aankondiging van rampspoed.
Terwijl de sjees langzaam door het stadje reed, keek Kitty nog altijd gretig naar de katholieke kinderen die hun tegemoet kwamen. Ze zagen bleek van de honger, want ze hadden sinds de vorige avond gevast. En na de lange dienst stonden hun ogen glazig van verveling. Eindelijk kreeg Kitty haar vriendinnetje in de gaten. Bridie was in gezelschap van haar ouders en de rest van het gezin Doyle. Ze liep somber te sloffen, haar gezicht ging half schuil achter haar wilde bos haar en om haar mond lag een grimmige trek. Kitty wist dat ze niet graag naar de mis ging. Pastoor Quinn was streng en onverzoenlijk. In zijn preken gaf hij bulderend uiting aan zijn verontwaardiging, waarbij hij niet zelden verwijtend zijn vinger hief naar die leden van zijn gemeente van wie hij vermoedde dat ze hadden gezondigd. En het waren vooral de armsten die de wind van voren kregen.
Kitty keek strak in de richting van haar vriendinnetje totdat Bridie haar ogen opsloeg, net toen de sjees haar met hoefgeklepper passeerde. Haar gezicht klaarde op, ze lachte naar Kitty en Kitty lachte terug. Een eindje achter Bridie ontdekte ze Liam O’Leary, de dierenarts, samen met zijn elfjarige zoon Jack. Toen Kitty ook naar hen lachte, trok Jack slechts vluchtig met zijn mondhoeken. Maar onder zijn lange, bruine pony dansten er pretlichtjes in zijn donkere ogen. En toen Kitty nog vluchtig een blik achterom wierp, zag ze dat Jack hetzelfde deed.
De kerk van St. Patrick zat bijna helemaal vol. Hier ontmoetten de aristocratie en de werkende klasse elkaar; winkeliers, veehandelaren, kleermakers, maar ook de opziener en de administrateur van het kasteel – allemaal afstammelingen van de hugenoten. Lord en Lady Deverill zaten op de voorste rij, samen met Bertie, Maud, Victoria en Elspeth. Miss Grieve zat op de rij achter hen, naast Kitty. En tot Kitty’s verrukking kwam Lady Rowan-Hampton aan haar andere kant zitten, gehuld in een warme mantel en een bontstola. Haar man, Sir Ronald, die veel te dik was en altijd rode wangen had, koos een plekje aan het gangpad omdat hij een deel van de schriftlezing voor zijn rekening zou nemen. ‘Kitty, lieverd!’ fluisterde Lady Rowan-Hampton met een stralende glimlach, terwijl ze haar kerkboek op het plankje voor zich legde. ‘Wat heb ik je lang niet gezien. En wat ben je mooi! Je gaat je grootmoeder achterna. In haar jeugd roemde heel Dublin haar schoonheid. Zo, wat zullen we eens doen om de tijd door te komen? Ik weet het! We doen een spelletje. Bedenk een dier dat past bij ieder van je familieleden. En bij dominee Daunt, niet te vergeten. Als jij een dier was, dan was je…’ Ze vernauwde haar zachte bruine ogen tot spleetjes en Kitty keek gefascineerd naar haar blozende, enigszins mollige wangen, haar volmaakte, gepoederde huid, haar volle, sprekende mond. Als mensen een cake of een taart waren, dan was Lady Rowan-Hampton een luchtige cake van biscuitdeeg. En haar moeder een portercake, dacht Kitty. Zwaar en bitter van smaak. ‘Ik weet het! Een vos, natuurlijk!’ vervolgde Lady Rowan-Hampton. ‘Een ranke, charmante, slimme vos.’
De dienst begon, het eerste gezang werd ingezet en iedereen ging staan. Kitty maakte zich lang en deed haar best zo mooi mogelijk te zingen, om indruk te maken op Lady Rowan-Hampton. Miss Grieve bewoog blijkbaar alleen haar lippen, want Kitty kon haar niet horen. Meestal bespeelde Mrs. Daunt, de vrouw van de dominee, het orgel, bijna net zo erbarmelijk als Elspeth de piano. Maar omdat de domineese zich nog steeds niet lekker voelde, had Mr. Deveraux, die naast het domineesechtpaar woonde en die een beetje op een varken leek, zich bereid verklaard de gemeente te begeleiden op de viool. Het klonk prachtig. Terwijl ze de zoete bloemengeur van Lady Rowan-Hamptons parfum rook, besloot Kitty dat ze later, als ze groot was, net zo wilde worden als zij. Maar dan natuurlijk niet met zo’n dikke oude echtgenoot als Sir Ronald, die behalve de plaatselijke jachtmeester ook een luidruchtige mopperaar was en met te veel drank op volstrekt onhandelbaar werd. Kitty had hem regelmatig in de eetkamer horen oreren, wanneer de vrouwen zich na het diner in de salon hadden teruggetrokken. Lady Rowan-Hampton droeg altijd sieraden, bezet met flonkerende diamanten, en lange jurken die ruisten wanneer ze liep. Kitty had nog nooit een prinses in het echt gezien, maar Lady Rowan-Hampton zou er een kunnen zijn. En nu ze naast haar zat, voelde Kitty zich meer dan ooit door haar betoverd.
Sir Ronald deed de eerste schriftlezing. Zijn bulderende stem weergalmde door de kerk, terwijl hij lettergreep voor lettergreep uitstortte over de gemeente, als een kolonel die granaten wierp. Victoria las het tweede bijbelgedeelte, met zachte stem en een beetje te snel, en doordat ze het eind van de zinnen inslikte ging hun betekenis bijna volledig verloren. Toen dominee Daunt weer aan het woord was en steeds meer opging in zijn preek, boog Lady Rowan-Hampton zich naar Kitty. ‘Walrus,’ fluisterde ze. Kitty smoorde een giechel, want dat was het dier waaraan ze had gedacht toen Sir Ronald zijn schriftlezing deed.
Tijdens het laatste gezang werd de collecteschaal doorgegeven. Lady Rowan-Hampton gaf Kitty een munt zodat ze er ook iets in kon doen. Aan het eind van de dienst pakte Mr. Deveraux opnieuw zijn viool en speelde een jig, wat de meeste gemeenteleden een glimlach ontlokte, behalve Maud, die haar lippen nog strakker op elkaar perste. ‘Aan welk dier denk je bij je vader?’ vroeg Lady Rowan-Hampton.
‘Aan een leeuw,’ antwoordde Kitty.
‘Inderdaad,’ zei Lady Rowan-Hampton goedkeurend. ‘Blond en knap, net als een leeuw. En bij je moeder?’
‘Bij mama denk ik aan een witte wezel.’
Lady Rowan-Hampton keek haar geschokt aan. ‘Maar kindje, weet je wel hoe een wezel eruitziet?’
‘Ja, natuurlijk. Vindt u ook niet dat ze erop lijkt?’
Lady Rowan-Hampton bloosde en wist even niet wat ze moest zeggen. ‘Nee, niet echt. Ik vind haar meer een sierlijke sneeuwluipaard.’ Kitty trok haar neus op en dacht weer aan de droge portercake. ‘En je zussen?’ vervolgde Lady Rowan-Hampton.
‘Kleine wezels,’ antwoordde Kitty grijnzend.
‘Lieve hemel, wat een wezelig stel.’ Ook Lady Rowan-Hampton kon een glimlach niet verbijten. ‘Maar ik denk wel dat we dit spelletje voor ons moeten houden. Vind je ook niet?’ Kitty knikte en keek hoe de wezels opstonden en door het gangpad de kerk uit liepen.
Buiten maakten de gemeenteleden gretig van de gelegenheid gebruik om een praatje te maken in de zon. De Anglo-Ierse gemeenschap was maar klein. Iedereen kende elkaar. Generatie na generatie had samen opgetrokken en steun en herkenning bij elkaar gezocht. Ze jaagden samen, ze zagen elkaar bij de paardenrennen en ze vermaakten zich met een eindeloze aaneenschakeling van jachtbals en diners. De liefde voor de sport en voor het goede leven verbond hen, maar ook trouw aan de Kroon, een wantrouwend soort respect jegens de Ieren en een onbewuste vastberadenheid om zich staande te houden in een wereld die veranderde en waarin hun gemeenschap was gedoemd te verdwijnen.
Kitty ontdekte een spinnenweb waaraan regendruppels glinsterden in het gras, vlak bij haar vader, die met Lady Rowan-Hampton stond te praten. Toen ze besefte dat ze het over háár hadden, had ze geen aandacht meer voor de spin maar probeerde ze te verstaan wat er werd gezegd. Haar vader keek een paar keer haar kant uit en dan keek ze zogenaamd geboeid weer naar het glinsterende web. Lady Rowan-Hampton gebaarde nadrukkelijk, zag Kitty, alsof ze probeerde haar vader ergens van te overtuigen. Misschien was ze zelfs boos, te oordelen naar de driftige manier waarop ze met haar handen bewoog. Kitty was verrast haar vader zo berouwvol te zien, als een kind dat een uitbrander kreeg. Maar toen viel haar oog op iemand die ook naar haar vader en Lady Rowan-Hampton keek. Iemand die helemaal aan de andere kant van het plein voor de kerk stond. Het was haar moeder en Kitty had nog nooit zo’n kille, ijzige blik in haar ogen gezien.
De zondagse lunch werd traditiegetrouw in het kasteel gebruikt. Dan verzamelde de familie zich rond het laaiende vuur in de salon, om zich met sherry en grote glazen whiskey te warmen na de ijzig koude kerk en de winderige rit terug. Ook de Struikjes waren altijd present. De zussen kwamen met de sjees, druk pratend, met de hoofden naar elkaar toe gebogen, terwijl de wind vrij spel had met de linten van hun hoed. Rupert kwam alleen, doorgaans al aangeschoten, en converseerde innemend met de andere gasten van zijn ouders. Het gebeurde regelmatig dat ze met z’n twintigen rond de tafel zaten, maar vandaag was de familie onder elkaar. Kitty zat aan het eind van de tafel, naast haar zussen, die haar negeerden. Tot haar verrassing werd ze aangesproken door haar vader.
‘Kitty, laten we vanmiddag samen een rit maken, kindje. Ik ben benieuwd hoe het staat met je vorderingen.’ Elspeth keerde zich verrast, maar vooral woedend naar haar toe. Het gebeurde bijna nooit dat hun vader voorstelde een rit te maken met een van zijn dochters. ‘Het wordt tijd dat je meedoet met de volwassenen,’ vervolgde Bertie. ‘Dat je je niet langer verstopt in de kindervleugel. Hoe oud ben je nu, kindje?’
‘Negen,’ antwoordde Kitty.
‘Nee maar, al negen! Waar blijft de tijd? Toen ik negen was jaagde ik al jaren met de Ballinakelly Foxhounds.’
‘Wat enig!’ riep Hazel uit.
‘Inderdaad. Enig!’ viel Laurel haar bij. ‘Maar geef het kind wel een makke pony, Bertie. Ik ben als meisje aan een wisse dood ontsnapt toen Teasel me afwierp, in een greppel nota bene! Het stoute beest! Weet je nog, Hazel?’
‘Nou en of!’ Haar zus schoot in de lach, waarop Hubert zijn favoriete jachtanekdote begon te vertellen, zodat er in het plotseling aanzwellende geroezemoes geen aandacht meer was voor Kitty. Maar haar hart bonsde van opwinding. Zou haar moeder ook meegaan? Nee, vast niet. Het voorstel van haar vader moest hem zijn ingegeven door Lady Rowan-Hampton. Bovendien reed haar moeder nauwelijks meer. Maar de zeldzame keren dat ze nog te paard zat, bood ze een schitterende aanblik in haar zwarte rijkostuum, waarvan de hoed was voorzien van een doorzichtige zwarte sluier die haar gezicht bedekte.
Kitty vond het heerlijk om te rijden. Ze hield van de wilde, ruige heuvels, van de roofvogels hoog aan de hemel, van de kabbelende beekjes en de aanrollende golven van de zee. Alles buiten haar geïsoleerde wereldje maakte haar nieuwsgierig en ze maakte gretig gebruik van elke kans om daaruit te ontsnappen. Samen met haar vader ging ze in een rustig tempo op pad, hij op zijn hoge kastanjebruine paard, zij op Thruppence, een kleine grijze pony. ‘Waar gaan we naartoe?’ vroeg ze terwijl ze tussen de kale bomen aan weerskanten van de oprijlaan reden.
‘Zeg het maar.’ Haar vader keek met vriendelijk lachende ogen op haar neer.
‘Naar de Elfenkring.’
Bertie trok een wenkbrauw op. De Elfenkring was bekend terrein, ook al kwam hij er zelden. ‘Goed, zoals je wilt.’
‘Daar ga ik vaak heen met grootmama.’
‘Dat wil ik wel geloven.’ Hij lachte. ‘En dansen jullie dan bij volle maan tussen de stenen?’
‘Ja, natuurlijk,’ antwoordde Kitty ernstig. ‘En we veranderen in wolven en huilen naar de maan.’
Bertie keek haar verbaasd aan. Zijn dochter keek terug met haar verontrustende grijze ogen. Toen grijnsde ze, tot Berties opluchting. ‘Voor een kind van acht heb je een wonderlijk gevoel voor humor.’
‘Negen,’ verbeterde Kitty hem nadrukkelijk.
Hij schudde zijn hoofd. Ondanks haar jonge leeftijd was ze merkwaardig volwassen. Grace had gelijk gehad door hem de mantel uit te vegen. Het was niet goed dat zijn jongste zat weg te kwijnen in de kindervleugel, met haar strenge, Schotse gouvernante als enig gezelschap. Hij wist drommels goed dat Maud zich niet voor het kind interesseerde, maar hij had nooit de moeite genomen zich af te vragen hoe ver zijn vrouw ging in haar verwaarlozing. Nu voelde hij zich schuldig. Hij had eerder moeten ingrijpen. ‘Je bent een zwakkeling,’ had Grace hem verweten. Het verwijt had hem diep geraakt. ‘Je ontloopt elke confrontatie, met als gevolg dat Maud al die jaren haar gang heeft kunnen gaan. Vooruit, Bertie! Doe iets!’
‘Goed,’ zei hij nogmaals. ‘We gaan naar de Elfenkring en dan laat jij me zien wat moeder en jij daar zoal doen.’ De glimlach waarmee hij werd beloond, maakte dat hij zich afvroeg waarom hij niet vaker het gezelschap van zijn jongste dochter zocht.
De Elfenkring was een eeuwenoude, mystieke formatie van zeventien hoge grijze rotsblokken, boven op een heuvel, met uitzicht op de lappendeken van velden die zich uitstrekte tot de oceaan. Vanaf dat hoge uitkijkpunt waren de cottages te zien, huiverend weggedoken in het late middaglicht. De dunne linten rook die opstegen uit de schoorstenen vertelden dat binnen de boerengezinnen dicht rond het turfvuur zaten.
‘Al dit land is van de Deverills.’ Bertie liet zijn blik over de weidsheid van akkers en velden gaan. ‘Voordat de Wyndham Act pachters in staat stelde hun land te kopen was ons gebied tien keer zo groot. We hebben hier meer dan tweehonderd jaar een goed leven gehad, maar de wereld zoals we die kennen is eindig. Met het slinken van de landgoederen is onze manier van leven op de lange termijn niet meer vol te houden. Ik neem niet aan dat miss Grieve je daarover iets heeft geleerd.’ Kitty schudde haar hoofd. Haar vader had duidelijk geen idee wat hij tegen een kind van negen moest zeggen. ‘Nee, dat dacht ik al,’ zei Bertie somber. ‘Wat leert ze je eigenlijk wel?’
‘De Grote Brand van Londen. En de pest.’
‘Het wordt tijd dat je de geschiedenis van je erfgoed leert.’
‘De geschiedenis van Barton Deverill?’ vroeg ze gretig.
Haar vader glimlachte. ‘Dus die ken je al. Het is natuurlijk belangrijk om te leren wie je voorouders zijn. Maar je moet ook alles weten over de nationalisten en hun strijd voor een onafhankelijk Ierland. Het Ierse volk wil niet langer door de Britten worden geregeerd. Het wil zelfbestuur.’
‘Dat weet ik.’ Kitty dacht aan wat Bridie had verteld. ‘Ze zijn boos omdat de Britten alle macht hebben en omdat de belastingen te hoog zijn.’
Bertie trok verrast zijn wenkbrauwen op. ‘Dus dat weet je ook al?’
Ze was wel zo verstandig niets te zeggen over de katholieke kinderen met wie ze speelde, laat staan over hun vurige liefde voor het vaderland. ‘Ik weet dat de Ieren een hekel aan ons hebben, ook al zijn we net zo Iers als zij.’
‘We zijn Anglo-Iers, Kitty.’
‘Ik niet.’ Ze sloeg uitdagend haar armen over elkaar. ‘Ik moet niks van Engeland hebben.’
‘Je hebt het anders aan Engeland te danken dat je hier woont. Zonder Karel II zou Barton Deverill dit land nooit hebben gekregen.’
‘Maar het land was van de O’Leary’s!’
Bertie vernauwde zijn ogen tot spleetjes. Het bleef even stil, alsof hij nadacht hoe hij zo tactvol mogelijk kon reageren. ‘Het land waarop hij het kasteel heeft gebouwd, was inderdaad van de O’Leary’s.’
‘Willen ze het terug?’
‘Destijds wel. Maar het is inmiddels meer dan tweehonderd jaar geleden. Liam O’Leary is dierenarts geworden, net als zijn vader. De O’Leary’s zijn al heel lang geen boeren meer.’
‘Dus er is geen ruzie?’
‘Nee, er is geen ruzie.’
‘Zijn de O’Leary’s dan onze vrienden?’
Bertie verschoof ongemakkelijk in het zadel, denkend aan Liams rancuneuze echtgenote. ‘Ja hoor, ze zijn heel vriendelijk.’
‘Dus het zou best kunnen dat er ooit een Deverill met een O’Leary trouwt?’
‘Dat lijkt me hoogst onwaarschijnlijk,’ antwoordde Bertie kortaangebonden. ‘Je moet niet te veel naar je grootmoeder luisteren. Haar verhalen zijn vermakelijk, maar meer ook niet. Het is allemaal niet echt gebeurd wat ze vertelt. Dat moet je goed voor ogen houden. De verhalen van grootmama zijn net als de Griekse mythen en de Ierse legenden, zoals die over de Kinderen van Lir. Ze zijn mooi, maar je moet ze niet letterlijk nemen.’ Hij wees met zijn rijzweep naar de stenen. ‘Vertel eens, wat doen grootmama en jij als jullie hier zijn?’
‘Dit was heel vroeger een plek waar de heidenen hun erediensten hielden,’ vertelde Kitty zelfverzekerd. ‘Elke steen is iemand die ooit werd vervloekt. Maar na zonsondergang komen de stenen tot leven.’
‘Interessant,’ zei Bertie, ook al interesseerde het hem hoegenaamd niet. Hij dacht aan de karaf met gin en aan het laaiende vuur die bij thuiskomst op hem wachtten.
‘Zou u dat niet graag eens willen zien?’ Kitty keerde haar gezicht naar de zon die naar de einder zakte en de hemel boven de zee met warme tinten rood en goud in vuur en vlam zette.
‘Een andere keer,’ antwoordde haar vader geduldig. Maud had niet helemaal ongelijk, besefte hij, wanneer ze zich beklaagde over zijn moeder die Kitty op ‘onzinnige ideeën’ bracht.
Ze keerden hun paarden en daalden de heuvel weer af. Het was een koude februari-avond, maar in de zware geur van vochtige aarde en hei die opsteeg van de doorweekte grond, lag de belofte van de lente al besloten. Af en toe schoot er een patrijs of een haas vanuit de gaspeldoorns voor hen langs, en een groepje koeien kwam vreedzaam loeiend aansjokken, met een nieuwsgierige blik in hun grote bruine ogen. Kitty genoot met volle teugen en wenste dat ze nog langer buiten kon blijven, dat ze niet terug hoefde naar de saaie kindervleugel, waar ze alleen met miss Grieve zou moeten dineren. Maar bij terugkeer in haar kamer stond de gouvernante haar al op te wachten in haar stijve jurk die alleen haar bleke gezicht en haar handen onbedekt liet. Kitty werd die avond beneden aan het diner verwacht, vertelde ze.
‘Ik begrijp niet waar dat ineens vandaan komt,’ zei ze verwijtend. ‘Tot dusverre hebben ze amper aandacht aan je besteed.’
‘Dat komt doordat ik nu negen ben,’ antwoordde Kitty. ‘En omdat papa dacht dat ik pas acht was. Domme papa.’
‘Ik hoop wel dat je je weet te gedragen. Want ik ben er niet bij om je in het gareel te houden.’
‘Dat hoeft ook niet, miss Grieve. Ik zal me gedragen als een jongedame.’
‘Verbeeld je maar niks. Je bent nog lang geen jongedame. Waar ben je geweest met je vader?’
Kitty was wel zo verstandig niet over de Elfenkring te beginnen. Ooit had ze miss Grieve enthousiast over de stenen verteld. Dat ze had gezien hoe ze tot leven kwamen. Maar het had haar een stevige aframmeling met de rijzweep opgeleverd. Dus dat zou haar geen tweede keer overkomen. ‘We hebben door de heuvels gereden. Het was heerlijk.’
‘Nou, ik zou er maar niet aan wennen. Want ik kan me niet voorstellen dat hij je nog eens meevraagt. Volgens mij gaat hij veel liever met zijn oudste dochter uit rijden. Miss Victoria is al echt een jonge vrouw en ze gaat in het voorjaar naar Londen. Ik denk niet dat we haar hier nog terugzien. Zo’n knap meisje vindt natuurlijk meteen een goede man. En daarna is het de beurt aan miss Elspeth. Voordat we het in de gaten hebben, is zij ook vertrokken. Maar hoe het met jou verder moet…’ Miss Grieve keek hooghartig op Kitty neer. ‘Zo’n schriel kind als jij… Je moet wel heel erg veel geluk hebben om net zo goed terecht te komen als je zussen. Ja, kijk maar niet zo lelijk. Als je zo’n boos gezicht trekt ben je nog onaantrekkelijker.’
Kitty trok haar beste jurk aan en balde haar vuisten terwijl miss Grieve de klitten uit haar haar borstelde. ‘Als ik het voor het zeggen had, knipte ik het kort.’ De gouvernante gaf een harde, pijnlijke ruk aan een lok op Kitty’s slaap. ‘Ik heb er zo veel werk aan! En de oplossing zou zo simpel zijn! Een schaar, meer heb ik niet nodig.’ Toen Kitty klaar was rende ze de trap af, miss Grieve alleen latend met haar chagrijn, voor een eenzaam diner in de kindervleugel. Voor de spiegel op de overloop bleef ze staan. Was ze echt zo lelijk? Had Lady Rowan-Hampton alleen maar aardig willen zijn toen ze zei dat ze mooi was? Trouwens, wat deed het ertoe? Er verscheen een glimlach op Kitty’s gezicht toen ze aan haar grootmoeder dacht. Ze was mooi omdat ze een kind van God was, zei grootmama altijd. Maar dat was iets wat miss Grieve niet zag. Of misschien wilde ze het niet zien.