28
Geschoren taxushagen die in
het avondlicht paarse schaduwen werpen op het gras
Blythe kwam met haar zoontje Rafael op vrijdagmiddag aan. Ze stapte uit de taxi en liet haar blik met een ongemakkelijke mengeling van bewondering en jaloezie over het prachtige huis van David en Miranda dwalen. Het was een warme middag; de lucht was diepblauw, met wattige witte wolken die als schaapjes voorbijdreven. De vogels kwetterden lawaaiig in de bomen en een paar dikke duiven zaten op het dak van het huis loom toe te kijken hoe de tijd verstreek. De zon gaf de wildebloemenwei een gouden gloed, terwijl een zacht briesje door het lange gras en de bloemen woelde als vingers door haar. In het midden van het geheel stond een oude eik, waar een groepje giechelende kinderen aan het spelen was en uitbundige vreugdekreten slaakte. Het was een idyllisch tafereeltje, helemaal niet wat Blythe had verwacht aan te treffen. Als ze aan het platteland dacht, zag ze regen, modder, kaplaarzen, kille huizen en verveling voor zich.
Gus riep vanuit zijn boomhut Rafael opgewonden toe. Blythe hield de hand van haar zoontje vast. Voor Gus moesten ze oppassen. De laatste keer dat ze samen hadden gespeeld, had Gus Rafael op zijn hoofd geslagen met een zwaar stuk houten tramrails, zodat hij een week met een buil had rondgelopen. Ze had Rafael op het hart gedrukt te zorgen dat hij nooit met hem alleen was. ‘Hij is een akelig jongetje,’ had ze tegen hem gezegd. ‘Je wilt toch niet weer een buil op je hoofd?’ Rafael keek vol verlangen naar de boomhut.
Gus was kapitein Haak in het arendsnest van zijn schip en speurde de zee af naar vijanden. Binnen in de holle boom zaten Joe en Madeleine gevangen als Verloren Jongens, terwijl buiten Tinkelbel, vertolkt door Storm, en Peter, vertolkt door Fred, door het gras slopen om hen te komen redden. Het spel werd even onderbroken toen Storm en Gus naar Rafael riepen dat hij mee moest komen doen. Rafael bleef bij zijn moeder dralen, zenuwachtig omdat Gus er daar boven in die boom zo veel groter en angstwekkender uitzag. Hij trok zijn moeder aan de hand mee naar de boom.
‘Wil je meespelen?’ vroeg Gus, die lenig de ladder af gesprongen kwam, met een brede grijns op zijn sproetige gezicht. Blythe stond versteld. Hij had helemaal niets meer van het stuurse kind zoals ze dat kende. ‘Als hij wil mag hij ook een Verloren Jongen zijn.’ Zijn beleefdheid bracht haar van haar stuk; bijna had ze hem liever nukkig en oncommunicatief gezien. Het leek wel alsof Miranda alles had. Toen dacht ze aan David. Nou ja, bíjna alles…
Toen Rafael bij Joe en Madeleine in de holle boom was gestopt, kwam Miranda de voordeur uit stappen. Ze zwaaide naar Blythe. ‘Ik had je taxi niet gehoord,’ zei ze terwijl ze naderbij kwam. Blythe nam haar zorgvuldig op. In haar spijkerbroek en shirt zag ze er stralend uit. Ik heb nooit geweten dat ze van die lange benen had, dacht Blythe met tegenzin bij zichzelf. En dat zelfs met sportschoenen eronder!
‘Wat zie je er goed uit, Miranda, ik word er helemaal beroerd van!’ riep ze uit.
‘Doe niet zo gek.’
‘Nee, echt. Je huis is fantastisch, trouwens. Verpletterend. Het is paradijselijk hier. Wat heb jij een mazzel. Ik wil dat ook allemaal, en wel nu meteen!’ Ze lachte zachtjes en groef in haar handtas naar een sigaret. ‘Jij ook een?’
‘Ik ben gestopt.’
‘Vandaar die gloed.’ Blythe zuchtte, stak toen een Marlboro Light in haar mond en knipte haar aansteker aan. ‘Ik ga ook stoppen als die rotscheiding achter de rug is.’
‘Hoe staat het daarmee?’
‘Vreselijk. Ik heb het gevoel of ik door een mangel ben gehaald.’
‘Dat is je anders niet aan te zien.’
‘Dat komt doordat ik een minnaar heb,’ fluisterde ze zelfvoldaan. Ze kon het niet laten, Miranda’s volmaakte leventje werd haar even te veel.
‘Dezelfde?’
‘Dezelfde.’
‘Kom binnen een kop thee drinken,’ stelde Miranda voor. Blythe wierp een blik op haar zoon. ‘Met Rafael gaat het wel goed daar,’ voegde Miranda eraan toe. ‘Gus houdt wel een oogje op hem.’
‘Daar ben ik juist zo bang voor,’ merkte Blythe droogweg op. ‘Gus is kapitein Haak!’
Miranda moest lachen. ‘Maak je maar geen zorgen. Zijn strijdkreet is erger dan zijn haak.’
‘Wat een ontzettend leuke boomhut. Heeft David die gemaakt?’
‘Nee, Jean-Paul, de tuinman.’
‘Wauw. Dat is nog eens een tuinman! Het is echt ongelofelijk.’
‘Hij is heel goed. Ik zal je straks rondleiden. De tuin is erg mooi. Vroeger was die van een fascinerende oude vrouw, Ava Lightly. Toen ik hier kwam wonen had iedereen de mond vol van haar verbazingwekkende tuin, maar toen we het huis kochten zag die er niet uit en was hij sterk verwaarloosd. Het huis had twee jaar leeggestaan. Maar Jean-Paul heeft het heft in handen genomen en is er werk van gaan maken hem in zijn oude glorie te herstellen. Hij heeft iets ongelofelijks voor elkaar gekregen. Ik zou Ava Lightly wel willen uitnodigen om te komen kijken. Volgens mij zou ze het prachtig vinden.’
‘Of diep verontwaardigd zijn. Oude mensen kunnen heel ondankbaar zijn.’
‘Ik weet niet. Volgens mij was ze erg aardig.’
‘Heb je hier vrienden gemaakt?’
‘Jawel. De mensen hier lopen uiteen van charmant tot excentriek. Het is van alles wat. Troy zou je heel leuk vinden; hij is homo en heeft een kapsalon in de winkelstraat. Henrietta Moon, de eigenaresse van de cadeau-winkel, is een goede vriendin van me geworden. We zijn net samen met Pilates begonnen, dat is echt lachen. En een paar andere vrouwen op de cursus zijn ook best aardig; na de les drinken we samen koffie. Het is hard werken, maar erg leuk, en de docent ziet er niet verkeerd uit. Als het een lelijkerd was zou ik me niet zo in het zweet werken!’ Terwijl ze de hal in liepen voegde Miranda eraan toe: ‘De dominee geeft morgenavond een borrel in het dorpshuis om geld in te zamelen. Vijfentwintig pond voor een kaartje. Als je de plaatselijke bevolking met eigen ogen wilt zien, moeten we daarheen gaan. Lachen!’
‘Of huilen!’
‘David gaat er wel heen. Hij mag graag de baas over iedereen spelen. Hij heeft me een paar keer meegesleurd naar de kerk alleen maar omdat hij dan pontificaal het gangpad door kan lopen en op de voorste bank kan gaan zitten, die tot mijn genoegen al bezet bleek door een paar oudjes die niet voor hem wilden wijken. Je kunt je wel voorstellen hoe teleurgesteld hij was. Toen hij eenmaal gehoord had dat de Lightly’s daar elke zondag hadden gezeten, was hij niet meer te houden. Na de dienst maakt hij met iedereen een praatje, ongetwijfeld om allerlei wijsheden te debiteren. Daar is hij toch zó gul mee!’
‘Hij is onverbeterlijk,’ zei Blythe, die glimlachte toen ze aan hem moest denken. ‘Hoe laat komt hij thuis?’
‘Op tijd voor het avondeten.’
Blythe keek om zich heen door de hal. Aan het uiteinde kwamen hoge openslaande deuren uit op een door planten omgeven terras, waar ze grote tuinvazen met tulpen kon zien staan, en een stenen wandelpad dat verdween in de verte en dat werd omzoomd door dichte in een bolvorm gesnoeide struiken. In het midden van de hal stond een ronde tafel, smaakvol aangekleed met glossy boeken en een luxueus boeket roze lelies. Die vulden het vertrek met de geur van de lente. Miranda had de muren een warme ivoorkleur gegeven en er een collage grote zwart-witfoto’s in zilverkleurige lijsten opgehangen. Het stond heel mooi. ‘Heb je hulp gehad van een binnenhuisarchitect?’ vroeg Blythe.
‘Nee,’ antwoordde Miranda. ‘Ik wilde het zelf doen.’
‘Je hebt het schitterend voor elkaar. Ik ben van plan mijn huis opnieuw te gaan schilderen. Wat is dit voor verf?’ Ze drukte haar neus tegen de muur om er van dichtbij naar te kijken.
‘Sanderson.’
‘Natuurlijk. Heel subiel.’
‘Ik hou van licht.’
‘Daar heb je hier genoeg van. Hoe ziet het er buiten uit?’
‘Laten we een kop thee drinken, dan geef ik je een rondleiding.’
‘Ik vind het meer tijd voor een glaasje wijn,’ zei Blythe, die wel een hartversterking kon gebruiken. Niemand verdiende het immers om in zo’n paradijs te wonen.
Blythe nam haar glas chardonnay door het hele huis met zich mee en nam uitgebreid de tijd om in elke kamer naar binnen te kijken en commentaar te leveren op het behang en de meubels alsof ze een potentiële koper was. Toen ze binnen alles had gezien, vroeg ze Miranda of die haar kon rondleiden door de tuin. Ze slenterden over het tijmpad en stapten over de lange schaduwen van de bolvormige struiken terwijl de ondergaande zon de lucht bloedrood kleurde. Vanaf de andere kant van het huis hoorden ze de stemmen van de kinderen opklinken als druk gekwetter van vogels.
Miranda liet haar de moestuin zien en vertelde trots dat ze groentezaden hadden gezaaid. ‘Er is een tijd geweest dat ik alleen maar hoge hakken wilde dragen. Wie zou ooit hebben gedacht dat ik nog eens elegant zou rondstappen in kaplaarzen?’
‘Ik dacht dat je je hier zo ellendig voelde.’ Blythe had liever gezien dat Miranda niet gelukkig was.
‘Dat was ook zo. Maar nu vind ik het heerlijk. Dat heb ik aan Jean-Paul te danken.’
Ze liepen het kronkelende pad van de cottagetuin op. Miranda wees Blythe op de struiken en planten die in bloei begonnen te komen. Blythe stond ervan te kijken dat ze van allemaal de namen wist. Haar vriendin was veranderd, en ze was er nog niet helemaal uit of dat haar wel aanstond. Het machtsevenwicht was verschoven, in haar nadeel. Alleen haar geheimpje schonk haar nog troost. Ze liepen verder tot ze bij de oude duiventil kwamen, waarover hoog optorenende lariksen de wacht hielden. ‘Ik wil graag wat duiven aanschaffen,’ zei Miranda. ‘Deze plek heeft iets heel eenzaams. Net of het een verwaarloosd hoekje van de tuin is. Verdrietig, op de een of andere manier. Duiven zullen het hier weer tot leven brengen, denk je niet?’
Op dat moment kwam Jean-Paul tussen de bomen vandaan; hij duwde een kruiwagen vol dode takken voor zich uit. Blythes adem stokte haar in de keel. ‘Hallo, Miranda,’ zei hij, en hij bracht Blythe van haar stuk met een brede glimlach.
‘Zou meneer Underwood die boom niet opruimen?’
‘Jawel, maar hij is de jongste niet meer.’ Jean-Paul haalde zijn schouders op en liet zijn blik op haar vriendin rusten.
‘Dit is Blythe,’ zei Miranda. ‘Ze blijft het weekend hier logeren. Ik ben haar aan het rondleiden door de tuin.’
‘Ik heb veel over je gehoord,’ zei Blythe in het Frans, terwijl ze hem koket aankeek. ‘Je hebt van deze tuin iets heel moois gemaakt.’
‘Dank je wel,’ antwoordde hij, en weer glimlachte hij. ‘Complimenten voor je Frans.’
‘Dat is een beetje roestig.’
‘Mij klinkt het prima in de oren.’
‘Daar ben ik blij om. Het is al een tijdje geleden dat ik de kans kreeg om het te oefenen.’ Ze wendde zich tot Miranda. ‘Jij zou Frans met Jean-Paul moeten praten.’
‘Ik spreek geen Frans,’ antwoordde Miranda.
‘Ach nee, dat is waar ook. Wat stom van me!’ Ze liet haar kattenogen op Jean-Paul rusten en haalde haar schouders op. ‘Tant pis!’
‘Ik moest maar weer eens verder en een poosje voor krokodil gaan spelen,’ zei hij tegen Miranda.
‘Dat zullen ze leuk vinden,’ antwoordde ze, en ze zag de veelbetekenende twinkeling in zijn ogen toen hij wegliep. Blythe keek hem na en haar blik bleef waarderend op zijn slanke heupen en laaggesneden verschoten spijkerbroek hangen.
‘Jezus, Miranda!’ riep ze uit toen hij eenmaal uit zicht was. ‘Geen wonder dat je het hier zo naar je zin hebt. Wat een spetter!’
‘Weet ik. Iedereen vindt hem geweldig.’ Miranda wendde zich af, zodat Blythe haar niet zou zien blozen.
‘Doe je het met hem?’
Miranda geloofde haar oren niet. ‘Natuurlijk niet! Ik ben getrouwd.’
‘Nou en? Je hebt zelf gezegd dat David nooit thuis is.’
‘Wat maakt dat nou uit? Ik hou van David. Waarom zou ik hem ontrouw willen zijn? In het leven draait het echt niet alleen om seks.’
‘O nee? Zonder seks zou het anders wel erg saai zijn!’
Ze vervolgden hun weg over het veld waar Charlie de ezel gras stond weg te kauwen. ‘Als je niet getrouwd zou zijn, zou je hem wel zien zitten,’ voegde Blythe er met een vette grijns aan toe.
‘Dat is niet aan de orde.’
‘Ik ben niet getrouwd en ik zou geen nee tegen hem zeggen. Hoe heb je hem gevonden?’
‘Hij stond op een dag met Storm op de stoep. Hij had haar gevonden in een weiland en kwam haar terugbrengen.’
‘Wat was hij daar in dat weiland aan het doen?’
‘Geen idee. Een baan zoeken!’ Als je er goed over nadacht, was het eigenlijk allemaal best bizar.
‘In een weiland?’
‘Hij was onderweg hiernaartoe. In de stad had hij mijn advertentie gezien. Wat doet het er trouwens toe? Hij is een prima tuinman, en dat is het enige wat telt.’
‘Hij is dus duidelijk niet getrouwd. Gescheiden?’
‘Ik geloof het niet.’
‘Weet je dat niet eens? Heb je hem dat niet gevraagd? Heeft hij kinderen?’
‘Nee.’
‘Wat had hij voor referenties? Voor wie werkte hij voordat hij hier kwam? Vast en zeker een chique Engelse familie.’
‘Ik zou het niet weten.’
‘Hem je dat niet nagetrokken?’
‘Daar zag ik geen aanleiding voor. Ik voelde meteen dat het wel goed zat.’
Blythe trok haar wenkbrauwen op. ‘Je hebt hem aangenomen omdat hij er goed uitziet. Hij zou godbetert wel een voortvluchtige crimineel kunnen zijn.’
‘Dat betwijfel ik.’ Miranda begon geïrriteerd te raken. ‘Hoor eens even, Blythe, het kan me niet schelen of hij een voortvluchtige crimineel is of drie vrouwen heeft op drie verschillende continenten. Hij doet hier fantastisch werk en hij is aangenaam gezelschap. Ik vind het leuk om met hem op te trekken. Uit respect vraag ik niet naar hemzelf. Ik wil me nergens mee bemoeien.’
‘Je bedoelt dat je niet al te geïnteresseerd wilt overkomen.’
‘Ik heb geen oogje op hem, Blythe!’
‘Dat zal wel niet, nee.’ Ze gnuifde even. ‘Maar ik wel.’
‘Jij bent niet beschikbaar.’
‘Weet ik nog zo net niet. Mijn minnaar staat op het punt me te dumpen. Er was een tijd dat hij me overlaadde met cadeautjes, maar tegenwoordig heeft hij amper tijd voor me. Weet je, laatst ben ik naar zijn kantoor gegaan in niets anders dan een bontjas en kousen. Toen kon hij geen weerstand aan me bieden.’
‘Je hebt wel lef.’
‘Het was de moeite waard. Ik mag graag risico’s nemen.’
‘Denk je dat hij voor jou bij zijn vrouw weg zal gaan?’
‘Ik weet niet.’ Ze liet haar blik over het landgoed dwalen en stelde zich voor dat zij hier zou wonen. Die gedachte sprak haar wel aan. ‘In het begin konden we niet genoeg van elkaar krijgen, maar nu weet ik het niet meer zo zeker. Ik geloof niet dat ik nog geschikt zou zijn als echtgenote.’
‘Heb je zijn vrouw ooit ontmoet?’
‘Jawel.’ Blythe wierp een zijdelingse blik op Miranda, zich verkneukelend om haar geheim.
‘Wat is dat voor iemand?’
Blythe beet op de binnenkant van haar wang terwijl ze probeerde te bedenken hoe ze die vraag het best kon beantwoorden zonder zichzelf te verraden. Ze besefte dat ze een risico nam door hier met Miranda zelfs maar over te praten, maar op de een of andere manier gaf Miranda’s volmaakte leventje – en die volmaakte Fransman – haar de wens in om een paar van haar luchtbellen door te prikken. ‘Aardig,’ antwoordde ze behoedzaam. ‘Ik ben een kreng!’ Ze liet een lachje horen diep vanuit haar keel, en stak toen haar pols naar voren. ‘Moet je zien, dit heb ik met kerst van hem gekregen.’ Miranda keek naar het diamanten horloge van Theo Fennell en moest ineens denken aan het merkwaardige telefoontje dat ze in december had gekregen. Ze kreeg een knoop in haar maag van spanning.
‘Die komt van Theo,’ merkte ze op.
‘Ja. Schitterend, hè? Vooral dat roze bandje vind ik mooi.’
‘Staat er iets in gegraveerd?’
‘Ja. Op de achterkant staat big pussycat. Een privégrapje. Maar dat was met kerst. Sindsdien heb ik geen cadeautjes meer van hem gekregen,’ pruilde ze.
Miranda haalde diep adem. Nee, dit kan niet waar zijn. Het is vast toeval, dacht ze, opeens misselijk. Wij zijn niet Theo’s enige klanten. Iedereen kan dat horloge wel hebben gekocht. Maar er kwamen allerlei mogelijkheden in haar op. Was David Blythes minnaar? Bracht hij daarom zo veel tijd in Londen door? Was Blythe, die al vanaf de schoolbanken haar vriendin was, zo gemeen om haar man van haar af te pikken? Ze wierp een tersluikse blik op haar, zag de diamanten nog steeds schitteren in de zon, en concludeerde dat dat echt niet waar kon zijn. Als David Blythes minnaar was, zou Blythe hun verhouding geheim hebben gehouden.
Er was een tijd geweest dat Miranda Blythe alles vertelde. Ze hadden op kostschool een kamer gedeeld, hadden verhalen over vriendjes en ruzies in het gezin uitgewisseld, hadden onmin met elkaar gehad en het weer goed gemaakt, zoals goede vriendinnen doen. Maar nu waren ze geen schoolmeisjes meer en was er een heleboel tijd verstreken, die als een onzichtbare muur tussen hen in stond. De waarheid was dat Miranda Blythe niet meer zo goed kende als vroeger. Hun levens waren niet langer met elkaar verbonden door gezamelijke ervaringen. Op kinderen na hadden ze weinig met elkaar gemeen. In plaats van haar angsten uit te spreken hield Miranda die voor zich. Ze vertrouwde haar vriendin niet langer.
Toen ze terugliepen naar het huis, probeerde Miranda de gespannenheid die ze voelde te verbergen door vragen te stellen naar Blythe zelf en haar uitgebreid te laten antwoorden, maar ze kon toch het gevoel niet van zich af zetten dat David iets had met een andere vrouw. Zij had zich immers helemaal gestort op de tuin, haar kinderen en haar geheime verlangen naar Jean-Paul. Hoe meer ze erover nadacht, hoe meer argwaan ze kreeg.
Ze kwamen bij de holle boom, waar Jean-Paul aan het spelen was met de kinderen en deed of hij een krokodil was. Gus lag in zijn armen te worstelen om zichzelf te bevrijden, gierend van de lach. Opeens prikten de tranen in Miranda’s ogen. Jean-Paul leek ervoor in de wieg gelegd om vader te zijn. Haar kinderen aanbaden hem. Hij was een en al inventiviteit en enthousiasme. Waarom kon ze niet met hém getrouwd zijn?
Toen Rafael zijn moeder zag, kwam hij de boomhut uit geklauterd en rende opgewonden op haar af. ‘Mama, J-P is een krokodil, kom snel mee de boom in. Je mag niet opgegeten worden.’ Blythe zou het heerlijk hebben gevonden om opgegeten te worden en bleef op het gras staan in de hoop dat de knappe Fransman haar in zijn spel zou betrekken. Ze zag het wel zitten om zich door hem in de armen te laten sluiten. Jean-Paul zette Gus neer en lachte toen hij weer de ladder op krabbelde, zich verkneukelend dat hij de krokodil te slim af was geweest.
Miranda ging naar binnen om het avondmaal voor de kinderen klaar te maken en liet Blythe bij Jean-Paul achter. Ze was blij dat ze even alleen was. Als David een verhouding had, wat dan? Was hun huwelijk dan voorbij? Was het de moeite waard het te redden? Hield ze nog steeds van hem? Ze wist het niet zeker. Zou Jean-Paul ooit van haar kunnen houden?
David was oorspronkelijk van plan geweest om het weekend dat Blythe zou komen op zakenreis te gaan, maar zijn verlangen om meer tijd met Miranda en de kinderen door te brengen was sterker dan zijn wens afstand te nemen van zijn maîtresse. Toen hij thuiskwam, zaten de kinderen in hun pyjama naar een video te kijken. Madeleine, Joe en Fred waren naar huis gebracht. De dag was een groot succes geweest. Gus had zonder gekrakeel met zijn vriendjes gespeeld. Hij was trots op zijn huis en wilde ermee pronken. Hartington House had hem een gevoel van veiligheid gegeven, het gevoel dat hij ergens bij hoorde, en het was een bron van niet-aflatend plezier. Sinds Jean-Paul bij hen was gekomen had hij meer zelfvertrouwen gekregen. Meneer Marlow had hem geprezen omdat hij zich zo keurig gedroeg. Hij leek school fijn te vinden. Storms vriendinnetjes waren niet langer bang om bij haar thuis te komen en ze kon nu met hen in haar speelhuis spelen. Miranda las hun verhaaltjes voor het slapengaan voor en hielp hen met hun huiswerk. Ze genoot van die kalme momenten samen. Het leven in Hartington was iets vreugdevols geworden. En toch maakte David daar geen deel van uit.
Miranda keek toe hoe hij Blythe begroette met de scherpe blik van een wetenschapper die een organisme onder een microscoop bestudeert. Er ontging haar niets.