19
Ondeugende eekhoorntjes op
de vensterbank van de cottage. Voor hen is
de liefde die daarbinnen is als zonneschijn,
en ze willen zich daar net als wij in koesteren
De kinderen kregen vakantie van school. Miranda bracht ze er tegenwoordig ’s ochtends met de auto naartoe, waarna ze bij Troy en Henrietta langsging in de kapsalon, of bij Cate’s Cake Shop. Geleidelijk aan werd ze opgenomen in de gemeenschap. Daar had ze niet bewust moeite voor gedaan; ze had zich ertegen verzet zoals een mossel zich vasthecht aan een rots. Het was gebeurd zonder dat ze er erg in had gehad. Langzaam en verraderlijk, zoals je omhuld kunt raken door mist. Op zondag na de kerk gingen ze niet meteen naar huis, maar maakten een praatje met de plaatselijke bewoners. David ging op bezoek bij kolonel Pike, die hem trots zijn verzameling medailles liet zien en hem op zaterdagochtend uitnodigde voor het ontbijt in Cate’s Cake Shop. Miranda praatte af en toe met de andere moeders die buiten voor het schoolhek stonden en ging alleen naar de ouderavond, omdat David druk bezig was in Londen. Ze was er aangekomen met een knoop in haar maag, maar meneer Marlow had haar met een vriendelijke glimlach welkom geheten en kon haar tot zijn genoegen vertellen dat Gus eindelijk zijn draai begon te vinden. Hij had sinds oktober niemand meer gebeten, maar moest nog wel vrienden maken. ‘Hij is een einzelgänger,’ voerde ze tot zijn verdediging aan. ‘Geen einzelgänger, mevrouw Claybourne, maar alleen. Daar is een groot verschil tussen. Het zou uw zoon erg goeddoen om vrienden te hebben.’
Ze was blij toen de lessen waren afgelopen en Gus naar huis kwam, waar niemand was om een oordeel over hem te vellen. Zover zij kon nagaan, speelde haar zoon nu tevreden met zijn zusje in de boomhut die Jean-Paul voor hen had gebouwd. Hij vond school gewoon niet leuk, en dat kon ze hem niet kwalijk nemen. Zij had er vroeger ook weinig aan gevonden. Gus voelde zich thuis het best, besloot ze. Ze constateerde dat hij Jean-Paul overal achternaliep en het drong tot haar door dat hij zich het allergelukkigst voelde als hij bij de tuinman was.
Henrietta beloofde op Gus en Storm te passen, zodat Miranda naar Londen kon om kerstinkopen te doen. Clare kon best zonder haar de winkel runnen, en Henrietta keek er stiekem naar uit kennis te maken met de ongrijpbare Jean-Paul, die elke ochtend in stilte zijn zwarte koffie kwam drinken en de kranten kwam lezen in Cate’s Cake Shop.
Miranda vertrok met de vroege trein en liet Henrietta met de kinderen aan de ontbijttafel achter.
Troy had Henrietta’s haar in laagjes geknipt en haar aldus in een beter humeur gebracht. Het was niemand opgevallen, behalve dan Cate, wier commentaar was geweest dat haar gezicht er boller van werd. ‘Dat bedoel ik positief,’ had ze eraan toegevoegd. ‘Het staat je goed.’ In de wetenschap dat de kans groot was dat ze Jean-Paul tegen het lijf zou lopen, had ze mascara opgedaan. Ze voelde zich niet op haar gemak met make-up op, maar vandaag had ze gevonden dat ze haar zelfvertrouwen wat moest opkrikken. Ze had evenwel niet genoeg moed om haar gevulde figuur te tonen en verborg dat onder een grote wollige trui.
Henrietta was dol op kinderen. Gus en Storm voelden dat onmiddellijk aan en begonnen zich uit te sloven. Sinds de komst van Jean-Paul hadden ze niet meer zo’n aandachtig publiek gehad. Zij luisterde naar hen, lachte om hun grapjes en liet hen hun slaapkamers en speelgoed aan haar showen. Ze bewonderde Storms roze speelhuis, knuffelde met haar kussens en riep o en ah bij de elfenjurkjes die in haar kast hingen. Gus liet haar de boomhut zien en klauterde als een eekhoorntje de ladder op. ‘Die heeft Jean-Paul voor ons gemaakt,’ liet hij haar weten. ‘Ik kan tot kilometers in de omtrek kijken. J-P!’ riep hij.
‘J-P?’ herhaalde Henrietta met een lach.
‘Dat is zijn bijnaam. Hij is J-P, ik ben Gus-de-Sterke en Storm is Heldere-Lucht.’
‘Wat leuk,’ zei ze enthousiast.
Hij riep nog een keer. ‘Ik denk dat hij in de cottagetuin is. Daar is hij altijd.’ Henrietta wilde niets liever dan dat Jean-Paul zich zou vertonen, maar dat gebeurde niet. Gus kwam de ladder weer af geklauterd en ging de holle boom in.
Om elf uur bracht ze hun warme chocolademelk en volkorenkoekjes in hun boomhut. Ze liet zich neer op handen en voeten – het kon haar niks schelen dat haar knieën onder de modder kwamen – en zat hen, zogenaamd als kapitein Haak, achterna om de boom. Vervolgens stak ze haar hoofd in de opening en riep: ‘Owowo, mijn kleine schatjes!’, waarbij haar achterwerk als een paddenstoel naar buiten stak. Zo troffen de honden van Jeremy Fitzherbert haar aan. Ze snuffelden opgewonden aan haar zitvlak terwijl ze probeerde zich weer naar buiten te wurmen. Toen ze tevoorschijn kwam, zat haar haar in de war, was haar gezicht rood aangelopen en schitterden haar blauwe ogen als bedauwde korenbloemen. ‘Ik stoor hoop ik niet,’ zei Jeremy, die grijnsde bij de aanblik die ze bood.
‘O god, neem me niet kwalijk,’ hijgde ze terwijl ze overeind krabbelde. ‘Ik ben een piraat.’
‘En een goeie ook,’ antwoordde hij, haar van top tot teen opnemend. Ze probeerde haar haar glad te strijken.
‘Volgens mij heb ik meer weg van Winnie de Poeh die vastzit in de ingang van Konijns huis. Je hebt de verkeerde kant getroffen, vrees ik.’
‘Met die kant is niks mis. Ik vond hem er prima uitzien.’
‘Kennen wij elkaar?’ vroeg ze onzeker.
‘Jazeker. Jij bent Henrietta Moon, toch?’
‘Ja,’ zei ze met een frons.
‘Ik ben Jeremy Fitzherbert, van de boerderij hiernaast.’
‘Ach, natuurlijk,’ antwoordde ze, terwijl alles op zijn plaats viel.
‘Ik ben bij je in de winkel geweest. Je verkoopt van die grote potten met zuurstokken, mijn favoriete snoepgoed.’
‘Van mij ook,’ riep ze uit, en ze nam het zichzelf kwalijk dat ze hem niet had herkend. ‘Vooral die met butterscotch.’
‘Precies. Als ik eenmaal begin, kan ik niet meer stoppen.’
‘Helaas is dat ook mijn probleem.’
‘Het bekomt je goed.’
Ze staarde hem aan zonder te weten wat ze moest zeggen. Aan complimentjes was ze niet gewend. Ze dacht geen seconde dat hij het meende. Er verstreek een ongemakkelijk moment, terwijl Henrietta uit alle macht probeerde haar tong in beweging te krijgen en Jeremy dreigde te verdrinken in haar zeeblauwe ogen. Hij wilde tegen haar zeggen hoe mooi die waren, maar voelde zich meteen opgelaten; dat had ze waarschijnlijk al tig keer gehoord.
‘Bonjour, Jeremy,’ klonk een stem. Allebei draaiden ze zich om en ze zagen Jean-Paul over het pad naar hen toe komen, die met zijn joviale groet de stilte had verbroken. Henrietta’s adem stokte haar in de keel toen ze zijn glimlach zag en ze kreeg een zinkend gevoel in haar maag zoals haar vroeger als kind overkwam in attracties op de kermis. ‘Bonjour, madame,’ zei hij tegen haar. Hij pakte haar hand en bracht hem met een formele buiging naar zijn lippen. Henrietta wist niet waar ze moest kijken. Ze voelde de prikkende hitte van verlegenheid van haar hals opstijgen naar haar keel en zich in rode vlekken over haar gezicht verspreiden. Nog nooit had iemand haar de hand gekust. Dat was zeker een Franse gewoonte, dacht ze, uit alle macht proberend om zichzelf weer in de hand te krijgen.
‘Ik heb de kleine tractor en de aanhanger die je wilde hebben meegebracht,’ zei Jeremy. Geen van tweeën bleken ze in de gaten te hebben hoe moeilijk zij het had. Storm en Gus wurmden zich uit de holte in de boom en begonnen te dollen met de honden.
‘Dank je,’ zei Jean-Paul. ‘Dat zal een stuk helpen.’ Ze begonnen te praten over de tuinen, de boerderij en het weer, dat ongewoon zacht was voor de tijd van het jaar, terwijl Henrietta luisterde, te verlegen om zelf ook maar een woord te zeggen. Uiteindelijk wendde Jean-Paul zich tot haar. ‘Jij past zeker op Gus-de-Sterke en Heldere-Lucht vandaag?’ zei hij met een veelbetekenende en twinkelende blik.
‘Ja,’ wist ze uit te brengen.
‘Wat vind je van mijn hut?’
‘Die is prachtig. Heel mooi.’
‘Ik zie dat je de ladder hebt afgemaakt,’ zei Jeremy met een klopje op het hout. ‘Dat is mooi, stevig eikenhout.’ Henrietta was jaloers op het gemak waarmee hij Jean-Paul aansprak. ‘Ben je al boven geweest?’ vroeg hij haar.
‘Nee,’ antwoordde ze. ‘Zoals je ziet, kostte het enige moeite om me naar buiten te wurmen. Ik weet zeker dat het nog moeilijker is om omlaag te komen!’
‘Helemaal niet. Kom op!’ Jeremy was op de onderste sport gaan staan. ‘Dat voelt stevig aan,’ zei hij.
‘Dat moet ook. Ik heb hem sterk genoeg gemaakt voor een olifant,’ zei Jean-Paul.
‘Dan moet hij mij ook kunnen houden,’ lachte Henrietta nerveus, biddend dat de ladder niet onder haar gewicht in elkaar zou storten. Ze had spijt van elke croissant die ze ooit had gegeten. Jeremy klom als eerste naar boven, waarna hij Henrietta aanspoorde hem te volgen. Ze zette haar voet voorzichtig op de eerste sport, toen op de tweede, wachtend op de krak waarmee het hout in tweeën zou breken.
‘Wees maar niet bang,’ zei Jean-Paul achter haar. ‘De ladder is stevig, dat garandeer ik. Of heb je soms hoogtevrees?’ Ze kon hem niet vertellen dat haar vrees haar eigen gewicht gold.
‘Een beetje,’ loog ze. Ze keek omhoog naar Jeremy, die zijn hand naar haar uitstak. Toen ze boven was, pakte ze die dankbaar aan en stapte op het platform waarop de hut was opgetrokken. Ze haalde diep adem en keek om zich heen. Gus had gelijk: het uitzicht was schitterend.
‘Wat ziet de kerktoren er mooi uit zoals hij boven de bomen uitsteekt,’ zei ze.
‘Als er geen bomen stonden, zouden we mijn boerderij kunnen zien,’ zei Jeremy.
‘Die zou ik wel eens willen bekijken,’ antwoordde Henrietta, die terugdacht aan picknicks in haar jeugd, toen ze naar de combines hadden gekeken.
‘Je mag langskomen wanneer je maar wilt,’ zei hij zacht, zich afvragend waarom ze hem nooit was opgevallen. Ze was verrukkelijk, als een in karamel gedoopte appel. Hij liet zijn blik omlaaggaan naar haar linkerhand en zag dat ze geen ring droeg.
Het viel Henrietta op dat Jean-Paul zich niet bij hen voegde. Hij bleef op het gras beneden met de kinderen staan kletsen, die gierden van het lachen. Het was duidelijk dat ze dol op hem waren. Jeremy zag hoe zij naar Jean-Paul keek en voelde een golf van teleurstelling door zich heen slaan. Niet dat het hem verbaasde – hoe kon een man als hij zich immers meten met Jean-Paul?
Hij liet hen achter bij de boom en keerde terug naar zijn boerderij. In de gang buiten de badkamer zat een lek dat gerepareerd moest worden. Hij trok zijn blauwe overall aan, drukte zijn tweedpet stevig op zijn hoofd en ging de ladders halen uit de moestuin, waar ze tegen de zijkant van de kas lagen. Mr. Ben en Wolfgang dribbelden achter hem aan. Het leven met Jeremy was altijd een avontuur. Het huis dateerde uit de zestiende eeuw en vergde voortdurend onderhoud, dat Jeremy zelf uitvoerde. Hij was praktisch ingesteld en vernieuwingsgezind, hoewel de meeste mensen hem excentriek zouden noemen. Gebarsten dakpannen vervangen was een gevaarlijke klus, waarvoor hij twee ladders en een heleboel moed nodig had. Het karwei leidde zijn gedachten af van Henrietta Moon en de manier waarop ze had gebloosd toen Jean-Paul haar de hand had gekust. De Fransman was charmant, zo veel was zeker. Als hij ertoe over zou gaan handen te kussen, zou iedereen omvallen van het lachen. Maar als Jean-Paul, met zijn zware accent en diepliggende bruine ogen, willekeurig welk ouderwets galant ritueel uitvoerde, werd hij beschouwd als de grootste romanticus die ooit voet in Hartington had gezet. Jeremy maakte geen schijn van kans. Hij haakte de gebarsten dakpan los en probeerde zijn zinnen te verzetten.
Henrietta slaagde erin haar verlegenheid in aanwezigheid van Jean-Paul te overwinnen. De kinderen namen haar mee naar de cottagetuin om mee te helpen die te beplanten. Meneer Underwood was er ook, met zijn mouwen opgestroopt tot aan zijn ellebogen en zijn pet op zijn hoofd, terwijl zijn ogen straalden van enthousiasme. Hij genoot ervan de kinderen om zich heen te hebben. Die deden hem denken aan zijn eigen jongens die vroeger altijd op de tractor kwamen zitten als hij de velden van de oude Fitzherbert moest ploegen. Nu waren ze volwassen en reden ze met hun eigen zoons op tractors. Als er één ding was wat hij van kinderen begreep, dan was het wel dat die het heerlijk vonden om mee te mogen helpen. Storm en Gus groeven gaten en legden daar samen met Jean-Paul de bloembollen in, zo voorzichtig alsof het dieren waren die winterslaap hielden. Het weer was ongewoon zacht, dus de aarde was nog rul en warm. Henrietta genoot van de sfeer. Ze luisterde naar Jean-Paul terwijl hij de kinderen over planten vertelde en geduldig hun vragen beantwoordde. Van tijd tot tijd moest hij ontzettend lachen om iets wat een van hen zei, en vervolgens lachten ze met z’n allen vol zalige overgave. Henrietta bedacht dat Jean-Paul zich misschien prettiger voelde in het gezelschap van kinderen dan van volwassenen, en ze wilde hem vragen waarom hij nooit zelf kinderen gekregen had.
Miranda was vroeg in Londen aangekomen en was toen Peter Jones om halftien openging daar meteen naar binnen gestapt. Ze snoof de geur van uitlaatgassen op en voelde een huivering van geluk door zich heen gaan. Ze was weer terug op de plek waar ze thuishoorde. Het verkeer ronkte, claxons toeterden, sirenes loeiden, mensen schreeuwden, de trottoirs waren overbevolkt door dringende mensen. Niemand keek een ander in de ogen; iedereen hield zich anoniem met zijn eigen zaken bezig. Het viel haar op dat niemand glimlachte. Maar zij wel, van oor tot oor.
De hele ochtend was ze bezig cadeautjes te kopen. Ze ging naar Daisy & Tom voor de kinderen, waar lachende peuters een ritje maakten op de carrousel en boven geboeid naar de Peter-en-de-Wolf-poppenkast zaten te kijken. Voor David kocht ze op Sloane Street een paar truien van Yves Saint Laurent en schoenen van Tods. Toen ze uiteindelijk de tempel van Harvey Nichols binnen was gestapt, dwaalde ze daar langzaam rond, genietend van de vertrouwde geur van parfum, haar ogen uitkijkend naar de balies vol cadeauverpakkingen en glinsterende potjes crème die een eeuwige jeugd beloofden. Het was haar Wonderland. Ze kocht wat make-up van Trish McEvoy om te vieren dat ze terug was.
Tegen de middag had ze vrijwel alles op haar lijstje afgevinkt, op de vulling van de kerstkousen voor de kinderen na, waarvan ze het grootste deel in Hartington zou kopen. Ze toog naar de vijfde verdieping voor haar lunchafspraak met Blythe en Anoushka. Toen ze in de spiegel van de lift een glimp van zichzelf opving, kon ze tot haar genoegen constateren dat ze, ook al woonde ze dan op het platteland, haar stadse glamour wel degelijk had weten te behouden. Zoals ze eruitzag met haar jeans met leren laarzen eroverheen, een goudkleurig, met bont afgezet Prada-ski-jack en een handtas van Anya Hindmarch, wist ze zeker dat haar vriendinnen onder de indruk zouden zijn.
Ze trof ze al aan tafel, met hun hoofden al roddelend dicht bij elkaar. ‘Hallo, meiden,’ zei ze, terwijl ze zich voor hen posteerde. Ze schoten overeind, en hadden haar jack en tas al in zich opgenomen bijna nog voordat ze haar begroetten.
‘Schat, wat zie je er verpletterend uit,’ zei Blythe waarderend, terwijl haar groene kattenogen Miranda met welgevallen van top tot teen opnamen. ‘Niemand zou kunnen beweren dat het landleven je geen goeddoet!’
‘Dank je,’ antwoordde Miranda, en ze ging zitten. Ze begroette haar vriendinnen allebei met een kus en kon hun parfum bijna proeven op haar lippen.
‘Wat fijn om je te zien,’ zei Anoushka met haar sleperige Amerikaanse accent. ‘Waar heb je die laarzen trouwens vandaan?’ Ze wierp haar golvende blonde haar naar achteren, want ze had gemerkt dat ze de man aan het belendende tafeltje niet onberoerd liet.
‘Tods,’ antwoordde ze.
‘Dit seizoen?’ In Anoushka’s stem klonk iets scherps door. ‘Ja.’
‘Ze zijn te gek. Ik vraag me af of ze ze nog hebben. Je vindt het toch niet erg als ik ze even bel, hè?’ Ze haalde haar mobiele telefoon tevoorschijn en drukte met bloedrode vingernagels op de toetsen.
‘En,’ zei Blythe, ‘hoe staat het met het buitenleven?’
‘Het heeft even geduurd, maar het begint te wennen. Na kerst moeten jullie maar eens komen logeren.’
‘Dat zou ik leuk vinden, als ik terug ben. We gaan voor tien dagen naar Mauritius. Ik heb de privévilla gehuurd bij het Saint Géran. Door die klojo voel ik me zo rot dat ik er helemaal geen problemen mee heb zijn geld uit te geven. Je weet dat hij de hele kwestie telkens maar voor zich uit schuift. Ik wil wedden dat hij me de eerstkomende twee jaar geen echtscheiding gunt. Ook al kost het hem op de lange duur stukken meer, om mij te pesten wil hij het zo lang mogelijk rekken.’
‘Vervelend, zeg. Wat een toestanden. Stemde hij maar toe in de scheiding en pakte hij z’n biezen maar; dan zouden jullie allebei verder kunnen met je leven. Ik hoorde van David dat hij je advies gaf.’
‘David…’ herhaalde ze, met een tedere glimlach. ‘Je man is echt een hele steun geweest. Ik zou niet weten wat ik zonder hem had gemoeten. Sinds jij je hebt ingegraven op het platteland, heb ik niemand meer om mee praten. Maar daar kwam ineens een reddende engel uit de lucht vallen. Hij is ontzettend geduldig en attent.’
‘Mooi zo,’ antwoordde Miranda, die liever had gezien dat David zijn geduld en attenties voor haar bewaarde.
‘Hij heeft me advies van onschatbare waarde gegeven. Dankzij hem ga ik die klootzak het vel over de oren halen. Straks heeft hij er spijt van als haren op zijn hoofd dat hij me niet beter heeft behandeld. David is mijn geheime wapen.’
‘Smeekt je ex je niet om weer naar huis te komen?’
‘Dat is alleen maar omdat hij geen afscheid kan nemen van vijftien miljoen.’
‘Dat kun je hem niet kwalijk nemen, zou ik zeggen. Zo veel geld, dat is geen kattenpis.’
‘Het komt me toe, voor al die keren dat hij me de afgelopen tien jaar ontrouw is geweest. Misschien ga ik straks zelf nog wel vreemd.’
‘Heb je dan iemand leren kennen?’
‘Wie zal het zeggen?’ zei Blythe koket.
‘Ja dus!’ riep Miranda uit. ‘Ken ik hem?’
‘Nee,’ zei Blythe snel. ‘Niemand kent hem. Het is geen grote liefde, maar wel geweldige seks. Hij is te gek in bed. Elke keer ben ik in de zevende hemel.’
‘Is hij getrouwd?’
Blythe trok een gezicht.
‘O, Blythe!’ riep Miranda. ‘Pas toch op! Vergeet nou niet hoe dat is. Laat niet een of andere arme vrouw door dezelfde hel gaan als jij.’
‘Het is toch geen lang leven beschoren,’ zei ze om zich ervanaf te maken. ‘Het is alleen maar voor de lol. Ik beloof je dat er niemand gekwetst gaat worden. Ik ben zijn maîtresse niet.’
‘Wat ben je dan wel?’
‘Een vriendin met wie hij het doet,’ antwoordde ze met een zelfvoldane glimlach. ‘Kom, laten we wat champagne bestellen. Om te vieren dat je terug bent in de Big Smoke.’ Ze riep de ober met een knip van haar vingers. Anoushka beëindigde haar telefoongesprek nadat ze erin was geslaagd een paar laarzen in maat 40 te reserveren.
‘Wat een opluchting,’ riep ze uit. ‘Ik had het bestorven als ze ze niet meer hadden gehad. Ziezo, we zullen je even bijpraten over alle roddels,’ zei ze. ‘Er valt zo veel te vertellen dat ik niet weet waar ik moet beginnen.’
Miranda luisterde toe terwijl haar vriendinnen de schandalen en rampspoed die zich tijdens haar afwezigheid in het Londense roddelcircuit hadden afgespeeld breed begonnen uit te meten. Ze dronken champagne, namen hapjes van hun gegrilde vis met salade en lieten van niemand een spaan heel. Miranda voelde een merkwaardige afstand, alsof ze door een glazen wand van de andere twee gescheiden werd. Ooit had zij ook haar bijdrage aan de nieuwtjes geleverd, maar nu had ze er niets aan toe te voegen. Ze had wel willen vertellen over het album van Ava Lightly en Jean-Paul, maar Hartington was vergeleken met Knightsbridge een andere wereld. Berichtjes uit provinciesteden zouden deze meiden uit de grote stad volkomen koud laten.
Er waren genoeg verhoudingen en echtscheidingen in Londen gaande om deze twee aasgieren tevreden te stellen, die genietend in het blote vlees van de gekwetsten en kwetsbaren pikten. Miranda leunde achterover en hoorde het met een mengeling van geïntrigeerdheid en walging aan. Nu ze er een paar maanden uit was geweest, kon ze hen zien met een objectiviteit die ze eerder niet had bezeten. Naarmate de lunch langer duurde, kwamen haar twee vriendinnen haar steeds grotesker voor. Hun met collageen ingespoten lippen zwollen op door de champagne, hun gebotoxte voorhoofd kreeg iets wat niet van deze wereld was en wat hun van hun menselijkheid beroofde. Hoe meer ze rondwroetten in het leven van Londens gedesillusioneerden, hoe minder medeleven ze toonden.
Miranda hervatte met een zure smaak in haar mond haar kerstinkopen. Opeens trok Londen haar stukken minder aan. Het verkeer maakte een hoop herrie, de trottoirs waren overvol, de mensen deden onaardig, en zelfs de geur van parfum op de parterre van Harvey Nichols kon ze ineens niet meer verdragen. Ze keek ernaar uit terug te keren naar de vredige rust van Hartington.
Toen ze thuiskwam, verraste het haar enigszins dat Henrietta haar kinderen naar bed had gebracht en in de keuken met Jean-Paul aan het avondeten zat. ‘Ik hoop dat je het niet erg vindt,’ zei Henrietta. ‘We zijn de hele dag in de tuin aan het planten geweest. De kinderen zijn doodop; meteen nadat Jean-Paul hun het verhaaltje van het fluwelen konijn had verteld zijn ze in slaap gevallen. Het leek ons een goed idee het einde van een dag hard werken te vieren.’
‘Wat fijn allemaal,’ antwoordde Miranda, die een stoel bijtrok. ‘Ik kan je niet genoeg bedanken dat je voor me op ze hebt willen passen.’
‘Je ziet er uitgeput uit,’ zei Jean-Paul. ‘Ik zal een glas wijn voor je inschenken. Er was een tijd dat ik dacht dat je alleen in de stad leuk kon wonen. Toen ontdekte ik hoe oppervlakkig en leeg het allemaal was. Net als glazuur op een bedorven taart. Daaronder was het een zootje.’
‘God, zo voel ik me nu ook. Ik had me er zo op verheugd om weer in de stad over straat te lopen, maar na zo’n hele dag rondsjouwen wilde ik alleen nog maar naar huis.’
‘Ik heb de stad nooit leuk gevonden,’ zei Henrietta. ‘Veel te hard allemaal. Hier in Hartington bestaat nog gemeenschapszin. Ik hoor graag ergens bij.’
‘En, zijn jullie klaar met mijn tuintje?’ vroeg Miranda, die zich dankzij hun gezelschap al beter voelde.
Jean-Pauls glimlach schonk warme honing over de zure smaak die ze sinds de lunch in haar mond had gehad. ‘We zijn klaar met planten. Als de toverkracht een beetje mee wil werken, staat alles in de lente in bloei.’
‘Waarom heb je het toch altijd over toverkracht, Jean-Paul?’ vroeg Miranda. ‘Bedoel je soms de natuur?’
‘Toverkracht is liefde, Miranda. Als je van iemand houdt, wordt diegene steeds mooier en zelfverzekerder. Hij of zij bloeit op waar je bij staat. Een vrouw die niet mooi is, wordt dat vanzelf door de warmte van de liefde. Met de tuin is het net zo. Aan liefde of toverkracht is niets geheimzinnigs; er bestaan alleen maar beperkingen aan onze eigen moed en aan ons geloof in onszelf.’
‘Dat snap ik niet.’
‘Liefde vergt moeite, inspanning en wilskracht. Ware liefde begint ermee dat we van onszelf houden. Liefde is niet louter en alleen een gevoel, maar een daad van wilskracht. De man aan de bar die zijn gezin verwaarloost zal je met tranen in zijn ogen vertellen dat hij van zijn vrouw en kinderen houdt. Maar liefde wordt afgemeten aan daden. Dat heeft een heel bijzondere vrouw me lang geleden geleerd.’
Henrietta en Miranda bleven zwijgend zitten. Hoe langer hij aan het woord was, hoe minder ze hem terug kenden en hoe dieper de poel van zijn ervaring en wijsheid leek te zijn. Allebei herkenden ze de peilloze droefenis in zijn blik, maar geen van tweeën had de moed hem naar de oorzaak daarvan te vragen. Henrietta droomde ervan om door hem bemind te worden; Miranda besefte dat hem beminnen niet meer was dan een droom. Beider hart ging uit naar de man die altijd maar van één bepaalde vrouw zou houden: de vrouw die hij langzaam tot leven wekte door met grote tederheid hun tuin te beplanten.