Hoofdstuk 37
Charlie werd knettergek, maar zolang Tuazama vrij rondliep, waagde hij zich niet uit zijn hotelkamer. Hij belde de roomservice voor zijn diner, keek naar een speelfilm op het interne televisiecircuit en probeerde vervolgens in slaap te komen. Op het moment dat hij zijn ogen dichtdeed, dacht hij aan Tuazama. Zijn hart ging sneller slaan. Om half twee, na verscheidene flesjes drank die hij in de minibar ontdekt had naar binnen te hebben gewerkt, viel hij ten slotte van vermoeidheid in slaap. Om zeventien minuten over twee sneed de doordringende bel van de telefoon naast zijn bed als een scheermes door zijn brein.
‘Met wie, verdomme?’ vroeg hij nadat hij op de tast de hoorn had gevonden.
‘Charlie?’ vroeg een vrouwenstem. Het was een stem die hij nooit zou vergeten. Charlie ging overeind zitten en deed de lamp op zijn nachtkastje aan.
‘Sally? Wat is er? Het is twee uur in de ochtend.’
‘Ik moet met je spreken.’
‘Wanneer?’ vroeg Charlie, nog steeds half verdoofd doordat hij diep had liggen slapen toen hij wakker werd gebeld.
‘Nu, vannacht nog.’
Charlie vond dat Sally wanhopig klonk, maar hij piekerde er niet over om in het holst van de nacht zijn veilige hotelkamer te verlaten.
‘Heb je niet gehoord wat ik zei? Het is twee uur in de ochtend. Ik sliep als een blok.’
‘Het moet nu.’
Sally’s stem trilde, wat Charlie deed weifelen. De Sally die hij kende had zichzelf altijd in bedwang.
‘Wat is er zo belangrijk dat het niet een paar uur kan wachten?’
‘Het gaat over je zaak. Er is iets wat ik je moet laten zien. Het kan niet tot morgenochtend wachten.’
‘Ik weet niet eens waar je woont. Ik heb geen auto.’
‘Neem een taxi. Ik breng je wel terug.’
Sally gaf hem aanwijzingen hoe hij bij haar huis kon komen.
‘Dat is ergens in een uithoek,’ zei Charlie. ‘Ik ga niet midden in de nacht de rimboe in. Trouwens, als het over mijn zaak gaat, wil ik dat mijn advocaat erbij is.’
‘Nee. Dit kan niet tot morgenochtend wachten. Het moet echt nu,’ zei ze weer. ‘En je moet alleen komen. Ik weet iets wat je kan helpen om je zaak geseponeerd te krijgen.’
‘Wat weet je dan?’
‘Dat kan ik je niet via de telefoon vertellen. Ik moet het je laten zien. Alsjeblieft.’
Charlie was klaarwakker en wijs genoeg om te beseffen dat het hem niet zou lukken weer in slaap te komen. Als hij niet ging, zou hij de hele nacht opblijven en zich voorstellingen proberen te maken van wat Sally hem wilde laten zien.
‘Goed, ik kom, maar dan moet het wel de moeite waard zijn.’
‘Dank je, Charlie. Dank je.’
Sally verbrak de verbinding. Charlie zat op de rand van het bed en dacht na over wat er zojuist was gebeurd. Ze had gezegd dat ze hem iets kon laten zien waardoor zijn zaak geseponeerd zou worden. Het klonk te mooi om waar te zijn. Wat kon ze in godsnaam nu weten dat ze twaalf jaar geleden niet wist?
Sally had niet blij of zelfverzekerd geklonken. Ze klonk wanhopig en leek in paniek, en dat waren gevoelens die hij nooit met haar in verband zou hebben gebracht. Waar was ze bang voor en waarom kon ze niet tot morgenochtend wachten om hem te laten zien wat voor bewijzen ze had? Het was erg verwarrend, maar hij was te moe om daar goed over na te denken en te opgewonden om weer in slaap te komen. Hij belde de receptie, vroeg of ze een taxi voor hem wilden bestellen en kleedde zich aan.
De taxichauffeur was een praatgrage grijsaard uit Oekraïne, die tijdens het eerste deel van de rit Charlie ongevraagd zijn mening verkondigde over de huidige stand van zaken in het Amerikaanse voetbal. Toen ze de snelweg hadden verlaten en de kenmerken van de beschaving uit het oog verdwenen, hield hij tot Charlies grote opluchting zijn mond. In het donker had de rit door het dunbevolkte platteland iets spookachtigs.
Ondanks Sally’s aanwijzingen miste de chauffeur bijna de smalle afslag naar haar landgoed. Zodra ze de opening in de muur waren gepasseerd, reden ze door een dicht bos, wat Charlie het verwarrende, claustrofobische gevoel gaf dat hij zich in een doodskist van gebladerte bevond. Zijn angst werd er niet minder op toen ze het woud uit reden. Bij daglicht zag Sally’s vooroorlogse landhuis er door de kleurige bloemperken en het heldergroene gazon vrolijk uit. ’s Nachts leek het huis, dat alleen door het bleke licht van de halve maan werd verlicht, meer op een menselijke schedel.
Toen ze bij de voorkant van het huis aankwamen, keek Charlie of hij ergens een teken van leven zag. Ten slotte zag hij een vaag geel licht, dat door de gordijnen van een kamer op de benedenverdieping naar buiten viel.
‘Stop hier maar,’ zei Charlie toen de taxi bij de voordeur aankwam.
‘Wilt u dat ik wacht?’ vroeg de chauffeur.
Charlie dacht even na. Sally had gezegd dat ze hem terug naar de stad zou brengen en hij had ook zijn mobieltje bij zich.
‘Nee, u kunt gaan.’
Charlie stapte uit en de taxi reed weg. Er stond een lichte bries en er hing een flauwe geur van pas gemaaid gras. Er klonken nachtelijke geluiden, maar verder was er niets te horen. Hij had een angstig gevoel en draaide zich langzaam om om zich ervan te overtuigen dat er niemand achter hem stond. Hij had zich bijna omgedraaid toen hij op de plek waar het woud ophield en het gazon begon iets meende te zien bewegen. Hij tuurde in het duister. Het was of hij de ruimte tussen de laaghangende takken van een boom het ene moment niet kon zien en het volgende moment wel. Hij tuurde in het duister om erachter te komen waardoor dat veroorzaakt werd, maar hij hoorde of zag niets. Hij schreef het verschijnsel toe aan zijn verbeelding en liep de trap naar de veranda op.
Er brandde nergens licht, zodat het even duurde voordat Charlie de bel had ontdekt. Het geluid weerklonk hol in de gang op de benedenverdieping. Terwijl Charlie op Sally stond te wachten, hoorde hij achter zich een zwak geluid. Hij draaide zich om in de richting van het erf, maar hij zag nog steeds niets. Toen hij zich weer omdraaide, waren zijn ogen aan het duister gewend geraakt en zag hij dat de voordeur op een kier stond. Hij duwde ertegen. De deur ging open. Charlie aarzelde voordat hij naar binnen ging. Aan het eind van een lange gang brandde licht. Charlie liep er voetje voor voetje naartoe en riep ondertussen Sally’s naam. Hij stond op een reactie te wachten toen hij de hond zag. Hij lag op zijn zij, gedeeltelijk verborgen achter een lage cederhouten kist die bij de trap naar de eerste verdieping stond. Charlie nam aan dat de collie lag te slapen. Op dat moment drong het echter tot hem door dat als de hond had liggen slapen, hij wakker zou zijn geworden toen hij Sally’s naam riep.
Charlie liep naar de kist en keek over de rand. Het hoofd van de collie lag in de schaduw en het duurde even voordat hij zag dat het in een grote plas bloed lag. Hij deinsde terug, bijna over zijn eigen voeten struikelend. Als Charlies DNA een gezond-verstand-gen had bevat, zou hij ervandoor gegaan zijn. In plaats daarvan pakte hij een koperen kandelaar die op de kist stond en liep verder de gang in, in de richting van het licht. Zijn voeten maakten geen geluid op het tapijt en hij kon zijn hart als een razende tekeer horen gaan. Charlies verhoogde bewustzijn richtte zich op de open deur aan het eind van de gang. Toen hij voorzichtig dichterbij kwam, kon hij een vloerkleed, het uiteinde van een bank en een deel van een tafel onderscheiden.
Charlie drukte zich tegen de muur en schuifelde zijdelings in de richting van de kamer, de kandelaar als een slaghout in de aanslag houdend. Toen Charlie bij de deuropening kwam, wachtte hij even en haalde diep adem. Vervolgens ging hij met een draaiende beweging en een arm boven zijn hoofd de kamer binnen.
Hij stond in een grote woonkamer en het licht dat hij vanaf de andere kant van de gang had gezien kwam van een schemerlamp die naast een telefoon stond. Naast het bijzettafeltje stond een houten stoel met een rechte rugleuning. Sally Pope was er met duct tape op vastgebonden. Haar hoofd was voorovergezakt. Ze droeg een witte nachtpon, zodat het bloed dat door de stof sijpelde des te meer opviel.
Charlie zag ook het lichaam van een donkerharige vrouw, dat languit op de vloer voor een lange zitbank lag. Hij kon niet zien of ze dood was of alleen maar bewusteloos. Hij wilde net naar haar toe lopen toen een gedempt geluid hem deed omdraaien. Op de vloer bij de open haard lag een jongen hem met wijdopen ogen aan te kijken. Hij was met hetzelfde grijze duct tape vastgebonden als waarmee Sally op haar stoel gebonden zat. Hij probeerde Charlie iets duidelijk te maken, maar door de tape waarmee zijn mond dicht was geplakt waren zijn woorden onverstaanbaar.
Charlie begon naar de jongen toe te lopen, die heftig met zijn hoofd bewoog in de richting van de gordijnen aan weerszijden van de tuindeuren die toegang tot de patio boden. De gordijnen bewogen en er kwam een man tevoorschijn. Hij was in het zwart gekleed en zijn gezicht zat verbogen achter een skimasker.
‘Wie…?’ was alles wat Charlie kon uitbrengen voordat de man de revolver die hij beethield omhoogstak. Vlak voordat de kogel hem raakte, hoorde Charlie achter zich iemand bewegen. Terwijl hij viel, hoorde hij meer schoten en het geluid van versplinterend glas. Toen verloor hij het bewustzijn.